Statenvertaling.nl

sample header image

Spreuken 1 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Spreuken 1

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Van de nuttigheid dezer spreuken, vs. 1, enz. Plicht der kinderen jegens de ouders, 8. Waarschuwing voor der goddelozen gezelschap, 10. De eeuwige Wijsheid Zelve wordt ingevoerd, klagende over Haar verachting, vermanende tot bekering, en dreigende allen ongehoorzamen het eeuwige verderf, en den gehoorzamen belovende een vaste gelukzaligheid, 20.
 
De strekking der spreuken
1 DE 1spreuken van Sálomo, den zoon van David, den koning Israëls,
1 Zie van het Hebreeuwse woord 1 Kon. 4 op vers 32. verwijsteksten
 
2 Om 2wijsheid en 3tucht te weten, om te verstaan 4redenen 5des verstands,
2 Versta een vaste en grondige kennis van Goddelijke en menselijke dingen, om zichzelven in geloof en leven wel te schikken. Vgl. 1 Kon. 3 op vers 12. verwijsteksten
3 Versta het onderwijs dat gegeven wordt om tot de wijsheid te geraken.
4 Of: redenen die verstandiglijk voorgesteld zijn.
5 Dit houdt men te zijn de kloekheid en voorzichtigheid des geestes, waardoor de wijsheid tot het rechte gebruik wel wordt aangelegd. Vgl. 1 Kon. 3 op vers 12. verwijsteksten
 
3 Om aan te nemen onderwijs van 6goed verstand, 7gerechtigheid en 8recht en 9billijkheden,
6 Te weten waardoor men kloekzinnig, wijs, vernuftig en voorzichtig kan worden, in al hetgeen dat den mens in zijn doen of laten zou mogen voorvallen. Vgl. Spr. 3:4; 13:15; 21:16. verwijsteksten
7 Versta den gansen plicht dien wij God en onzen naaste schuldig zijn, naar uitwijzen van de eerste en tweede tafel.
8 Te weten waardoor wij jegens onzen naaste doen wat wij schuldig zijn, volgens het voorschrift van de tweede tafel eigenlijk.
9 Die onderhouden moeten zijn in alle samenhandelingen en verschillen der mensen, naar den aard der liefde en den eis der zaak.
 
4 Om den 10slechten 11kloekzinnigheid te geven, den 12jongeling 13wetenschap en 14bedachtzaamheid.
10 Dit woord is somtijds in het kwade genomen voor degenen die door hun domheid lichtelijk geloven, zich lichtelijk laten omzetten en van het goede verleiden. Zie Job 5 op vers 2. Alzo onder vss. 22, 32. Spr. 7:7; 8:5; 14:15, 18. Somtijds is het Hebreeuwse woord in het goede genomen, voor degenen die leerzaam, onnozel, eenvoudig en oprecht zijn, en lichtelijk van de bozen bedrogen en beschadigd zouden worden, tenware dat God, op Denwelken zij vertrouwen, hen als een vader bewaarde, Ps. 19:8; 116:6. Spr. 19:25. Matth. 10:16. verwijsteksten
11 Dit woord is hier in het goede genomen voor een kloek, wakker, subtiel en scherp verstand, als Spr. 8:5, 12; 19:25. Elders is het genomen in het kwade voor arglistigheid en snode boosheid, als Ex. 21:14. Joz. 9:4. Job 5:12; 15:5. verwijsteksten
12 Zo in jaren als in verstand.
13 Versta niet een blote kennis van de dingen die men weten moet, maar ook van de redenen daarvan.
14 Dat is, een kloek en vernuftig bedenken, verenigd met bijzondere voorzichtigheid. Alzo Spr. 2:11; 3:21. Zie Job 21, de aant. op vers 27. verwijsteksten
 
