Statenvertaling.nl

sample header image

Handschriften statenvertalers in ‘Collectie Rolandus’

Op deze pagina zijn twee artikelen samengevoegd over de handschriften van de statenvertalers in de ‘Collectie Rolandus’. Deze artikelen werden geschreven door C. Valk en verschenen in het kwartaalblad Standvastig van de Gereformeerde Bijbelstichting (GBS), juni en september 2003.

Het fotomateriaal van archiefstukken dat gebruikt is voor de afbeeldingen in dit webartikel, is in 1997 verzorgd door het Algemeen Rijksarchief in opdracht van de auteur.

Handschriften statenvertalers Nieuwe Testament (1)

In het Nationaal Archief in Den Haag (voorheen: het Algemeen Rijksarchief) bevinden zich in de zogeheten ‘Collectie Rolandus’ de enige in handschrift bewaard gebleven conceptvertalingen van de statenvertalers van het Nieuwe Testament [1].

In diverse publicaties over de Statenvertaling wordt ervan uitgegaan dat deze handschriften persoonlijke vertalingen bevatten van Jacobus Rolandus, één van de drie vertalers. In werkelijkheid is dit slechts ten dele het geval. Een deel van de vertalingen blijkt het gezamenlijke werk te zijn van de drie vertalers van het Nieuwe Testament. Behalve Rolandus waren dit Antonius Walaeus en Festus Hommius. De gezamenlijke vertaling van het Nieuwe Testament werd in 1634 en 1635 voorgelegd aan de revisoren en leidde uiteindelijk (mét de vertaling van het Oude Testament) tot de eerste uitgave van de Statenvertaling in 1637.

In twee artikelen willen we ingaan op deze handschriften op basis van eigen onderzoek, dat grotendeels reeds in 1995 en 1996 is uitgevoerd. In dit eerste artikel willen we stilstaan bij de aard en inhoud van deze handschriften. In een tweede artikel hopen we op één van deze handschriften verder in te gaan.

Drie handschriften

Jacobus Rolandus
Jacobus Rolandus (1562-1632).

De drie handschriften in de Collectie Rolandus bevonden zich lange tijd in particulier bezit onder verre nakomelingen van Jacobus Rolandus. In oudere bronnen lijkt het echter alsof sprake was van slechts één handschrift. In de eerste druk van de Christelijke Encyclopedie (1925) wordt gesproken over ‘het handschrift van Rolandus over de Evangeliën’. Tevens wordt vermeld dat dit handschrift in bezit is van de heer Pichot du Plessis te Maastricht, een verre nakomeling van Jacobus Rolandus. Een heel andere vermelding treffen we aan in het werk van dr. C.C. de Bruin ‘De Statenvertaling en zijn voorgangers’. De eerste druk van dit werk verscheen in 1937 [3]. In deze uitgave wordt een beschrijving gegeven van een handschrift van Rolandus dat het complete Nieuwe Testament omvat. Gemeld wordt dat dit handschrift in bezit is van de familie Rolandus te Bussum [3]. Van een handschrift over de Evangeliën wordt door dr. De Bruin niet gerept. De tweede druk van de Christelijke Encyclopedie vermeldt dat ‘het handschrift van Rolandus’ in 1960 door aankoop eigendom is geworden van de Nederlandse Hervormde Kerk. Kortom, er leek sprake te zijn van slechts één handschrift, al spraken de bronnen elkaar tegen of dit handschrift het hele Nieuwe Testament betrof of alleen de Evangeliën.

In werkelijkheid blijken er echter drie verschillende handschriften te bestaan op naam van Rolandus. Deze handschriften bevinden zich thans in eerdergenoemde Collectie Rolandus in het Nationaal Archief in Den Haag. Deze handschriften zijn:
1. Een compleet uitgeschreven Nieuw Testament in het Grieks en Nederlands.
2. Een vertaling met kanttekeningen van Mattheüs en Markus.
3. Een vertaling met kanttekeningen van Lukas en Johannes hoofdstuk 1 tot en met 7.

