Statenvertaling.nl

sample header image

Hebreeën 12 – Statenvertaling editie 1637

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling raadplegen in de editie van 1637 en/of 1657. De edities 1637, 1657 en de GBS-editie kunnen naar keuze parallel worden weergegeven. (Bij parallelweergave worden bij een vers eerst de kanttekeningen met verwijsteksten getoond, daarna de verklarende kanttekeningen.)

Edities SV:    

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenZonder kanttekeningen

Hebreeën 12

1 DAerom dan oock, alsoo wy soo groot een wolcke der getuyghen rontom ons hebben liggende, laet ons af-leggen alle last, ende de sonde die [ons] lichtelick omringht, ende laet ons met lijdtsaemheyt loopen de loop-bane, die ons voor-gestelt is:
2 Siende op den Oversten leydsman ende voleynder des geloofs Iesum, dewelcke voor de vreughd die hem voor-gestelt was, het cruyce heeft verdragen ende schande veracht, ende is geseten aen de rechter-[handt] des throons Godts.
3 Want aenmerckt desen die soodanigh een tegen-spreken van de sondaren tegen hem heeft verdragen, op dat ghy niet en verflouwt ende beswijckt in uwe zielen.
4 Ghy en hebt noch tot den bloede toe niet tegengestaen, strijdende tegen de sonde:
5 Ende ghy hebt vergeten de vermaninge, die tot u als tot sonen spreeckt, Mijn sone, en acht niet kleyn de kastijdinge des Heeren, noch en beswijckt niet als ghy van hem bestraft wordt.
6 Want dien de Heere lief heeft, castijdt hy: ende hy geesselt eenen yegelicken sone dien hy aen-neemt.
7 Indien ghy de kastijdinghe verdraeght, soo draeght hem Godt tegen u als sonen: (want wat sone is’ er dien de vader niet en kastijdt?)
8 Maer indien ghy sonder kastijdinge zijt, welcker alle deelachtigh zijn geworden, so zijt ghy dan bastaerden, ende niet sonen.
9 Voorders wy hebben de vaders onses vleeschs wel tot kastijders gehadt, ende wy ontsagen’se: sullen wy [dan] niet veel meer den Vader der geesten onderworpen zijn, ende leven?
10 Want gene hebben [ons] wel voor eenen korten tijdt, nae dat het haer goedt dochte, gecastijdt: maer dese castijdt [ons] tot [onsen] nutte, op dat wy sijner heyligheyt souden deelachtich worden.
11 Ende alle castijdinge, als die tegenwoordigh is, en schijnt gheen [sake]van vreughde, maer van droefheyt te zijn: doch daer na geeft sy van haer eene vreedsame vrucht der gerechticheyt den genen die door de selve geoeffent zijn.
12 Daerom recht weder op de trage handen, ende de slappe knien:
13 Ende maeckt rechte paden voor uwe voeten, op dat het gene kreupel is niet verdraeyt en worde, maer [dat] het veel meer genesen worde.
14 Iaeght den vrede nae met allen, ende de heylighmakinge, sonder welcke niemandt den Heere sien en sal:
15 Toesiende dat niet yemandt en verachtere van de genade Godts: dat niet eenige wortel der bitterheyt opwaerts spruytende beroerte en make, ende door de selve vele ontreynight en worden.
16 Dat niet yemandt en zy een hoereerder, ofte een onheylige, gelijck Esau, die om eene spijse het recht van sijne eerst-geboorte wech gaf.
17 Want ghy weet dat hy oock daer nae, de segeninge willende be-erven, verworpen wierdt. Want hy en vondt gheen plaetse des berouws, hoe wel hy de selve met tranen socht.
18 Want ghy en zijt niet ghekomen tot den tastelicken berch, ende ’t brandende vyer, ende donckerheyt, ende duysternisse, ende onweder:
19 Ende tot het geklanck der basuyne, ende de stemme der woorden: welcke diese hoorden, baden dat het woordt tot haer niet meer en soude gedaen worden.
20 (Want sy en konden niet dragen ’t gene daer geboden wiert, Indien oock een gedierte den bergh aenraeckt, het sal gesteenight, ofte met eenen pijl doorschoten worden.
21 Ende Moses, soo vreeslick was het gesichte, seyde, Ick ben gantsch bevreest ende bevende.)
22 Maer ghy zijt gekomen tot den bergh Sion, ende de Stadt des levendigen Godts, tot het hemelsche Ierusalem, ende de vele duysenden der Engelen,
23 Tot de alghemeyne Vergaderinge ende de Gemeynte der eerst-geborene, die in de hemelen opgeschreven zijn, ende tot Godt den Rechter over alle, ende de geesten der volmaeckte rechtveerdige.
24 Ende tot den Middelaer des Nieuwen Testaments Iesum, ende het bloedt der besprenginge, dat betere dingen spreeckt dan Abel.
25 Siet toe dat ghy dien die spreeckt niet en verwerpt: want indien dese niet en zijn ontvloden, die den genen verwierpen welcke op aerden Godtlicke antwoorden gaf, veel meer [en sullen] wy niet [ontvlieden], so wy ons van dien afkeeren die van de hemelen [is]:
26 Wiens stemme doe de aerde beweeghde: maer nu heeft hy verkondigt, seggende, Noch eenmael sal ick bewegen niet alleen de aerde, maer oock den hemel.
27 Ende dit [woordt], Noch eenmael, wijst aen de veranderinge der beweeghlicke dingen, als welcke gemaeckt waren, op dat blijven souden de dingen die niet beweeghlick en zijn.
28 Daerom alsoo wy een onbeweeglick Coninckrijck ontfangen, laet ons de genade [vast] houden, door de welcke wy wel-behagelick Gode moghen dienen, met eerbiedinge ende Godtvruchtigheyt.
29 Want onse Godt is een verteerende vyer.

Einde Hebreeën 12