Statenvertaling.nl

sample header image

Job 15 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Job 15

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Elifaz beschuldigt Job van ijdelheid, vs. 1, enz. Van goddeloosheid, 4. Van vermetelheid in zijn redenen, 7. Tegen zijn vrienden, 9. Ja, tegen God Zelven, 11. Omdat hij zijn eigen gerechtigheid voorspreken wilde, 14. Hij bewijst tegen Job uit de ervaring en de getuigenissen der wijze voorvaderen, 17. Dat God de goddelozen straft, 20. Om hun boosheden, 25. In dewelke zij vergaan, 29.
 
Elifaz beticht Job van goddeloosheid
1 TOEN antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
2 Zal een 1wijs man 2winderige wetenschap voor antwoord geven, en zal hij zijn 3buik vullen met 4oostenwind?
1 Te weten, waarvoor gij uzelven uitgeeft.
2 Hebr. wetenschap des winds, dat is, die niet vast noch zeker is, maar vergaande en verwaaiende. Vgl. Job 7:7, en de aant. verwijsteksten
3 Dat is, zijn binnenste of verborgenste, te weten zijn zin, hart en gemoed; alzo vers 35; Job 20:20; 32:19. Spr. 20:27; 22:18. Gelijk in den buik de darmen met ander ingewand besloten en verborgen zijn, alzo zijn in de ziel de gedachten, de wil en bewegingen. verwijsteksten
4 Dat is, met woorden en redenen, die niet alleen ijdel en licht zijn, als de wind, maar ook schadelijk, als in dat land de oostenwind. Zie Gen. 41:6. Ex. 10:13, en de aantt. verwijsteksten
 
3 Bestraffende door woorden die niet baten, en door redenen met dewelke hij geen profijt doet?
4 Ja, gij vernietigt 5de vreze, en 6neemt 7het gebed voor het aangezicht Gods weg.
5 Te weten Godes, door die door uw redenen uit de harten der mensen te verdrijven, en in dezelve te verzwakken de genegenheid om Hem in den nood aan te roepen. Hij schijnt te zien op hetgeen dat Job gezegd had Job 9:22. verwijsteksten
6 Of: vermindert, verhindert.
7 Of: aanspraak. Versta een aanspraak of gebed, hetwelk met een nederig gemoed in den nood tot God uitgesproken wordt, om voor Hem zijn klachten uit te storten en van Hem hulp te verzoeken.
 
5 Want uw 8mond 9leert 10uw ongerechtigheid, en gij hebt de tong der arglistigen verkoren.
8 Het woordje mond, gelijk ook tong in dit vers, en lippen in het volgende, betekenen de gezegden, woorden en redenen, die door mond, tong en lippen uitgesproken worden. Alzo Job 16:5. Ps. 5:10. Spr. 2:6; 14:3; 15:2; 18:7; 21:6, enz. verwijsteksten
9 Dat is, geeft getuigenis van de verkeerdheid uws harten, door dewelke gij deze vreemde redenen drijft. Anders: uw ongerechtigheid leert uw mond; dat is, de boosheid uws harten doet u zulke redenen spreken.
10 Te weten, waardoor gij in het spreken aangenomen hebt de manier van doen der snode schalken, die met een schijn, zowel van woorden als van redenen, een zaak weten te bewimpelen, verduisteren en om te keren.
 
6 Uw mond verdoemt u, en niet ik; en uw lippen getuigen tegen u.
7 Zijt gij 11de eerste een mens geboren? Of zijt gij vóór 12de heuvelen 13voortgebracht?
11 Dat is, de oudste van alle mensen, zodat gij meer weten zoudt dan iemand, en dat een ieder voor u zou moeten wijken, als voor den oudste, den wijste en aanzienlijkste.
12 Dat is, van eeuwigheid geweest, of eer de wereld geschapen was. Vgl. Ps. 90:2. Spr. 8:25. verwijsteksten
13 Het Hebreeuwse woord is gebruikt van de gewone geboorte des mensen, Ps. 51:7, en van de wonderbare geboorte des Eniggeborenen van den Vader, Die de Wijsheid Gods is, Spr. 8:24, 25. verwijsteksten
 
8 aHebt gij den verborgen raad Gods 14gehoord, en hebt gij de wijsheid 15naar u getrokken?
a Rom. 11:34. verwijsteksten
14 Te weten, dat gij alle hemelse en Goddelijke verborgenheden zoudt weten, meer dan een ander. Den raad Gods horen, heet Jeremia in den raad Gods staan, Jer. 23:22. verwijsteksten
15 Te weten alzo, dat gij haar alleen bij u zoudt hebben, en niemand anders.
 