Compleet Nieuw Testament

Het eerste handschrift bevat een compleet uitgeschreven Nieuw Testament in de Griekse tekst met Nederlandse vertaling. De tekst is uitgeschreven op ongeveer 470 bladzijden, die bijna steeds dubbelzijdig beschreven zijn en pas later als één geheel zijn ingebonden. Het grootste deel van de tekst is weergegeven in twee kolommen naast elkaar. In de eerste kolom werd de Griekse tekst uitgeschreven en in de tweede kolom de Nederlandse vertaling. De grondtekst en vertaling stonden op deze wijze overzichtelijk naast elkaar zoals nog steeds in sommige bijbeluitgaven het geval is.

Dit handschrift is door dr. De Bruin onderzocht, waarvan een beschrijving te vinden is in zijn boek ‘De Statenbijbel en zijn voorgangers’ (zowel in de eerste druk als in de herziene uitgave van dr. F.G.M. Broeyer) [4]. De beschrijving van dr. De Bruin blijkt echter niet in alle opzichten even nauwkeurig te zijn. Zo beschrijft dr. De Bruin het handschrift als ware het één geheel, terwijl in werkelijkheid sprake is van drie gedeelten met elk een eigen karakter. Ons voornemen is in een tweede artikel nader op dit handschrift in te gaan en daarbij ook aandacht te schenken aan de door Rolandus gebruikte Griekse editie van het Nieuwe Testament.

Wél merken we nog kort op dat de vertaling in het grootste gedeelte van dit handschrift de eigen vóórvertaling is van Rolandus, als voorbereiding op de gezamenlijk op te stellen proefvertaling die vervolgens nog aan de revisoren moest worden voorgelegd. Rolandus voltooide zijn voorvertaling op 13 augustus 1629. Een kleiner gedeelte van het handschrift bevat de door Rolandus, Walaeus en Hommius gezamenlijk opgestelde proefvertaling.

Handschriften Evangeliën

Het tweede en derde handschrift in de Collectie Rolandus bevat een vertaling met kanttekeningen van Mattheüs tot en met Johannes 7. Een nadere beschrijving van deze handschriften in de literatuur over de Statenvertaling is ons niet bekend. Hoewel de catalogus van het Nationaal Archief hier niet helemaal duidelijk over is, wordt de indruk gewekt dat deze handschriften persoonlijke vertalingen bevatten van Rolandus. Ook op een bijschrift op een foto van een gedeelte uit één van deze handschriften in het boek ‘De Synode van Dordrecht’, uitgave Den Hertog 1987, wordt gesproken over ‘de vertaling door Rolandus’.

sv-rolandus2-mark16-14-20
Markus 16:14-20 met kanttekeningen in de gezamenlijke tekst van Rolandus,
Walaeus en Hommius (handschrift 2; omstreeks 1630). De vertaling is
uitgeschreven door Rolandus, de kanttekeningen door Walaeus, terwijl
de correcties in vers 15 en kanttekening 18 zijn aangebracht door
Hommius. Tijdens de revisie (1634-1635) zijn in de vertaling
en kanttekeningen nog enkele wijzigingen aangebracht.

Uit eigen onderzoek is gebleken dat de vertaling in deze handschriften van de Evangeliën ten onrechte aan Rolandus alléén is toegeschreven. Een aanwijzing hiervoor vormt reeds de opvallende gelijkenis van vertaling en kanttekeningen met de uiteindelijke Statenvertaling. Een tweede aanwijzing is gelegen in het feit dat het schrift in deze handschriften te veel uiteenliep om van één persoon te kunnen zijn. Nadere bestudering leidde tot de conclusie dat het grootste deel van de tekst uitgeschreven is door Antonius Walaeus en een kleiner deel door Jacobus Rolandus. Daarnaast treffen we soms correcties aan van Festus Hommius, zodat op sommige bladzijden het schrift van alle drie de vertalers te onderscheiden is.

