Op deze pagina kunt u de Statenvertaling raadplegen in de editie van 1637 en/of 1657. De edities 1637, 1657 en de GBS-editie kunnen naar keuze parallel worden weergegeven. (Bij parallelweergave worden bij een vers eerst de kanttekeningen met verwijsteksten getoond, daarna de verklarende kanttekeningen.)
| 1 DOe antwoordde Zophar de Naamathiter, ende seyde; |
| 2 Daerom doen mijne gedachten my antwoorden: ende over sulcx is mijn verhaesten in my. |
| 3 Ick hebbe aengehoort eene bestraffinge, die my schande aen doet: maer de geest sal uyt mijn verstant voor my antwoorden. |
| 4 Weet ghy dit? van altoos af, van dat [Godt] den mensche op de werelt geset heeft, |
| 5 Dat het gejuych der godloosen van nae by geweest is, ende de vreuchde des huychelaers voor een oogenblick? |
| 6 Wanneer sijne hoocheyt tot den hemel toe op klomme; ende sijn hooft tot aen de wolcken raeckte: |
| 7 Sal hy gelijck sijn dreck in eeuwicheyt vergaen: die hem gesien hadden, sullen seggen, Waer is hy? |
| 8 Hy sal wech vliegen als een droom, datmen hem niet vinden en sal: ende hy sal verjaecht worden, als een gesichte des nachts. |
| 9 De ooge die hem sach, en sal’t niet meer doen: ende sijne plaetse en sal hem niet meer aenschouwen. |
| 10 Sijne kinderen sullen soecken de arme te behagen: ende sijne handen sullen sijn vermogen moeten weder uyt keeren. |
| 11 Sijne beenderen sullen vol sijner verborgene [sonden] zijn: welcker elck een met hem op het stof neder liggen sal. |
| 12 Indien het quaet in sijnen mont soet is, hy dat verbergt onder sijne tonge, |
| 13 Hy dat spaert, ende het selve niet en verlaet, maer dat in’t midden van sijn gehemelte inhoudt; |
| 14 Sijne spijse sal in sijn ingewant verandert worden: galle der adderen salse in’t binnenste van hem zijn. |
| 15 Hy heeft goet ingeslockt, maer sal het uytspouwen: Godt sal ’t uyt sijnen buyck uytdrijven. |
| 16 Het vergift der adderen sal hy suygen: de tonge der slange sal hem dooden. |
| 17 De stroomen, rivieren, beken van honich, ende boter, en sal hy niet sien. |
| 18 Den arbeyt sal hy wedergeven ende niet inslocken: nae’t vermogen sijner veranderinge, so en sal hy van vreuchde niet opspringen. |
| 19 Om dat hy onderdruckt heeft, de arme verlaten heeft, een huys gerooft heeft, dat hy niet opgebouwt en hadde. |
| 20 Om dat hy geen ruste in sijnen buyck gekent en heeft: so en sal hy van sijn gewenscht goet niet uyt-behouden. |
| 21 Daer en sal niets overich zijn dat hy ete: daerom en sal hy niet wachten nae sijn goet. |
| 22 Als sijne genoechsaemheyt sal vol zijn, sal hem bange zijn: alle hant des elendigen sal over hem komen. |
| 23 Daer zy [wat] om sijnen buyck te vullen, [Godt] sal over hem de hitte sijns toorns senden, ende over hem regenen op sijne spijse. |
| 24 Hy zy gevloden vande ysere wapenen, de stalen boge sal hem doorschieten. |
| 25 Men sal [het sweert] uyttrecken, ’tsal uyt het lijf uytgaen, ende glintserende uyt sijne galle voortkomen: verschrickingen sullen over hem zijn. |
| 26 Alle duysternisse sal verborgen zijn in sijne schuyl-plaetsen; een vyer, dat niet opgeblasen is, sal hem verteeren: den overigen in sijne tente sal’t qualick gaen. |
| 27 Den hemel sal sijne ongerechticheyt openbaren; ende de aerde sal haer tegens hem opmaken. |
| 28 De inkomste van sijn huys sal wech-gevoert worden: ’t sal al henen vloeyen inden dach sijnes toorns. |
| 29 Dit is het deel des godtloosen menschen van Godt, ende de erve sijner redenen van Godt. |