9 Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?
10 bOnder ons is ook een grijze, ja, een stokoude, 16meerder van dagen dan uw vader.
b Job 32:7. verwijsteksten
16 Dat is, bedaagder, of ouder van jaren. Hij ziet op hetgeen dat Job gezegd heeft Job 12:12. verwijsteksten
 
11 Zijn de 17vertroostingen Gods u te 18klein? En 19schuilt er enige zaak bij u?
17 Te weten die wij u voorgehouden hebben; maar die Job verachtte, Job 16:2. verwijsteksten
18 Dat is, te slecht en te onwaardig om aan uw persoon voorgesteld te worden.
19 Dat is, is er enige meerdere wetenschap bij u, die wij niet vatten; of voordeel, om de vermaningen der ouderen te mogen verwerpen? Of ook enige snoodheid, achter dewelke wij niet kunnen geraken, waardoor gij onze redenen zo onwaardiglijk veracht? Of: is er iets dat dezelve, te weten vertroostingen, bij u bedekt?
 
12 Waarom 20rukt uw hart u weg? En 21waarom wenken uw ogen,
20 Te weten om God zo te tergen, uzelven te rechtvaardigen en ons te versmaden.
21 Tot teken van hoogmoed. Anders: waarop mikken uw ogen? Dat is, waarheen zien zij? Wat zoeken zij? Wat hebt gij voor, dat gij met een zo verwaanden opzet en opzicht ons bejegent en schijnt onze redenen gans te verachten?
 
13 Dat gij 22uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan?
22 Dat is, uw gemoed door onverduldigheid ontstelt, en door gramschap met kwade redenen laat uitvaren tegen God. Anders: Dat uw geest murmureert tegen God, en zulke redenen uit uw mond voortbrengt.
 
14 cWat 23is de mens, dat hij zuiver zou zijn? En die geboren is van een vrouw, dat hij rechtvaardig zou zijn?
c 1 Kon. 8:46. 2 Kron. 6:36. Job 14:4. Ps. 14:3. Spr. 20:9. Pred. 7:20. 1 Joh. 1:8, 10. verwijsteksten
23 De zin is, dat hij gans niets is, en geen stof heeft om zich voor zuiver en rechtvaardig uit te geven. De vraag loochent sterkelijk. Zie Gen. 18 op vers 17. verwijsteksten
 
15 dZie, op Zijn 24heiligen 25zou Hij niet vertrouwen, en e26de hemelen zijn niet zuiver in Zijn ogen.
d Job 4:18. verwijsteksten
24 Dat is, de goede engelen, die Job 1:6 worden genaamd Gods zonen. Insgelijks Job 4:18 Zijn knechten, en 1 Tim. 5:21 de uitverkoren engelen. Zij worden heiligen genaamd, omdat zij volkomenlijk Gods wil doen, Ps. 103:20. Matth. 6:10, en dienvolgens Hem volkomenlijk liefhebben. verwijsteksten
25 Zie Job 4 op vers 18. verwijsteksten
e Job 4:18; 25:5. verwijsteksten
26 Dat is, de voorgemelde goede engelen, welker woonstede in de hemelen is; waarom zij ook engelen der hemelen genaamd worden, Matth. 24:36, en worden gezegd aldaar het aangezicht des hemelsen Vaders te aanschouwen, Matth. 18:10. verwijsteksten
 
16 Hoeveel te meer is 27een man gruwelijk en stinkende, die 28het onrecht indrinkt als water!
27 Of: een mens. Zie Job 12 op vers 10. Maar het schijnt dat Elifaz hier liever het woordje man gebruikt heeft, om Job daarmede een neep te geven. verwijsteksten
28 Dat is, met zulken lust en overmatigheid de boosheid doende, gelijk de mensen en beesten dorstig zijnde, zeer begerig zijn om te drinken. Vgl. Job 34:7. Spr. 26:6. verwijsteksten
 
17 Ik zal u 29wijzen, hoor mij aan; 30en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen;
29 Te weten, dat het waar is hetgeen ik gezegd heb, dat de goddelozen alleen van God uitgeroeid worden. Zie Job 4:7, 8. verwijsteksten
30 Anders: want ik heb het gezien, daarom zal ik het vertellen.
 
18 Hetwelk de wijzen verkondigd hebben, en men voor 31hun vaderen niet verborgen heeft;
31 Versta de vaderen der wijzen. De zin is, dat de wijzen zulks van hand tot hand ontvangen, en van hun voorouders gehoord hadden.
 
19 Denwelken alleen het land 32gegeven was, en 33door welker midden niemand vreemds doorging.
32 Te weten van de volken des lands, om dat te regeren door hun wijsheid en groot aanzien, want denzulken werd in die vorige tijden de regering der landen toevertrouwd en overgegeven.
33 Dat is, door welker land geen vreemde volken vijandelijk passeerden. De zin is, dat de wijzen zo wel geregeerd hebben, dat hun landen door geen buitenvolken zijn beroerd geweest. Of: geen vreemde, dat is, die enige andere of vreemde leer in hun land brachten dan de wijze oudvaders leerden.
 