Zekerheid over de aard van de vertaling en kanttekeningen werd verkregen door vergelijking met de proefvertaling zoals die in 1634 en 1635 in gedrukte vorm aan de revisoren werd voorgelegd. Beide vertalingen en ook de kanttekeningen blijken identiek te zijn. Daarmee staat vast dat deze handschriften van de Evangeliën inderdaad de tekst bevatten van de vertaling en kanttekeningen van Rolandus, Walaeus en Hommius gezamenlijk.

Waarom nu pas bekend?

Deze conclusie is in zoverre opzienbarend, omdat men tot nu toe gemeend heeft dat een dergelijk handschrift niet meer beschikbaar is. Zo vinden we ook in de tweede editie van 1993 van eerdergenoemd boek ‘De Statenbijbel en zijn voorgangers’: ‘Er zijn voor zover bekend geen handschriften van het Nieuwe Testament meer over die de in onderling overleg vastgestelde eindredactie bevatten. De verblijfplaats van een manuscript van de secretaris Hommius, dat zich lange tijd bij zijn nabestaanden bevond en wellicht de gezochte tekst als inhoud had, is onbekend. Misschien bestaat het zelfs niet meer’ (blz. 267). Hoewel de handschriften van de Evangeliën in elk geval sinds 1925 bekend moeten zijn geweest, zijn deze handschriften blijkbaar nooit eerder aan een grondig onderzoek onderworpen geweest. Omdat het in de Collectie Rolandus gaat om de enige drie bewaard gebleven handschriften van de vertalers van het Nieuwe Testament uit de periode vóór de revisie 1634-1635, is dit toch wel merkwaardig te noemen.

Twee exemplaren?

Hoewel uit het bovenstaande de aard van de handschriften van de Evangeliën voldoende duidelijk is geworden, zijn er nog twee vragen die naar aanleiding hiervan beantwoord moeten worden. De eerste vraag is waarom de handschriften van de Evangeliën eindigen met Johannes 7. De tweede vraag is of het niet waarschijnlijk is dat Hommius en niet Rolandus of Walaeus opgetreden is als secretaris of scriba. Hommius was dit immers ook op de Synode van Dordrecht en bij de overziening of revisie in 1634-1635.

Beide vragen kunnen eenvoudig beantwoord worden als wij ervan uitgaan dat naast de besproken handschriften ook een ander handschrift met de gemeenschappelijke tekst bestaan heeft. Vanwege de jarenlange arbeid aan de vertaling hoeft het ons niet te verbazen wanneer de vertalers niet één, maar twee exemplaren van de gemeenschappelijke vertaling hebben bijgehouden. Waarschijnlijk is het eerste exemplaar van de vertaling van het Nieuwe Testament inderdaad bijgehouden door Hommius (zoals ook door dr. De Bruin verondersteld werd in het hierboven aangehaalde citaat), terwijl Rolandus en Walaeus gezamenlijk een tweede exemplaar hebben bijgehouden. Hommius controleerde vervolgens of beide exemplaren met elkaar overeenstemden en bracht zonodig correcties aan.

Natuurlijk was deze werkwijze tamelijk tijdrovend. Mogelijk hebben de vertalers onder toenemende tijdsdruk deze werkwijze verlaten en zijn zij na Johannes 7 van het tweede exemplaar afgestapt. Misschien heeft ook de afnemende gezondheid van Rolandus hier een rol gespeeld. We zien van deze afnemende gezondheid ook iets terug in deze handschriften. Vanaf Lukas schreef Rolandus uitsluitend nog de opschriften boven de hoofdstukken uit en moest de rest geheel overlaten aan Walaeus. Rolandus overleed op 70-jarige leeftijd op 3 juni 1632. De gemeenschappelijke vertaling was op dat moment gevorderd tot Handelingen 8. Het resultaat van zijn werk mocht hij niet meer beleven.

Handschriften statenvertalers Nieuwe Testament (2)

In het vorige artikel is een beschrijving gegeven van de drie handschriften van de statenvertalers van het Nieuwe Testament zoals die zich thans bevinden in de ‘Collectie Rolandus’ in het Nationaal Archief in Den Haag. In dit tweede artikel willen we vooral ingaan op het meest omvangrijke handschrift, namelijk het compleet uitgeschreven Nieuwe Testament in het Grieks met Nederlandse vertaling. We beginnen echter met twee datumaanduidingen die we in de handschriften van de Collectie Rolandus tegenkomen.

