Op deze pagina kunt u de Statenvertaling raadplegen in de editie van 1637 en/of 1657. De edities 1637, 1657 en de GBS-editie kunnen naar keuze parallel worden weergegeven. (Bij parallelweergave worden bij een vers eerst de kanttekeningen met verwijsteksten getoond, daarna de verklarende kanttekeningen.)
| 1 EEn Psalm Asaphs. Immers is Godt Israël goet; den genen die reyn van herten zijn. |
| 2 Maer my aengaende, mijne voeten waren bynae uytgeweken: mijne treden waren by-kans uytgeschoten. |
| 3 Want ick was nijdich op de dwase; siende der godtloosen vrede. |
| 4 Want daer en zijn geen banden tot haren doot toe: ende hare kracht is frisch. |
| 5 Sy en zijn niet inde moeyte [als andere] menschen; ende en worden met [andere] menschen niet geplaecht. |
| 6 Daerom omringtse de hoovaerdye als een keten: het gewelt bedecktse [als] een gewaet. |
| 7 Hare oogen puylen uyt van vet: sy gaen de inbeeldingen des herten te boven. |
| 8 Sy mergelen [de lieden] uyt, ende spreken booslick van verdruckinge: sy spreken uyt der hoochte. |
| 9 Sy setten haren mont tegen den hemel: ende hare tonge wandelt op der aerden. |
| 10 Daerom keert sich sijn volck hier toe, als hen wateren eenes vollen [bekers] worden uytgedruckt, |
| 11 Datse seggen; Hoe soudet Godt weten? ende souder wetenschap zijn by den Alderhoochsten? |
| 12 Siet dese zijn godtloos: nochtans hebben sy ruste in de werelt, sy vermenichvuldigen het vermogen. |
| 13 Immers heb ick te vergeefs mijn herte gesuyvert; ende mijne handen in onschult gewasschen: |
| 14 Dewijle ick den gantschen dach geplaecht ben; ende mijne straffinge isser alle morgens. |
| 15 Indien ick soude seggen; Ick sal oock alsoo spreken: siet, so soud’ ick trouwloos zijn aen’t geslachte uwer kinderen. |
| 16 Nochtans heb ick gedacht om dit te mogen verstaen: [maer] het was moeyte in mijne oogen: |
| 17 Tot dat ick in Godts heylichdommen inginck; [ende] op haer eynde merckte. |
| 18 Immers sett ghyse op gladde plaetsen: ghy doetse vallen in verwoestingen. |
| 19 Hoe worden sy als in een oogenblick tot verwoestinge! nemen een eynde, worden te niete van verschrickingen! |
| 20 Als een droom na het ontwaken: als ghy opwaeckt, o Heere, [dan] sult ghy haer beelt verachten. |
| 21 Als mijn herte opgeswollen was, ende ick in mijne nieren geprickelt wierde: |
| 22 Doe was ick onvernuftich, ende en wiste niets: ick was een groot beest by u. |
| 23 Ick sal dan geduerichlick by u zijn: ghy hebt mijne rechterhant gevatt. |
| 24 Ghy sult my leyden door uwen raedt: ende daer na sult ghy my [in] heerlickheyt opnemen. |
| 25 Wien heb ick [neffens u] inden hemel? neffens u en lust my oock niets op der aerden. |
| 26 Beswijckt mijn vleesch ende mijn herte, so is Godt de rotzsteen mijns herten, ende mijn deel in eeuwicheyt. |
| 27 Want siet, die verre van u zijn, sullen vergaen: ghy roeyt uyt allen die van u afhoereert. |
| 28 Maer my aengaende; ’tis my goet, nae by Godt te wesen: ick sette mijn betrouwen op den Heere HEERE; om alle uwe wercken te vertellen. |