5 Die wijs is, zal horen en zal 15in leer toenemen; en die verstandig is, zal 16wijzen raad bekomen;
15 Zie van het Hebreeuwse woord, overgezet met leer, Job 11 op vers 4. Of: zal geleerdheid vermeerderen, of: in begrip toenemen. Vgl. Spr. 9:9. Hebr. eigenlijk: leer toedoen. verwijsteksten
16 Hebr. wijze raden. In het meervoud. Zie van dit woord Job 37 op vers 12. verwijsteksten
 
6 Om te verstaan een 17spreuk en 18de uitlegging, de woorden der wijzen en hun 19raadselen.
17 Zie op vers 1. verwijsteksten
18 Te weten derzelver spreuk. Anders: kunstige redenen, dat is, bekwame welsprekendheid, om zijn woord wel te doen.
19 Dat is, redenen die een verborgen en diepen zin hebben. Zie Richt. 14 op vers 12. 1 Kon. 10 op vers 1. verwijsteksten
 
7 aDe vreze des HEEREN is het 20beginsel der wetenschap; 21de dwazen verachten wijsheid en tucht.
a Job 28:28. Ps. 111:10. Spr. 9:10. Pred. 12:13. verwijsteksten
20 Dat is, de grondslag en het fundament der ware wijsheid, te weten om die ten volle te verkrijgen; evengelijk in het bouwen van een huis het fundament het beginsel is van de resterende bouwing, om die te voltrekken. Zie Ps. 111 op vers 10. verwijsteksten
21 Versta door dezen meest de mensen die vele valse opinies ingedronken hebbende, den rechten weg der wijsheid en de vreze Gods niet volgen. Zie Job 5 op vers 2. verwijsteksten
 
Waarschuwing tegen verleiding
8 22Mijn zoon, hoor de tucht uws vaders, en verlaat de 23leer uwer moeder niet;
22 Alzo noemt Salomo al degenen die zijn lering horen of lezen, om te tonen, niet alleen dat hij haar met een vaderlijk gemoed voortbrengt, maar ook dat zij die met een kinderlijke en gans gehoorzame toegenegenheid behoorden te ontvangen. Alzo vss. 10, 15. Spr. 2:1; 3:1, enz. Vgl. Richt. 17 op vers 10. 1 Kon. 20 op vers 35. 2 Kon. 2 op vers 12. Ps. 34 op vers 12. verwijsteksten
23 Of: wet, of: onderwijzing. Alzo Spr. 3:1; 4:2; 6:20, 23; 7:2. verwijsteksten
 
9 Want zij zullen uw hoofd 24een aangenaam toevoegsel zijn, en ketenen aan uw 25hals.
24 Hebr. een toevoegsel der aangenaamheid, dat is, hetwelk u aangenaam en aanzienlijk maken zal. Alzo Spr. 4:9. verwijsteksten
25 Hebr. gorgel.
 
10 Mijn zoon, indien 26de zondaars u 27aanlokken, bbewillig niet;
26 Versta grove en onbekeerde zondaars. Zie 1 Sam. 15 op vers 18. verwijsteksten
27 Of: verleiden willen, dat is, zullen met schone woorden zoeken te bepraten en te vervoeren. Zie van het Hebreeuwse woord Richt. 14 op vers 15. verwijsteksten
b Spr. 4:14. verwijsteksten
 
11 Indien zij zeggen: Ga met ons, laat ons 28loeren op bloed, ons 29versteken tegen den onschuldige, 30zonder oorzaak;
28 Te weten om dat met doodslaan en moorden te vergieten. Bloed voor doodslag. Zie Gen. 37 op vers 26. verwijsteksten
29 Dat is, lagen leggen. Alzo vers 18. Ps. 56:7. verwijsteksten
30 Dat is, zonder dat hij het verdiend heeft. Alzo Ps. 35:7. verwijsteksten
 