Tijdschema

sv-rolandus1-openb22-21
Het slot van Openbaring 22 in het Grieks en Nederlands in het handschrift
van Rolandus (handschrift nr. 1). Rolandus sloot de bladzijde af met een
lofprijzing in het Grieks en Duits en noteerde bij het slot van
zijn vertaling de datum ‘12 en 13 augustus 1629’.

De eerste datumvermelding in de Collectie Rolandus treffen we aan in handschrift 1, het complete Nieuwe Testament. Op de laatste bladzijde van dit handschrift schreef Rolandus onder de Griekse tekst de datum ‘11 Aug. 1629’. Onder de Nederlandse vertaling noteerde hij ‘12 en 13 Aug. 1629’. Op deze laatste datum voltooide Rolandus zijn persoonlijke vertaling van het Nieuwe Testament. In welke jaren Rolandus aan deze vertaling gewerkt heeft, staat niet vast. Het lijkt waarschijnlijk, dat hij reeds geruime tijd vóór zijn aankomst in Leiden in oktober 1627 hiermee begonnen is.

De andere datum treffen we aan in handschrift 3 aan het slot van Lukas 24. In de hand van Walaeus treffen we hier de volgende datum aan: ‘1631 7/17 Juni’. Hieruit blijkt dat de gemeenschappelijke vertaling van Lukas met bijbehorende kanttekeningen op deze datum is voltooid. De datum 7 juni heeft daarbij betrekking op de oude Juliaanse tijdrekening, terwijl 17 juni de datum is volgens de verbeterde Gregoriaanse tijdrekening die vanaf 1582 geleidelijk in Europa is ingevoerd.

Genoemde datumaanduidingen dragen bij aan het inzicht in het tijdschema volgens welke de vertaling van het Nieuwe Testament tot stand is gekomen. Ter illustratie zijn in onderstaand overzicht enkele belangrijke gebeurtenissen met betrekking tot deze vertaling in chronologische volgorde opgenomen. Ook de hierboven genoemde data uit de Collectie Rolandus zijn hierin verwerkt.

26 november 1618De Dordtse Synode benoemt tijdens de 13e zitting de vertalers voor het Oude en Nieuwe Testament, hun eventuele vervangers en de revisoren.
oktober 1627Aankomst van Rolandus in Leiden. Walaeus en Hommius waren daar reeds. Vanaf dit moment begint het gezamenlijk werk van de drie vertalers van het Nieuwe Testament.
eind 1628Gemeenschappelijke proefvertaling Mattheüs is gereed.
13 augustus 1629Rolandus voltooit zijn persoonlijke vertaling van het Nieuwe Testament.
17 juni 1631Gemeenschappelijke proefvertaling Lukas met kanttekeningen is gereed.
3 juni 1632Op deze datum overlijdt Rolandus. De gemeenschappelijke proefvertaling met kanttekeningen is gereed tot Handelingen 8.
16 november 1634Eerste vergadering van de revisie voor het Nieuwe Testament met Walaeus als voorzitter en Hommius als secretaris.
31 augustus 1635Laatste vergadering van de revisie voor het Nieuwe Testament.
10 oktober 1635Laatste vergadering van de revisie voor de apocriefe boeken.
1636Verbetering van drukproeven en vervaardiging eerste druk.
17 september 1637Aanbieding eerste exemplaar van de Statenbijbel aan de Staten-Generaal.

Compleet Nieuw Testament

Keren we nu terug tot het complete Nieuwe Testament in de Collectie Rolandus. Dit Nieuwe Testament is uitgeschreven in het Grieks met Nederlandse vertaling. In dit handschrift, waarvan de bladzijden pas achteraf zijn ingebonden, zijn drie afzonderlijke gedeelten te onderscheiden:
a. Mattheüs en Markus
b. Lukas 1 t/m 9
c. Lukas 10 t/m Openbaring.

