Psalm 63 – Statenvertaling editie 1637
Op deze pagina kunt u de Statenvertaling raadplegen in de editie van 1637 en/of 1657. De edities 1637, 1657 en de GBS-editie kunnen naar keuze parallel worden weergegeven. (Bij parallelweergave worden bij een vers eerst de kanttekeningen met verwijsteksten getoond, daarna de verklarende kanttekeningen.)
Psalm 63
| 1 EEn Psalm Davids: als hy was inde woestijne van Iuda. |
| 2 O Godt, ghy zijt mijn Godt, ick soecke u in den dageraet, mijne ziele dorstet nae u, mijn vleesch verlangt nae u: in een lant, dor, ende mat, sonder water: |
| 3 (Voorwaer ick hebbe u in het Heylichdom aenschouwt; siende uwe sterckheyt ende uwe eere.) |
| 4 Want uwe goedertierenheyt is beter dan het leven: Mijne lippen souden u prijsen. |
| 5 Alsoo soud’ ick u loven in mijn leven: In uwen Name soud’ ick mijne handen opheffen. |
| 6 Mijne ziele soude als met smeer ende vetticheyt versadicht worden: ende mijn mont soude roemen met vrolick-singende lippen. |
| 7 Als ick uwer gedencke op mijne legersteden, so peynse ick aen u in de nachtwaken. |
| 8 Want ghy zijt my eene hulpe geweest: ende in de schaduwe uwer vleugelen sal ick vrolick singen. |
| 9 Mijne ziele kleeft u achter aen: uwe rechterhant ondersteunt my. |
| 10 Maer dese, [die] mijne ziele soecken tot verwoestinge, sullen komen in d’onderste plaetsen der aerde. |
| 11 Men salse storten door het gewelt des sweerts: sy sullen den vossen ten deele worden. |
| 12 Maer de Coninck sal sich in Godt verblijden: een yegelijck, die by hem sweert, sal sich beroemen; want de mont der leugen-sprekers sal gestopt worden. |
Einde Psalm 63