12 Laat ons hen 31levend verslinden, 32als het graf; ja, geheel en al, gelijk 33die in den kuil nederdalen;
31 Dat is, zonder barmhartigheid. Vgl. Ps. 124:3. verwijsteksten
32 Dat is, gelijk het graf de dode lichamen verslindt. Vgl. Spr. 27:20; 30:16. verwijsteksten
33 Hebr. de nederdalenden des kuils. Alzo Gen. 23:10 de ingangers zijner stadspoort, dat is, die ter poorte zijner stad ingingen. Ps. 78:9 schutters van den boog, dat is, die met den boog schieten. verwijsteksten
 
13 Alle kostelijk goed zullen wij vinden, onze huizen zullen wij met roof vullen;
14 Gij zult 34uw lot midden onder ons werpen; 35wij zullen allen één buidel hebben.
34 Dat is, den buit met ons helpen delen; hetwelk gemeenlijk geschiedt met loting, als ieder zijn deel daaruit begeert te trekken.
35 Dat is, allen roof zullen wij gemeen hebben en onder ons delen.
 
15 Mijn zoon, 36wandel niet met hen op den weg; weer uw 37voet van hun pad.
36 Dat is, houd met hen geen gemeenschap, of: verkeer niet met hen. Vgl. de manier van spreken met 1 Sam. 25:15. Ps. 1:1. verwijsteksten
37 Dat is, ga niet met hen in hun kwade wegen. Voorts kan men hierdoor verstaan affecten, genegenheden, bewegingen; want gelijk de voeten het lichaam herwaarts en gindswaarts dragen, alzo wordt de geest des mensen door de affecten tot velerlei voornemen en werk gedreven. Vgl. vers 16. Spr. 5:5; 6:18, enz. verwijsteksten
 
16 Want hun cvoeten lopen 38ten boze, en zij haasten zich om bloed te storten.
c Jes. 59:7. Rom. 3:15. verwijsteksten
38 Dat is, om iemand kwaad of schade te doen.
 
17 Zekerlijk, 39het net wordt 40tevergeefs gespreid voor de ogen van 41allerlei gevogelte;
39 De zin is: Gelijk een vogel tevergeefs het net uitgespannen ziet, overmits hij daarop niet let, maar zijn ogen alleen heeft op het aas, waarop hij vallende gevangen wordt; alzo letten de boosdoeners niet op het gevaar, waarin zij zichzelven steken, als zij om enig tijdelijk voordeel hun naaste beschadigen, maar vallen in de handen van de overheid, die hen naar hun verdiensten straft, of worden van God anderszins geplaagd.
40 Welverstaande, ten aanzien van het gevogelte, overmits het door de uitspanning van het net niet gewaarschuwd wordt voor het gevaar, maar wordt door een gretigen lust alleen tot het aas gedreven. Sommigen duiden dit alzo, dat de vogels, als zij het net zien spreiden, daardoor gewaarschuwd worden en wegvliegen; maar dat de goddelozen zo dom zijn, dat zij hun eigen net bereiden waarin zij gevangen zullen worden.
41 Hebr. van allen heer des vleugels, dat is, van allerlei gevogelte, of al wat vleugelen heeft. Zie Gen. 14 op vers 13. verwijsteksten
 
18 En dezen 42loeren op hun eigen bloed, en 43versteken zich tegen hun zielen.
42 Te weten zij van dewelke gesproken is vss. 15, 16. De zin is, dat zij hun eigen leven in het verderf brengen, door te staan naar het leven van een ander. Vgl. Spr. 8:36 en de aantt. verwijsteksten
43 Zie op vers 11. verwijsteksten
 
19 Zo zijn de 44paden van een iegelijk die 45gierigheid pleegt; 46zij zal de ziel 47van haar meesters 48vangen.
44 Dat is, voornemen, daden en werken. Vgl. Gen. 6 op vers 12. Insgelijks Spr. 2:15; 22:25. verwijsteksten
45 Hebr. gierigheid giert, of: met gierigheid giert. Alzo Spr. 15:27. Jer. 6:13. Ez. 22:27. Hab. 2:9. Het Hebreeuwse woord is meest altijd in het kwade genomen voor vuil, gierig en oneerlijk gewin. Zie Gen. 37:26. Ex. 18:21. 1 Sam. 8:3. Ps. 119:36. Spr. 28:16. Jes. 56:11. verwijsteksten
46 Te weten de gierigheid.
47 Dat is, van degenen die de gierigheid plegen. Zie van het woord baäl Gen. 14 op vers 13. verwijsteksten
48 Dat is, in het verderf brengen; gelijk een vogel door het aas waarnaar hij vliegt, gevangen wordt en aan zijn dood komt.
 