Met uitzondering van het middelste gedeelte (Lukas 1 t/m 9) zijn de bladzijden steeds ingedeeld in kolommen. In de eerste kolom is de Griekse tekst opgenomen, in de tweede kolom de Nederlandse vertaling. Het laatste gedeelte (vanaf Lukas 10) betreft de persoonlijke vertaling van Rolandus. Na Rolandus’ dood heeft Walaeus deze vertaling gebruikt en daar aantekeningen bij gemaakt. In het boek van dr. De Bruin over de Statenvertaling is hier het een en ander over te vinden [5].

Het eerste gedeelte van het handschrift (Mattheüs en Markus) bevat evenals de andere handschriften in de Collectie Rolandus de gemeenschappelijke vertaling van Rolandus, Walaeus en Hommius. Blijkbaar is Rolandus na de voltooiing van zijn persoonlijke vertaling opnieuw begonnen om de bijbeltekst in twee kolommen uit te schrijven. Deze tweede keer plaatste hij in de tweede kolom echter niet zijn persoonlijke vertaling, maar de gemeenschappelijke vertaling zoals die op een later moment aan de revisoren zou worden voorgelegd. Ook schreef hij nu de opschriften boven de hoofdstukken uit, iets wat we in het eerder uitgeschreven gedeelte (gedeelte c) niet aantreffen. Rolandus moet aan deze tweede fase van zijn tweetalige Nieuwe Testament hebben gewerkt in de tweede helft van 1629 en 1630. Hij is echter niet verder gekomen dan het Evangelie van Markus.

Merkwaardig gedeelte

Antonius Walaeus
Antonius Walaeus (1573-1639).

Het middelste gedeelte (Lukas 1 t/m 9) van het handschrift is opmerkelijk. Dit gedeelte is hoofdzakelijk uitgeschreven door Walaeus, hoewel een enkele bladzijde toch weer van Rolandus is. Walaeus schreef de tekst uit over de volle breedte van het blad, eerst een compleet vers in het Grieks, gevolgd door de Nederlandse vertaling, mogelijk zijn persoonlijke vertaling.

De reden waarom dit afwijkende middelste gedeelte is ingebonden bij het eerste en laatste gedeelte van Rolandus laat zich alleen gissen. Zo is het mogelijk dat de door Rolandus uitgeschreven vertaling na zijn dood is ingebonden als nalatenschap voor zijn kinderen, hoewel zij daar vermoedelijk niet over hebben kunnen beschikken vóór de uitgave van 1637. Het ontbrekende gedeelte Lukas 1 t/m 9 zou daarbij mogelijk door Walaeus zijn aangevuld. Het blijft echter een merkwaardig gedeelte dat wellicht nog eens nader zou kunnen worden onderzocht.

Onderschrift

Vermeldenswaard is dat Rolandus diverse bijbelboeken afsloot met een onderschrift in de vorm van een lofprijzing. Meestal deed hij dat in de Griekse taal met de woorden: ‘tooi monooi Theooi doxa’ (‘de enige God zij eer’). Aan het slot van Openbaring 22 schreef hij een soortgelijk onderschrift in het Hebreeuws en Duits, terwijl we aan het slot van Mattheüs in onze eigen taal vinden: ‘U alleen Heere, zij lof, prijs en(de) eere.’

Edities Grieks Nieuw Testament

Het handschrift van Rolandus biedt een unieke mogelijkheid om onderzoek te doen naar de door Rolandus gebruikte editie van het Griekse Nieuwe Testament. Bekend is dat de door de statenvertalers gebruikte Griekse tekst vooral gebaseerd is op de edities van Theodorus Beza, al zijn daarnaast ook andere edities geraadpleegd. Zeker is dat de folio-uitgave met uitgebreide annotaties van Beza uit het jaar 1588-89 een prominente plaats heeft ingenomen tijdens de revisie van 1634-1635 [6]. Deze annotaties bevatten onder andere veel informatie over lezingen in de toenmalig bekende handschriften en oude vertalingen. Het spreekt vanzelf dat de statenvertalers hiervan veel profijt hebben gehad, niet alleen ten behoeve van de vertaling, maar ook voor wat betreft de samenstelling van de kanttekeningen. Overigens sloten de vertalers zich om begrijpelijke redenen meestal aan bij de door Beza gekozen tekst en vertaling.

