Psalm 47 – Statenvertaling editie 1637
Op deze pagina kunt u de Statenvertaling raadplegen in de editie van 1637 en/of 1657. De edities 1637, 1657 en de GBS-editie kunnen naar keuze parallel worden weergegeven. (Bij parallelweergave worden bij een vers eerst de kanttekeningen met verwijsteksten getoond, daarna de verklarende kanttekeningen.)
Psalm 47
| 1 EEn Psalm: voor den Opper-sang-meester onder de kinderen van Korah. |
| 2 Alle ghy volcken, klappet in de hant: Iuychet Gode met eene stemme van vreuchden-gesanck. |
| 3 Want de HEERE de Alderhoochste, is vreeslick: een groot Coninck, over de gantsche aerde. |
| 4 Hy brengt de volcken onder ons; ende de natien onder onse voeten. |
| 5 Hy verkiest voor ons onse erffenisse; de heerlicheyt Iacobs, dien hy heeft lief gehadt, Sela! |
| 6 Godt vaert op met gejuych; de HEERE met geklanck der basuyne. |
| 7 Psalm-singet Gode, psalm-singet: psalm-singet onsen Coninck, psalm-singet. |
| 8 Want Godt is een Coninck der gantscher aerde; psalm-singet [met] een onderwijsinge. |
| 9 Godt regeert over de heydenen: Godt sitt op den throon sijner heylicheyt. |
| 10 De Edele der volcken zijn versamelt [tot] het volck des Godts Abrahams: want de Schilden der aerde zijn Godes: hy is seer verheven. |
Einde Psalm 47