20 34Te alle dagen 35doet de goddeloze zichzelven weedom aan; en 36weinige jaren in getal zijn voor den tiran 37weggelegd.
34 Dat is, den gansen tijd zijns levens. Hier begint Elifaz te verhalen hetgeen de oude en wijze mannen voor een lering nagelaten hadden, zeer overeenkomende met hetgeen dat hij voorgedragen heeft Job 5:3, enz. verwijsteksten
35 De zin is, hoewel de bozen uiterlijk welvaren in deze wereld, dat zij nochtans ongelukkig zijn vanwege de inwendige onrust van hun gemoed.
36 Hebr. een getal der jaren; in plaats van jaren des getals. Dat is, weinige, die licht kunnen geteld worden; als Gen. 34:30, zie de aant. De boze heeft tweeërlei plaag: de ene, dat hij in zijn tijdelijk geluk nimmermeer gerust is; de andere, dat zijn voorspoed niet lang duurt. Anderen zetten het laatste van dit vers over aldus: en het getal der jaren, te weten zijns levens, is voor den tiran verborgen. verwijsteksten
37 Te weten in Gods eeuwigen raad, die voor de mensen verborgen is.
 
21 Het geluid 38der verschrikkingen is in zijn oren; fin 39den vrede zelven komt de verwoester hem over.
38 Te weten, die hem zijn consciëntie zal aanjagen, hem voorstellende zijn boosheden en dreigende met Gods rechtvaardig oordeel. Vgl. Lev. 26:36. Deut. 28:65. verwijsteksten
f 1 Thess. 5:3. verwijsteksten
39 Dat is, in het midden van zijn welstand en rust. Zie van het woord vrede Gen. 37 op vers 14. verwijsteksten
 
22 Hij gelooft niet uit de 40duisternis weder te keren, 41maar dat hij beloerd wordt ten zwaarde.
40 Dat is, lijden en tegenspoed. Zie Gen. 15 op vers 12. Alzo in het volgende en vers 30. verwijsteksten
41 Dat is, hij gelooft, dat hem lagen gelegd worden om hem een geweldigen dood aan te doen.
 
23 42Hij zwerft heen en weder om brood, waar het zijn mag; hij weet 43gdat bij zijn hand gereed is 44de dag der duisternis.
42 Dat is, hij is in gedurige onrust en woeling om den kost en de verzorging des lichaams; intussen overtuigt hem ook zijn gemoed dat zijn verderf nabij is.
43 Dat is, dat hem voorhanden is en staat te verwachten.
g Job 18:12. Ps. 109:10. verwijsteksten
44 Dat is, de tijd des lijdens. Vgl. Job 30:16, en de aant. daarop. verwijsteksten
 
24 Angst en benauwdheid verschrikken hem; zij 45overweldigt hem, gelijk een koning, bereid ten 46strijde.
45 Te weten de benauwdheid.
46 Men houdt dat het Hebreeuwse woord chidor, hetwelk nergens meer dan hier gevonden wordt, zeer hetzelfde is als caddur, betekenende een bal, Jes. 22:18, en dat chidor anders niet zou betekenen dan een heir, zo in orde gesteld dat het in rondigheid den vorm van een bal of ei had, gelijk zij dan in die tijden hun heiren plachten te ordineren. verwijsteksten
 
25 Want 47hij strekt tegen God zijn hand uit, en tegen den 48Almachtige stelt hij zich geweldiglijk aan.
47 Dat is, door een trotse opzet en moedwillig bedrijf stelt hij zich met al zijn macht tegen God, Hem tergende door allerlei gruwelen, en de mensen, doch voornamelijk de vromen, door velerlei overlast verdrukkende, zonder God enigszins te ontzien; Wiens oordelen hij meent door louter geweld van zich te zullen afkeren. Vgl. Lev. 26:21. Num. 15:30, en de aantt. verwijsteksten
48 Zie van dezen Naam Gods Gen. 17 op vers 1. verwijsteksten
 
26 Hij loopt tegen 49Hem aan met 50den hals, met 51zijn dikke, hoogverheven schilden;
49 Namelijk God.
50 Te weten opgeheven en uitgestrekt, gelijk de stouten, verwaanden en hoogmoedigen plegen te doen.
51 Dat is, met zijn wapenen en geweld en al zijn uiterlijke middelen. Hebr. met de dikte en hoogten of ruggen zijner schilden.
 