Het is niet exact bekend welke andere edities en drukken van het Griekse Nieuwe Testament door de vertalers en revisoren zijn geraadpleegd. Wel ligt het voor de hand dat gebruik is gemaakt van één van de nauwkeurige edities van Robertus Stephanus, met name de editie van 1550 (‘editio regia’) of 1551 (de eerste editie met versindeling). Dit geldt ook voor één of meer van de handzame octavo-edities van Beza, die evenals de folio-uitgaven voorzien waren van een parallel afgedrukte Latijnse vertaling. Deze octavo-uitgaven waren daarnaast voorzien van beknopte kanttekeningen. Tijdens het leven van Beza verschenen vijf van deze octavo-edities naast vier grote folio-uitgaven (waar de hierboven genoemde uitgave van 1588-89 er één van is).

De tweede druk van het boek ‘De Statenbijbel en zijn voorgangers’ vermeldt dat de statenvertalers gebruik hebben gemaakt van de in Leiden uitgegeven Elzevir-editie van 1624 (blz. 260 en 267). Helaas is daarbij niet aangegeven waar deze stelling op gebaseerd is. Hoewel deze Elzevir-uitgave later bekend is geworden als een nauwkeurige uitgave, is het toch de vraag of de vertalers aan deze toen recent verschenen editie veel gezag hebben toegekend. Niettemin is het gebruik van deze editie zeker niet uit te sluiten.

Een enkele keer volgt de Statenvertaling ook lezingen uit oudere 16e-eeuwse uitgaven. Zo leest de Statenvertaling in navolging van Erasmus in Jakobus 4:2 ‘gij benijdt’ in plaats van ‘gij doodt’ (zie ook de kanttekening op deze plaats). Een ander voorbeeld is de passage in Markus 15:3b, die in veel uitgaven niet te vinden is, maar wel in de Complutensische Polyglot uit 1522 en enkele andere drukken vóór 1550. Uit deze plaatsen mag echter niet automatisch de conclusie worden getrokken dat deze oudere uitgaven ook door de statenvertalers zijn geraadpleegd, aangezien deze lezingen ook gemeld worden in de annotaties van Beza.

Onderzoek

sv-beza-1567
Titelpagina van de editie van
Beza 1567 van het Griekse
Nieuwe Testament (exemplaar
universiteitsbibliotheek
Leiden).

Het handschrift van Rolandus biedt de mogelijkheid om niet via de vertaling of de kanttekeningen, maar rechtstreeks vanuit de Griekse tekst onderzoek te doen naar de door Rolandus gebruikte editie. Dr. De Bruin typeerde de door Rolandus uitgeschreven tekst als ‘in de redactie van Stephanus-Beza’, zonder echter tot een nadere bepaling van de gebruikte editie te komen. Uit eigen onderzoek is gebleken dat Rolandus vrijwel consequent bij het overschrijven van de Griekse tekst gebruik heeft gemaakt van de Beza-editie van 1567. Daarnaast heeft Rolandus ook beschikt over de Beza-editie uit 1580.

Genoemd onderzoek heeft plaatsgevonden aan de hand van een overzicht van Herman C. Hoskier uit 1890 waarin de verschillen zijn opgenomen tussen de edities van Stephanus 1550 en Elzevir 1624. Bij de aldus gevonden plaatsen is door Hoskier tevens aangegeven wat de lezing is in alle belangrijke edities van de 16e en begin 17e eeuw, waaronder de edities van Erasmus, Colinaeus, Stephanus en Beza. In totaal gaat het hierbij om ongeveer 250 plaatsen in het Nieuwe Testament. Bijna 80 van deze plaatsen geven een voor het onderzoek bruikbaar verschil aan tussen de Beza-edities onderling. Door nu de Griekse tekst van Rolandus te vergelijken met het overzicht van Hoskier, is nagegaan welke editie door Rolandus is gebruikt. Hieruit blijkt dat Rolandus met uitzondering van slechts twee gevallen steeds de lezing heeft van de octavo-editie van Beza uit 1567. Het aantal verschillen met andere edities is aanzienlijk hoger (per editie minimaal 26 verschillen) met uitzondering van de octavo-editie van Beza uit 1565 (12 verschillen). Uitgaande van het gebruik van de editie van 1567 is de overeenkomst met 1565 echter begrijpelijk, omdat de edities van 1565 en 1567 vrijwel identiek zijn. In alle tien plaatsen waarin volgens Hoskier 1565 en 1567 verschillen, volgt Rolandus 1567.

