Statenvertaling.nl

sample header image

Deuteronomium 2 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Deuteronomium 2

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Optocht van Kades-Barnea, vs. 1, enz. Hoe zij zich in het trekken moesten houden tegen de Edomieten, 4. Moabieten, 9. En Ammonieten, 19. Hiertussen wordt verhaald de langdurigheid van dit trekken en het omkomen der ongehoorzamen, 14. Eindelijk hoe de Israëlieten Sihon, den koning der Amorieten, hebben overwonnen en zijn land ingenomen, 24.
 
Langdurig trekken
1 DAARNA keerden wij ons en reisden naar de woestijn, 1den weg van de Schelfzee, gelijk de HEERE tot mij gesproken had; en wij togen om het gebergte 2Seïr, vele dagen.1 Dat is, weder terug naar de Rode Zee, die zij uit Egypte trekkende, gepasseerd waren.
2 Sommige kaarten stellen nevens het gebergte Seïr of der Edomieten, waarin zij eigenlijk woonden, liggende langs de zuidergrenzen van Kanaän, nog een ander gebergte van de Rode Zee af, strekkende naar het eigenlijk gebergte van Edom en ook genoemd het gebergte Seïr en der Amorieten, omdat men langs hetzelve toog naar de Edomieten en Amorieten; bij hetwelk de Israëlieten weder terugtrekkende naar de Rode Zee, lang gereisd hebben, totdat God hun bevolen heeft wederom te keren naar het noorden, voorbij het land der Edomieten, en zo voorts naar het land der Moabieten. De lezer kan vergelijken vss. 3, 4, 8. verwijsteksten
2 Toen sprak de HEERE tot mij, zeggende:
3 3Gijlieden hebt dit gebergte genoeg omgetogen; keert u naar 4het noorden.3 Hebr. Het is u veel of genoeg geweest om te trekken.
4 Van de Schelfzee, die in het zuiden lag, weder terug naar het land Edom en Moab, om voorbij beide te passeren.
4 En gebied het volk, zeggende: Gij zult doortrekken aan de landpale uwer broederen, der 5kinderen van Ezau, die in Seïr wonen; zij zullen wel voor u 6vrezen, maar gij zult u zeer wachten.5 De Amalekieten waren ook wel Edomieten, of van Ezau afkomstig, Gen. 36:12, maar van God door een bijzondere ordinantie uitgesloten. Zie Ex. 17:14. Deut. 25:17. verwijsteksten
6 Gedenkende aan het leed, dat hunlieder voorvader Ezau zijn broeder Jakob of Israël, uw voorvader, eertijds heeft aangedaan. Of: zij zullen vrezen voor uw macht en de hulp van God, Die bij u is. Zie Num. 22:3. verwijsteksten
5 7Mengt u niet met hen; want Ik zal u van hun land niet geven, ook niet 8tot de betreding van een voetzool; want Ik heb aEzau het gebergte Seïr ter erfenis 9gegeven.7 Te weten ten strijde, dat gij u met hen in oorlog zoudt begeven; als vss. 9, 24. Dat nu naderhand het tegendeel geschied is, daartoe hebben de Edomieten, Ammonieten en Moabieten door hun vijandschap oorzaak gegeven. Zie 1 Sam. 14:47. 2 Sam. 8:14. 1 Kon. 11:15, 16. 2 Kon. 8:21. 2 Kron. 20:2, 10, 11. Ps. 83:7, 8, 9, enz. Vgl. 2 Sam. 8 op vers 2. verwijsteksten
8 Dat is, zoveel de plant van een voet betreden kan.
a Gen. 36:8. verwijsteksten
9 Zie Gen. 36:8. verwijsteksten
6 10Spijze zult gij voor geld van hen kopen, dat gij eet; en ook zult gij water voor geld van hen kopen, dat gij drinkt.10 Die gij benevens het hemels Man zult mogen begeren.
7 Want de HEERE uw God heeft u gezegend in al het werk uwer hand; Hij 11kent uw wandelen door deze zo grote woestijn; deze veertig jaren is de HEERE uw God 12met u geweest, geen ding heeft u ontbroken.11 Dat is, heeft zorg voor u gedragen in al dit reizen en trekken, dat u niets mocht ontbreken. Zie deze betekenis Ps. 1:6; 31:8. Nah. 1:7 en elders. verwijsteksten
12 Zie Gen. 21 op vers 22. verwijsteksten
8 Als wij nu doorgetrokken waren van onze broederen, de kinderen van Ezau, die in Seïr woonden, van den weg des vlakken velds, van 13Elath en van Ezeon-Geber, zo keerden wij ons en doortogen den weg der woestijn van Moab.13 Elath en Ezeon-Geber worden beide van sommigen gesteld dicht bij de Schelfzee, gemeenlijk genoemd het Rode Meer.