27 Omdat hij 52zijn aangezicht met zijn vet bedekt heeft, en rimpels gemaakt om 53de weekdarmen;
52 Dat is, zijn lichaam door lekkernij, gulzigheid en allerlei overdaad opgemest heeft, niet anders dan den buik bezorgende. Vgl. Ps. 17:10; 73:7. verwijsteksten
53 Het Hebreeuwse woord betekent de darmen die bij de Latijnen ilia genaamd worden, en van ons overgezet worden met weekdarmen, Lev. 3:4. Zie aldaar de aant. verwijsteksten
 
28 En heeft bewoond verdelgde 54steden, en huizen die men niet bewoonde, die gereed waren tot steenhopen te worden.
54 Te weten die door zijn macht weder oprichtende en herbouwende, om zich een naam te maken en zijn geweld tentoon te stellen. Zie Job 3:14. verwijsteksten
 
29 Hij zal niet 55rijk worden en zijn vermogen zal niet bestaan; en 56hun volmaaktheid zal zich niet uitbreiden op de aarde.
55 Te weten voor een langen tijd; want zijn goederen zullen hem niet beklijven, gelijk de volgende woorden verklaren.
56 Dat is, der bozen heerlijkheid, rijkdom en verheven staat, waardoor zij schenen volmaakt te wezen.
 
30 Hij zal van de 57duisternis niet ontwijken, de 58vlam zal zijn scheut verdrogen; hhij zal 59wijken door 60het geblaas Zijns monds.
57 Te weten der ellenden en rampspoeden, als hij eenmaal in deze zal gekomen zijn. Zie op vers 22. verwijsteksten
58 Te weten der tegenheden en plagen. Alzo Jes. 29:6; 43:2. Jer. 48:45. Klgld. 2:3. verwijsteksten
h Job 4:9. verwijsteksten
59 Dat is, vergaan en tenietworden. Of: hij zal moeten afhouden van Hem, tegen Denwelken hij zich gesteld had. Zie vers 25. verwijsteksten
60 Dat is, door Gods toorn. Zie Job 4:9, en de aant. verwijsteksten
 
31 Hij betrouwe niet op 61ijdelheid, waardoor hij verleid wordt; want 62ijdelheid zal zijn 63vergelding wezen.
61 Dat is, op alle dingen die lichtelijk vergaan, als eer, staat, rijkdom, sterkten, steden, mensen, enz. Alzo is het woord ijdelheid genomen Ps. 62:10; 119:37; 144:4. Spr. 31:30. Rom. 8:20. verwijsteksten
62 Dat is, verdriet, ondergang, verderf en nietigheid; want dit zal de beloning wezen van al de voorgaande ijdelheid, bestaande in eer, rijkdom, geweld, enz., dat zij hem niet zal kunnen verlossen uit de hand Gods, ja, ten verderve dienen zal. Zie van deze betekenis van het woord ijdelheid Job 7:3. verwijsteksten
63 Hebr. verandering, verwisseling.
 
32 iAls 64zijn dag nog niet is, 65zal zij vervuld worden; want zijn tak zal niet groenen.
i Job 22:16. Ps. 55:24. verwijsteksten
64 Te weten den dag zijns doods, als 1 Sam. 26:10. Ps. 37:13, tot denwelken hij natuurlijkerwijze had kunnen geraken. De zin is, dat de goddeloze als hij in het beste zijns levens is en in goeden welstand naar het lichaam, haastelijk en door enig onverwacht ongeluk zal vergaan of uitgeroeid worden. Vgl. Job 18:20, en de aant. verwijsteksten
65 Te weten de voorverhaalde vergelding.
 
33 66Men zal zijn onrijpe druiven afrukken als van een wijnstok, en zijn bloeisel afwerpen als van een olijfboom.
66 Anders: God zal zijn ontijdige druiven afrukken. Deze gelijkenissen leren dat de verwachting der goddelozen, waarmede zij zich en anderen bedriegen, gans tenietworden zal. Zie Job 8:13. verwijsteksten
 
34 Want de vergadering der 67huichelaars wordt eenzaam, en 68het vuur verteert de 69tenten der geschenken.
67 Zie Job 8 op vers 13. verwijsteksten
68 Te weten der tegenheden, ellenden en plagen. Alzo wordt het woordje vuur gebruikt Ps. 66:12. Jes. 9:18; 26:11. Ez. 30:8, enz., gelijk het woordje vlam, vers 30. verwijsteksten
69 Dat is, waarin geschenken ontvangen zijn, en die door middel van onbehoorlijke geschenken opgebouwd zijn en onderhouden worden.
 
35 k70Zij ontvangen moeite en baren 71ijdelheid, en hun 72buik richt bedrog aan.
k Ps. 7:15. Jes. 59:4. Hos. 10:13. verwijsteksten
70 Vgl. Job 4:8. verwijsteksten
71 Of: ongerechtigheid, ondeugd, onrecht.
72 Dat is, hun hart. Zie op vers 2. verwijsteksten

Einde Job 15