Statenvertaling.nl

sample header image

Jeremia 10 – Statenvertaling editie 1637

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling raadplegen in de editie van 1637 en/of 1657. De edities 1637, 1657 en de GBS-editie kunnen naar keuze parallel worden weergegeven. (Bij parallelweergave worden bij een vers eerst de kanttekeningen met verwijsteksten getoond, daarna de verklarende kanttekeningen.)

Edities SV:    

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenZonder kanttekeningen

Jeremia 10

1 HOoret het woort, dat de HEERE tot u lieden spreeckt, ô huys Israëls.
2 Soo seyt de HEERE; En leeret den wech der heydenen niet, ende en ontsettet u niet voor de teeckenen des hemels, dewijle sich de heydenen voor de selve ontsetten.
3 Want de insettingen der volckeren zijn ydelheyt: want het is hout datmen uyt den woude gehouwen heeft, een werck van ’s werckmeesters handen, met de byle.
4 Men pronckt het op met silver ende met gout: sy hechten -se met nagelen, ende met hameren, op dat het niet en waggele.
5 Sy zijn gelijck een palmboom van dichten wercke, maer en konnen niet spreken, sy moeten gedragen worden, want sy en konnen niet gaen: En vreeset niet voor hen, want sy en konnen geen quaet doen, oock so en isser geen goet doen by hen.
6 Om dat niemant u gelijck is, ô HEERE, so zijt ghy groot, ende groot is uwen Naem, in mogentheyt.
7 Wie soude u niet vreesen, ghy Coninck der heydenen? want het komt u toe: Omdat doch onder alle wijse der heydenen, ende in haer gantsche Coninckrijck, niemant u gelijck en is.
8 In een dinck zijn sy doch onvernuftich ende sot: een hout is een onderwijs der ydelheden.
9 Uyt-gereckt silver wort van Tharsis gebracht, ende gout van Uphaz, [ten] wercke des werck-meesters, ende der handen des goutsmits: hemelsblaeuw ende purper is hare kleedinge, een werck der wijsen zijnse al te samen.
10 Maer de HEERE Godt is de waerheyt, hy is de levendige Godt, ende een eeuwich Coninck: van sijne verbolgentheyt beeft de aerde, ende de heydenen en konnen sijne gramschap niet verdragen.
11 (Aldus sult ghylieden tot hen seggen; De Goden, die den hemel ende aerde niet gemaeckt en hebben, sullen vergaen vander aerden, ende van onder desen hemel.)
12 Die de aerde gemaeckt heeft door sijne kracht, die de werelt bereydt heeft door sijne wijsheyt; ende den hemel uytgebreydt door sijn verstant.
13 Als hy sijne stemme geeft, so isser een gedruys van wateren in den hemel, ende hy doet de dampen opklimmen van’t eynde der aerde: hy maeckt de blixemen met den regen, ende doet den wint voortkomen uyt sijne schatkameren.
14 Een yeder mensche is onvernuftich geworden, so dat hy geen wetenschap en heeft, een yeder gout-smit is beschaemt van het gesneden-beelt: want sijn gegoten-beelt is leugen, ende daer en is geen geest in hen.
15 Ydelheyt zijnse, een werck van verleydingen: ter tijt harer besoeckinge sullense vergaen.
16 Iacobs deel en is niet gelijck die; want hy is de formeerder van alles, ende Israël, is de roede sijner erffenisse: HEERE der heyrscharen is sijn naem.
17 Raept uwe cramery wech uyt den lande, ghy inwoonersse der vestinge.
18 Want soo seyt de HEERE; Siet ick sal de inwoonders des lants op ditmael wechslingeren, ende salse benaeuwen, opdat sy ’t vinden.
19 ô Wee my over mijne breucke, mijne plage is smertelick: ende ick hadde geseyt, Dit is immers eene kranckheyt, die ick wel dragen sal.
20 Mijne tente is verstoort, ende alle mijne zeelen zijn verscheurt: mijne kinderen zijn van my uytgegaen, ende sy en zijnder niet; daer en is niemant meer die mijne tente uytspanne, ende mijne gordijnen oprichte.
21 Want de herders zijn onvernuftich geworden, ende en hebben den HEERE niet gesocht: daerom en hebbense niet verstandichlick gehandelt, ende hare gantsche weyde is verstroyt.
22 Siet, daer komt eene stemme des geruchts, ende een groot beven uyt den lande van’t Noorden: datmen de steden van Iuda sal stellen tot eene verwoestinge, eene wooninge der draken.
23 Ick weet, ô HEERE, dat by den mensche sijnen wech niet en is: het en is niet by eenen man, die wandelt, dat hy sijnen ganck richte.
24 Castijdt my, HEERE, doch met mate: niet in uwen toorn, op dat ghy my niet te niete en maket.
25 Stort uwe grimmicheyt uyt over de heydenen, die u niet en kennen, ende over de geslachten, die uwen Name niet aenroepen: want sy hebben Iacob opgegeten; ja sy hebben hem op-gegeten, ende hem verteert, ende sijne wooninge verwoestet.

Einde Jeremia 10