Statenvertaling.nl

sample header image

Mattheüs 7 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
Inleiding Bijbelboek
Inleiding Nieuwe Testament
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Mattheüs 7

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

1 Christus leert verder hoe men van zijn naaste moet oordelen en denzelven bestraffen. 6 Dat men het heilige den verachters niet moet voordragen. 7 Dat men met bidden moet aanhouden. 12 Hoe men handelen moet met zijn naaste. 13 Van de enge en wijde poort. 15 Van de valse profeten te mijden. 21 Dat niet allen die uiterlijk God dienen, zullen zalig worden. 24 Dat men het Woord Gods niet alleen moet horen, maar ook doen.
 
De splinter en de balk
1 OORDEELTa 1niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.
a Luk. 6:37. Rom. 2:1. 1 Kor. 4:3, 5. verwijsteksten
1 Namelijk lichtvaardiglijk of verkeerdelijk, uit haat, nijdigheid of ongegronde achterdocht. Anders is een oprecht oordeel van zaken waarvan men oprechte kennis heeft, als het tot een goed einde geschiedt, zo in het gericht als daarbuiten, niet alleen geoorloofd, maar ook geboden. Zie 2 Kron. 19:6. Joh. 7:24. 1 Kor. 5:12. verwijsteksten
 
2 bWant met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke maat gij meet, zal u wedergemeten worden.
b Mark. 4:24. Luk. 6:38. verwijsteksten
 
3 cEn wat ziet gij den 2splinter die in het oog uws broeders is, maar den balk die in uw oog is, merkt gij niet?
c Luk. 6:41, 42. verwijsteksten
2 Dat is, kleine of mindere gebreken, gelijk door den balk grote en grove gebreken verstaan worden.
 
4 Of hoe zult gij tot uw broeder zeggen: Laat toe dat ik den splinter uit uw oog uitdoe; en zie, er is een balk in uw oog?
5 dGij geveinsde, werp eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien om den splinter uit uws broeders oog uit te doen.
d Spr. 18:17. verwijsteksten
 
6 eGeeft het 3heilige den honden niet, en werpt uw parelen niet voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelve met hun voeten vertreden en zich omkerende u verscheuren.
e Spr. 9:8; 23:9. verwijsteksten
3 Heilig is eigenlijk hetgeen van het gemeen gebruik afgezonderd is, en wordt daardoor hier verstaan de predicatie des Evangelies, of de vermaningen en vertroostingen uit Gods Woord, alsook de bediening der heilige sacramenten, die vanwege hun waardigheid hier ook parelen genaamd worden, en die men den hardnekkigen en moedwilligen spotters, die bij honden en zwijnen vergeleken worden, niet moet voorhouden, Spr. 9:8. 1 Kor. 10:21. Filipp. 3:2. verwijsteksten
 
Gebedsverhoring
7 4Bidt, fen u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.
4 Door bidden, zoeken en kloppen vermaant ons Christus met ernst geduriglijk aan te houden in het gebed. Zie ook Rom. 12:12. 1 Thess. 5:17. verwijsteksten
f Matth. 21:22. Mark. 11:24. Luk. 11:9. Joh. 14:13; 16:24. Jak. 1:5, 6. 1 Joh. 3:22; 5:14. verwijsteksten
 
8 gWant een iegelijk die 5bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden.
g Spr. 8:17. Jer. 29:12. verwijsteksten
5 Namelijk uit het geloof en naar Gods wil, Jak. 1:6. 1 Joh. 5:14. verwijsteksten
 
9 Of wat mens is er onder u, zo zijn zoon hem zou bidden om brood, die hem een steen zal geven?
10 En zo hij hem om een vis zou bidden, die hem een slang zal geven?
11 Indien dan gij, hdie boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede gaven geven dengenen die ze van Hem bidden.
h Gen. 6:5; 8:21. verwijsteksten
 
12 iAlle dingen dan die gij wilt dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo; want dat is 6de Wet en de Profeten.
i Luk. 6:31. verwijsteksten
6 Dat is, de samenvatting van al hetgeen de Wet en de Profeten, uitleggers derzelve, leren aangaande de tweede tafel der tien geboden, van de liefde des naasten, Matth. 22:39. verwijsteksten
 
De enge poort
13 kGaat in door de enge poort; want wijd is de poort en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er die door dezelve ingaan;
k Luk. 13:24. verwijsteksten
 
14 lWant de poort is eng en de weg 7is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er die denzelven vinden.
l Hand. 14:22. verwijsteksten
7 Dat is, niet alleen ten aanzien van de nauwe gehoorzaamheid die God van ons eist, maar ook omdat hij is vol van verdrukking en zwarigheid. Zie Hand. 14:22. verwijsteksten
 