De opperste Wijsheid
20 De 49opperste Wijsheid 50roept overluid daarbuiten, Zij 51verheft Haar stem op de straten.
49 Hebr. Wijsheden; in het meervoud, dat is, de hoogste, uitnemendste, of opperste Wijsheid. Alzo Ps. 49:4. Spr. 9:1. Alzo wordt Job 40:10 een groot beest genoemd behemoth, dat is, beesten, in het meervoud. Dit geschiedt om enige zaken te vergroten of te vermenigvuldigen. Anders: Elke wijsheid, of: Menigerlei wijsheid, of: Wijsheid der wijsheden. Men kan hier door deze wijsheid verstaan óf de wezenlijke Wijsheid des Vaders, Dewelke is de Zone Gods, van Welken zie hoofdstuk 8, óf de wijsheid begrepen in de Heilige Schrift, die alle wijsheid der mensen te boven gaat. Sommigen verstaan de wijsheid die door Gods Woord en de werken der Goddelijke voorzienigheid geopenbaard wordt. verwijsteksten
50 Te weten door de predikers van Gods Woord, of ook door de werken der schepping en regering aller dingen.
51 Hebr. geeft, dat is, Zij verheft Haar stem en laat ze horen. Alzo Gen. 45:2. Spr. 2:3; 8:1. verwijsteksten
 
21 Zij roept 52in het voorste der woelingen; aan de deuren 53der poorten spreekt Zij Haar redenen in de 54stad.
52 Hebr. in het hoofd der woelingen. Versta de plaatsen waar grote vergadering is van volk, en daarin ook veel gewoel.
53 Waar het gericht gehouden werd, en dienvolgens grote bijeenkomst van volk was. Zie Gen. 22 op vers 17. verwijsteksten
54 Versta elke stad van het land Israëls.
 
22 55Gij slechten, hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en 56de spotters voor zich de spotternij begeren, en de 57zotten wetenschap haten?
55 Dit zijn de woorden der Wijsheid, Die Salomo aldus sprekende invoert. Van het woord slechten zie op vers 4. verwijsteksten
56 Zie Ps. 1 op vers 1. verwijsteksten
57 Versta niet narren en zinnelozen, die het redelijk gebruik van het menselijke verstand niet hebben, maar die beroofd zijn van de ware wijsheid, ten eeuwigen leven leidende, noch genegen zijn daarnaar te trachten, maar alleen met dit tijdelijke leven zich bekommeren.
 
23 58Keert u tot Mijn bestraffing; zie, Ik zal 59Mijn Geest ulieden overvloediglijk 60uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekendmaken.
58 Te weten om die aan te horen en na te volgen. Anders: Bekeert u op Mijn bestraffing, dat is, doet boete en betert u door kracht van Mijn bestraffing. Versta een bestraffing dewelke geschiedt door woorden van onderwijzing en vermaning. Alzo vss. 25, 30. verwijsteksten
59 Dat is, de kennis van Mijn zin en wil. Zie het woordje geest zeer in gelijken zin, dat is, voor de gave des verstands genomen, Ps. 76:13. Spr. 29:11. Joël 2:28. verwijsteksten
60 Een manier van spreken genomen van de fonteinen, uit dewelke het water met groten overvloed voortspringt. Zie van het Hebreeuwse woord Ps. 19 op vers 3. Het wordt gebruikt in het goede, als hier en in de voorgemelde plaats, en in het kwade, als Spr. 15:2, 28. verwijsteksten
 