Beza-editie 1567

De eerste conclusie uit het onderzoek is dan ook, dat Rolandus bij het overschrijven van de Griekse tekst primair gebruik heeft gemaakt van de octavo-editie van Beza uit 1567. Deze editie was mogelijk zijn particulier bezit.

Hiermee is overigens niet gezegd dat Rolandus ook voor zijn vertaling steeds uitging van 1567. Uit zijn vertaling blijkt wel degelijk dat hij ook andere bronnen heeft geraadpleegd. Evenmin is hiermee gezegd dat ook de andere vertalers 1567 veel hebben geraadpleegd. Het is heel goed mogelijk, dat de andere vertalers voor hun persoonlijke vertaling juist uitgingen van andere edities. Ook tijdens de revisie in 1634-1635 stond het gebruik van andere edities aan een ieder vrij. Na onderlinge vergelijking kwam men immers vanzelf eventuele verschillen op het spoor.

Sukomorea

Ter illustratie van het hierboven geschetste onderzoek geven we één voorbeeld. In Lukas 19:4 wordt het Griekse woord voor ‘wilde vijgenboom’ in de toenmalige edities op vier verschillende manieren geschreven: ‘sukomooraia’, ‘sukomoraia’, ‘sukomoorea’ en ‘sukomorea’. Rolandus volgt de schrijfwijze ‘sukomorea’, die alleen voorkomt in de octavo-edities van Beza 1565 en 1567 en in Elzevir 1624. (De uiteindelijke Statenvertaling, zowel de eerste druk als de uitgave 1657, heeft echter in de kanttekening: ‘Gr. Sycomoraea.’ Dit sluit weer aan bij het ‘sukomooraia’ in de overige Beza-edities, waaronder de uitgave 1588-89.) Door een groot aantal van dergelijke verschillen langs te lopen, werd duidelijk dat alleen Beza 1567 steeds opnieuw overeenkwam met de door Rolandus uitgeschreven tekst.

Drukfout editie 1580

sv-rolandus1-2kor8-20
In 2 Korinthe 8:20 schreef Rolandus aanvankelijk het niet-bestaande
woord ‘androtèti’ en verbeterde dit vervolgens in ‘hadrotèti’. Omdat
deze dubbele (!) fout ook voorkomt als drukfout in de editie Beza
1580 (en in geen andere editie), staat het vast dat Rolandus
hier van de editie 1580 gebruik heeft gemaakt.

De twee gevonden gevallen waarin de Griekse tekst van Rolandus afwijkt van de editie 1567 zijn te vinden in 1 Korinthe 15:31 en 2 Korinthe 8:20. In 2 Korinthe 8:20 schreef Rolandus aanvankelijk het niet-bestaande woord ‘androtèti’ en verbeterde dit vervolgens in het correcte ‘hadrotèti’, in de Statenvertaling vertaald met ‘overvloed’. Nu vinden we exact dezelfde (dubbele!) fout óók, en volgens Hoskier ook maar alléén, in de octavo-editie van Beza 1580. Rolandus moet hier dus wel gebruik hebben gemaakt van deze editie. Op de andere plaats, 1 Korinthe 15:31, heeft Rolandus ‘hèmeteran’ (‘onze’ in ‘onze roem’) in plaats van ‘humeteran’ (‘uw’). Ook hier wordt de lezing van Rolandus verklaard door het gebruik van de editie 1580. Deze lezing vinden we ook in de uiteindelijke Statenvertaling en is één van de voorbeelden waarin de Statenvertaling niet de editie van 1588-89 volgt, al wordt de lezing van 1588-89 wel genoemd in de kanttekening.