9 Toen sprak de HEERE tot mij: Beangstig Moab niet en meng u niet met hen in den strijd; want Ik zal u geen erfenis van hun land geven, dewijl Ik aan Lots kinderen 14Ar ter erfenis gegeven heb.14 De hoofdstad der Moabieten. Zie Num. 21:28. verwijsteksten
10 De 15Emieten woonden tevoren daarin, een groot en menigvuldig en lang volk, gelijk de 16Enakieten.15 Zie Gen. 14 op vers 5, alzo genoemd (als men meent) omdat zij schrikkelijk en vreselijk waren. verwijsteksten
16 Zie Num. 13:22. Deut. 1:28. verwijsteksten
11 Dezen werden ook voor 17reuzen gehouden, als de Enakieten; en de Moabieten noemden hen Emieten.17 Hebr. refaïm. Zie Gen. 14 op vers 5. verwijsteksten
12 Ook woonden de 18Horieten tevoren in Seïr, maar de kinderen van Ezau verdreven hen uit de bezitting en verdelgden hen van hun aangezicht, en hebben in hunlieder plaats gewoond; gelijk als Israël gedaan heeft aan het 19land zijner erfenis, hetwelk de HEERE hun gegeven heeft.18 Zie Gen. 14 op vers 6. Gen. 36:20. verwijsteksten
19 Versta hier de landen van Sihon en Og, die bereids van de kinderen Israëls waren ingenomen, als Mozes dit zeide of schreef.
13 Nu, maakt u op en trekt over de beek 20Zered. Alzo trokken wij over de beek Zered.20 Zie Num. 21:12. verwijsteksten
14 De dagen nu die wij gewandeld hebben van Kades-Barnéa totdat wij over de beek Zered getogen zijn, waren acht en dertig jaar; totdat het ganse geslacht der 21krijgslieden uit het midden des heirlegers verteerd was, 22gelijk de HEERE hun gezworen had.21 Die door Gods bevel geteld waren, zijnde twintig jaren oud en daarboven. Zie Num. 1:3. verwijsteksten
22 Zie Num. 14:21, enz. Deut. 1:35. verwijsteksten
15 Zo was ook de hand des HEEREN tegen hen, om hen uit het midden des heirlegers te verslaan, totdat zij verteerd waren.
16 En het geschiedde als al de krijgslieden verteerd waren, uit het midden des heirlegers wegstervende,
17 Dat de HEERE tot mij sprak, zeggende:
18 Gij zult heden doortrekken aan 23Ar, de landpale van Moab.23 Zie vers 9. verwijsteksten
19 En gij zult naderen tegenover de kinderen Ammons; beangstig die niet en 24meng u met hen niet; want Ik zal u van het land der kinderen Ammons geen erfenis geven, dewijl Ik het aan Lots kinderen ter erfenis gegeven heb.24 Zie op vers 5. verwijsteksten
20 Dit werd ook voor een land der reuzen gehouden; de reuzen woonden tevoren daarin en de Ammonieten noemden hen 25Zamzummieten;25 Dat is, gruwelijke booswichten, straatschenders, rovers, voor welke elkeen schrok.
21 Een groot en menigvuldig en lang volk, als de Enakieten; en de HEERE verdelgde hen voor hun aangezicht, zodat zij hen uit de bezitting verdreven en aan hunlieder plaats woonden;
22 Gelijk 26Hij aan de kinderen van Ezau, die in Seïr wonen, gedaan heeft, voor welker aangezicht Hij de Horieten verdelgde; en zij verdreven hen uit de bezitting en hebben aan hunlieder plaats gewoond tot op dezen dag.26 Namelijk de HEERE.
23 Ook hebben de 27Kaftorieten, die uit Kaftor uittogen, de 28Avvieten, die in Hazerim tot 29Gaza toe woonden, verdelgd en aan hunlieder plaats gewoond.27 Zie Gen. 10 op vers 14. verwijsteksten
28 Die tevoren in der Filistijnen land gewoond hebben. Zie Joz. 13:3. 2 Kon. 17:24, 31. verwijsteksten
29 Zie Gen. 10 op vers 19. verwijsteksten
24 Maakt u op, reist heen en gaat over de beek Arnon; zie, Ik heb Sihon, den koning van Hesbon, den Amoriet, en zijn land in uw hand gegeven; 30begin te erven, en meng u met hen in den strijd.30 Hebr. begin, erf.
25 Te dezen dage zal Ik beginnen 31uw schrik en uw vrees te geven over het aangezicht der volken onder den gansen hemel; die uw gerucht zullen horen, die zullen sidderen en bang zijn van uw aangezicht.31 Dat is, waarmede zij voor u schrikken en vrezen zullen; alzo Deut. 11:25. verwijsteksten
 