24 Dewijl Ik dgeroepen heb en gijlieden geweigerd hebt, Mijn hand 61uitgestrekt heb en er niemand was die opmerkte,
d Jes. 65:12; 66:4. Jer. 13:10. verwijsteksten
61 Te weten om u tot bekering te nodigen. Zie gelijke wijze van spreken Jes. 65:2. verwijsteksten
 
25 En hebt al Mijn raad 62verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild,
62 Het Hebreeuwse woord is in gelijken zin genomen Spr. 4:15; 8:33; 13:18; 15:32. Anders: hebt u van Mijn raad onttrokken, of ontbloot. Anders: hebt Mijn raad doen ophouden. verwijsteksten
 
26 Zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten wanneer uw 63vreze komt.
63 Dat is, het kwaad en ongeluk, waarin gij zeer bevreesd en verslagen zult zijn, of waarvoor gij vreest. Alzo in het volgende vers. Zie Job 39 op vers 25. verwijsteksten
 
27 Wanneer uw vreze ekomt gelijk een 64verwoesting, en uw verderf aankomt 65als een wervelwind, wanneer u benauwdheid en angst overkomt,
e Job 27:9; 35:12. Jes. 1:15. Jer. 11:11; 14:12. Ez. 8:18. Micha 3:4. verwijsteksten
64 Die zich wijd en breed met groot geruis uitspreidt en geweldige schade doet. Zie van deze gelijkenis ook Ps. 35:8 en de aantt. Spr. 3:25. Jes. 10:3; 47:11. verwijsteksten
65 Dat is, zeer snellijk, schrikkelijk en geweldiglijk. Zie van zulke gelijkenis ook Job 9 op vers 17. verwijsteksten
 
28 Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij 66vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden;
66 Dat is, met grote zorg en vlijtigheid zoeken. Zie Job 8 op vers 5. verwijsteksten
 
29 Daarom dat zij de 67wetenschap gehaat hebben, en de vreze des HEEREN niet hebben verkoren.
67 Zie op vers 4. verwijsteksten
 
30 Zij hebben in Mijn raad niet bewilligd, al Mijn bestraffing hebben zij versmaad.
31 68Zo zullen zij 69eten van de 70vrucht huns wegs, en 71zich verzadigen met hun raadslagen.
68 Of: Daarom zullen zij eten, enz.
69 Dat is, ontvangen en verkrijgen de straf of vergelding van hun boze werken. Zie Job 21 op vers 25. verwijsteksten
70 Dit woord is genomen voor allerlei kwaad of goed dat ergens uit voortkomt. Voor het kwaad, als hier, Jes. 10:12. Jer. 6:19. Micha 7:13. Luk. 6:43. Voor het goed Spr. 8:19; 31:31. Amos 6:12. Gal. 5:22. Filipp. 1:11. verwijsteksten
71 Dat is, een verdrietigen overvloed van plagen over zich brengen, veroorzaakt door hun ongezeglijke en hardnekkige zinnen. Zie van deze manier van spreken Job 7:4 en de aant. verwijsteksten
 
32 Want de 72afkering der slechten zal 73hen doden, en de 74voorspoed der zotten zal hen verderven.
72 Te weten waardoor zij zich afwenden van de lering en vermaning der Wijsheid.
73 Te weten de slechten; hetwelk geschiedt door middel van de overheid of andere middelen en van God Zelven.
74 Versta die zij of andere bozen menigmaal in dit leven hebben, waardoor zij in hun afwijking gestijfd worden.
 
33 Maar die naar Mij hoort, zal 75zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vreze des kwaads.
75 Hebr. in of met zekerheid, dat is, niet alleen zonder kwade bejegening, maar ook zonder vrees daarvoor. Dezelfde manier van spreken is Lev. 25:18. Deut. 33:12. Jes. 47:8. Jer. 23:6. Ez. 39:26, enz. verwijsteksten

Einde Spreuken 1