Tweede conclusie uit het uitgevoerde onderzoek is dan ook, dat Rolandus behalve over de editie van 1567 ook beschikt heeft over de Beza-editie van 1580. Tijdelijk maakte hij van deze laatste editie gebruik bij het overschrijven van de Griekse tekst van de brieven aan de Korinthiërs. Mogelijk is Rolandus wegens de hierboven genoemde drukfout in 2 Korinthe 8:20 weer definitief teruggekeerd tot de editie 1567.

Slot

Hiermee zijn we gekomen aan het eind van deze beide artikelen over de Collectie Rolandus. De drie handschriften in deze collectie boden ons de mogelijkheid meer inzicht te krijgen in de werkwijze en de bronnen van de vertalers en in het bijzonder Rolandus. Naast het gebruik van de grote Beza-editie uit 1588-89 bestaat nu ook zekerheid over het gebruik van de kleine edities van 1567 en 1580, in elk geval door Rolandus.

De handschriften in de Collectie Rolandus laten ons daarnaast iets zien van de toewijding en de nauwgezetheid waarmee de vertalers hun werk hebben verricht. Begonnen werd met een persoonlijke vertaling van elk van de vertalers. Deze vertalingen werden onderling vergeleken, resulterend in een gemeenschappelijke proefvertaling. Daarbij werden ook nog eens verschillende gezaghebbende Griekse edities en vertalingen geraadpleegd en vergeleken. Het resultaat van dit werk is de eeuwen door en nog steeds van onschatbare betekenis.

Noten

[1] Toen dit artikel geschreven werd, bevonden deze archiefstukken zich in het Nationaal Archief in Den Haag (nummer toegang 2.21.255.16, inventarisnummers 1, 2 en 3). Inmiddels zijn deze stukken overgebracht naar Het Utrechts Archief in Utrecht (archief 1403 Nederlandse Hervormde Kerk, verzameling handschriften en losse archivalia, nummer 227, 228 en 229).

[2] Dr. C.C. de Bruin, De Statenbijbel en zijn voorgangers. A.W. Sijthoff’s uitgeversmaatschappij N.V., Leiden, 1937.

[3] Onderschrift foto tegenover blz. 312.

[4] Eerste druk (zie noot 2), blz. 298, 299. De tweede, bewerkte uitgave: Dr. C.C. de Bruin, De Statenbijbel en zijn voorgangers, Nederlandse bijbelvertalingen vanaf de Reformatie tot 1637, bewerkt door dr. F.G.M. Broeyer. Nederlands Bijbelgenootschap, Haarlem, Belgisch Bijbelgenootschap, Brussel, 1993, blz. 269, 270.

[5] Zie noot 4.

[6] De jaartallen 1588 en 1589 wijzen mogelijk op verschillende vermeldingen op de titelpagina van deze folio-editie. De waarde van de folio-edities van Beza ligt vooral in de door Beza uitgewerkte annotaties. Voor de Griekse tekst hebben de vertalers en revisoren met zekerheid ook andere edities gebruikt, de folio-uitgave van 1588-89 bevat namelijk vele drukfouten in de Griekse tekst waarvan de vertalers en revisoren zich kennelijk bewust waren, aangezien zij deze fouten niet hebben gevolgd. Het feit dat de Beza-editie van 1588-89 tijdens de revisie als belangrijke leidraad gebruikt is, blijkt uit de aantekeningen die Lodewijk van Renesse, een van de revisoren, gemaakt heeft. Zie hiervoor Nicolaes Hinlópen, Historie van de Nederlandsche overzettinge des Bijbels. Leiden, 1777, blz. 162 en bijlagen, blz. 135.

Bovenstaande noten zijn ten behoeve van dit webartikel toegevoegd.


Terug

Naar top van deze pagina
Naar pagina Artikelen geschiedenis Statenvertaling
Naar hoofdpagina Geschiedenis