De boom en zijn vruchten
15 mMaar wacht u van de valse profeten, dewelke in 8schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende 9wolven.
m Deut. 13:3. Jer. 23:16. Matth. 24:4. Rom. 16:17. Ef. 5:6. Kol. 2:8. 1 Joh. 4:1. verwijsteksten
8 Dat is, in een uiterlijk schonen schijn.
9 Dat is, verleiders en zielenmoorders, Joh. 10:1, 8. Hand. 20:29. verwijsteksten
 
16 Aan hun 10vruchten zult gij hen kennen. Leest men ook een druif van doornen, of vijgen van distelen?
10 Door deze vruchten wordt verstaan niet zozeer het leven, hetwelk voor een tijd bedriegen kan, als wel de leer, die aan Gods Woord moet beproefd zijn, 1 Joh. 4:1. verwijsteksten
 
17 nAlzo een iedere goede boom brengt voort goede vruchten, en 11een kwade boom brengt voort kwade vruchten.
n Matth. 3:10; 12:33. Mark. 11:13. Luk. 3:8. verwijsteksten
11 Gr. een verrotte boom.
 
18 Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen.
19 Een iedere boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.
20 Zo zult gij dan dezelve aan hun vruchten kennen.
21 oNiet een iegelijk 12die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar 13die daar doet den wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is.
o Matth. 25:11. Luk. 6:46; 13:25. Hand. 19:13. Rom. 2:13. Jak. 1:22. verwijsteksten
12 Dat is, die veel en ijdellijk roemt van Christus en Zijn leer.
13 Dat is, die in Christus recht gelooft, Joh. 6:40, en zijn leven naar Gods geboden aanstelt, 1 Thess. 4:3. verwijsteksten
 
22 pVelen zullen 14te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere, hebben wij niet 15in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele 16krachten gedaan?
p Jer. 14:14; 27:15. Luk. 13:26. verwijsteksten
14 Namelijk van het uiterste oordeel, Matth. 24:36. verwijsteksten
15 Dat is, door Uw bevel en kracht, als Uw dienaars, en tot verbreiding van Uw eer.
16 Dat is, wondertekenen of mirakelen, 1 Kor. 12:10, omdat zij door de kracht Gods geschieden. verwijsteksten
 
23 qEn dan zal Ik hun 17openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit 18gekend; rgaat weg van Mij, gij die de ongerechtigheid werkt.
q Ps. 6:9. Matth. 25:12. Luk. 13:25, 27. verwijsteksten
17 Gr. belijden.
18 Namelijk voor de mijnen. Zie Joh. 10:14. 2 Tim. 2:19. verwijsteksten
r Matth. 25:41. Luk. 13:25, 27. verwijsteksten
 
De wijze en de dwaze bouwer
24 sEen iegelijk dan die deze Mijn woorden hoort en dezelve doet, dien zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft;
s Jer. 17:8. Luk. 6:47. Rom. 2:13. Jak. 1:25. verwijsteksten
 
25 En er is 19slagregen nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid en zijn tegen hetzelve huis aangevallen, en het is niet gevallen, want het was op 20de steenrots gegrond.
19 Door den slagregen, de waterstromen en winden worden verstaan allerlei vervolgingen, verleidingen en verzoekingen, waardoor de mensen tot afval zouden kunnen gebracht worden.
20 Deze steenrots betekent Christus, 1 Petr. 2:6. verwijsteksten
 
26 tEn een iegelijk die deze Mijn woorden hoort en dezelve niet doet, die zal bij een dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het 21zand gebouwd heeft;
t Ez. 13:11. Rom. 2:13. Jak. 1:23. verwijsteksten
21 Door het zand wordt verstaan al wat de mensen buiten Christus tot een fundament hunner zaligheid stellen, Hand. 4:12. verwijsteksten
 
27 En de slagregen is nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid en zijn tegen hetzelve huis aangeslagen, en het is gevallen, en zijn val was groot.
28 En het is geschied als Jezus deze woorden geëindigd had, dat de scharen zich 22ontzetten over Zijn leer;
22 Of: verbaasd, verslagen werden met verwondering en beroering huns gemoeds.
 
29 vWant Hij leerde hen als 23macht hebbende, en niet als de schriftgeleerden.
v Mark. 1:22; 6:2. Luk. 4:32. verwijsteksten
23 Dat is, met een Goddelijke autoriteit, en met een bijzondere beweeglijkheid en vrijmoedigheid. Zie Luk. 4:22. Joh. 7:45, 46. verwijsteksten

Einde Mattheüs 7