Sihon wordt verslagen
26 bToen zond ik boden uit de woestijn Kedémoth tot Sihon, den koning van Hesbon, met 32woorden van vrede, zeggende:b Num. 21:21. Richt. 11:19. verwijsteksten
32 Dat is, aanbieding van vrede, met weigering van dewelke zij een oorzaak van hun eigen ondergang zouden zijn. Zie Deut. 20:10. verwijsteksten
27 cLaat mij door uw land doortrekken; ik zal 33alleenlijk langs den weg voorttrekken; ik zal noch ter rechter- noch ter linkerhand uitwijken.c Num. 21:21, 22. verwijsteksten
33 Of: gestadiglijk, strak voor mij heen, zonder mij van den weg af te begeven, als de volgende woorden uitwijzen. Hebr. in den weg, in den weg.
28 Verkoop mij spijze voor geld, dat ik ete, en geef mij water voor geld, dat ik drinke; alleenlijk laat mij op mijn 34voeten doortrekken;34 Dat is, te voet, gelijk wij meest spreken. Zie dezelfde manier van spreken Num. 20:19. Richt. 4:15, 17. 2 Sam. 15:17, enz. verwijsteksten
29 Gelijk de 35kinderen van Ezau, die in Seïr wonen, en de 36Moabieten, die in Ar wonen, mij gedaan hebben; totdat ik over de Jordaan kome in het land dat de HEERE onze God ons geven zal.35 Versta dit van het verkopen van brood en water, dat is, spijze en drank; want den doortocht hebben zij Israël afgeslagen, Num. 20:18. Richt. 11:17. verwijsteksten
36 Die Israël wel geen brood noch water hebben tegemoet gebracht (zie Deut. 23:4), maar evenwel hun hetzelve mogen verkocht hebben, immers hen niet van hun palen afgedreven hebben. verwijsteksten
30 Maar Sihon, de koning van Hesbon, wilde ons 37door zijn land niet laten doortrekken; want de HEERE uw God 38verhardde zijn geest en verstokte zijn hart, opdat Hij hem in uw hand gave, gelijk het is te dezen dage.37 Hebr. door hem, dat is, door zijn land.
38 Zie Ex. 4 op vers 21. verwijsteksten
31 En de HEERE zeide tot mij: Zie, Ik heb begonnen Sihon en zijn land 39voor uw aangezicht te geven; begin dan te erven, om zijn land erfelijk te bezitten.39 Zie Deut. 1 op vers 8. verwijsteksten
32 dEn Sihon toog uit ons tegemoet, hij en al zijn volk, ten strijde naar Jahaz.d Num. 21:23. verwijsteksten
33 En ede HEERE onze God gaf hem voor ons aangezicht, en wij sloegen hem en zijn zonen en al zijn volk.e Deut. 29:7. verwijsteksten
34 En wij namen te dien tijde al zijn steden in en wij 40verbanden alle steden, mannen en vrouwen en kinderkens; wij lieten niemand overblijven.40 Dat is, wij verdelgden en roeiden hen uit ten enenmale. Alzo wordt dit woord ook genomen Deut. 3:6; 7:2, en elders. Deze verbanning moest geschieden aan allen die in vijandschap en afgoderij hardnekkig bleven. Vgl. Deuteronomium 20 en Joz. 6:17, 18, 21; 9:18, 19. 1 Kon. 20:42, enz. verwijsteksten
35 Het vee alleen roofden wij voor ons, en den roof der steden die wij innamen.
36 Van Aroër af, dat aan den 41oever der beek Arnon is, en de stad die aan de beek is, ook tot Gilead toe, was er geen stad die voor ons te 42hoog was; de HEERE onze God gaf dat alles voor ons aangezicht.41 Hebr. aan de lip.
42 Of: geen stad die zich tegen ons kon beschermen.
37 Behalve tot het land van de kinderen Ammons naderdet gij niet, noch tot de 43ganse streek der beek Jabbok, noch tot de steden van het gebergte, noch tot iets dat de HEERE onze God ons 44verboden had.43 Hebr. de ganse zijde van de beek Jabbok, en de steden, enz.
44 Hebr. geboden, dat is, verboden. Zie van dit gebruik van het woord gebieden Lev. 4 op vers 2. Deut. 4 op vers 23. Hoewel men deze woorden hier ook aldus kon overzetten: waarvan de HEERE ons geboden had, te weten, dat wij die niet zouden genaken. verwijsteksten

Einde Deuteronomium 2