Statenvertaling.nl

sample header image

Micha 3 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Micha 3

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Gods oordeel over de regenten, vanwege hun tirannie en schenderij, vs. 1, enz. Over de profeten die het volk verleiden en vrede toezeggen, 5. Van dewelke zich Micha afscheidt, profeterende met grote vrijmoedigheid de toekomstige verwoesting van Jeruzalem en van den tempel, om de algemene boosheid en verdorvenheid des volks, der regenten, priesters en profeten, 8.
 
Tegen de vorsten en leugenprofeten
1 VOORTS zeide ik: Hoort nu, gij 1hoofden Jakobs en gij 2oversten van het huis Israëls. 3Betaamt het ulieden niet het recht te weten?1 Dat is, regenten.
2 Zie Richt. 11 op vers 6. verwijsteksten
3 Hebr. Is het niet ulieder, of aan ulieden? Dat is, past het, voegt het u niet? Betaamt het u niet? Is het niet uw plicht, het recht uws Gods te weten? Ganselijk, wil de profeet zeggen. Vgl. Jer. 5:4, 5 en zie van zulk vragen Richt. 4 op vers 6, enz. verwijsteksten
2 Zij haten het goede en hebben het kwade lief; 4zij roven hun 5huid van hen af en hun vlees van hun beenderen.4 Door deze manier van spreken wordt de uiterste wreedheid, schenderij, schraperij en tirannie der regenten over hun onderdanen en medebroederen uitgedrukt, met dewelke zij handelden als leeuwen, beren en wolven.
5 Zij villen den armen onderdanen de huid af, zij mergelen en zuigen hen uit, als men van zulke mensen gemeenlijk zegt.
3 Ja, zij zijn het 6die het vlees mijns volks eten en hun huid afstropen en hun beenderen 7verbreken, en 8vaneenleggen gelijk als in een pot en als vlees in het midden eens ketels.6 Anders: Wat zij eten, is het vlees van mijn volk, enz. Zie Ps. 14 op vers 4. verwijsteksten
7 Of: in stukken klinken. Want het Hebreeuwse woord heeft de betekenis van sterk geluid, gekraak, geklank, naar sommiger gevoelen. De zin is, dat zij al het vermogen der onderdanen (over dewelke zij als vaders en herders behoorden te zijn) met openbaar geweld, zonder enigen schroom of deernis, verbrijzelen, vernielen en tot zich trekken, doende daarmede als volgt.
8 Hebr. uitbreiden, dat is, zij gaan met de mensen en den roof te werk, alsof zij vlees en benen van geslachte beesten in een pot legden om te koken. Vgl. Ez. 11:6, 7 met de aant. En zie gelijke manier van spreken in de beschrijving van de straf dezer booswichten Ez. 24:3, 4, enz. verwijsteksten
4 9Alsdan zullen zij roepen tot den HEERE, doch Hij zal hen niet verhoren; maar zal Zijn aangezicht te dien tijde voor hen 10verbergen, gelijk als zij 11hun handelingen kwaad gemaakt hebben.9 Als de plagen (in Micha 2:3, 4, 5, 10 vermeld) hen zullen treffen, dan zullen zij nog wel zo onbeschaamd zijn, dat zij God zullen aanroepen, alsof Hij hen behoorde te helpen; maar zij doen het zonder ware bekering des harten, alleen uit gevoel van straf, daarom, enz. verwijsteksten
10 Zie Deut. 31 op vers 17. Job 13 op vers 24. verwijsteksten
11 Of: zich kwalijk gedragen hebben in hun handelingen, gelijk van de bekeerden gezegd wordt, dat zij hun wegen goed maakten. De zin is: Gelijk zij de arme onderdanen geplaagd hebben en zich over die niet hebben ontfermd, alzo zal Ik hun wederom doen, enz. Vgl. Jak. 2:13. verwijsteksten
5 Alzo zegt de HEERE tegen de profeten die mijn volk verleiden, die met hun tanden a12bijten, en roepen vrede uit; maar die niets geeft in hun mond, tegen dien zo 13heiligen zij een krijg.a Micha 2:11. verwijsteksten
12 Onder voorwendsel van liefde en vriendelijkheid, als grijpende wolven, de zielen moorden door hun valse verleidende profetieën. Vgl. Ez. 13:18, 19; 22:25. Matth. 7:15. Of als verhongerde beesten, verscheuren en verslinden wat men hun geeft, en roepen dan van vrede, geluk en voorspoed, als zij den buik vol hebben. Vgl. Micha 2:11. Jes. 56:10, 11. Ez. 13:3, met de aantt. verwijsteksten
13 Dat is, tegen dien ruien en hitsen zij een ieder op, rusten toe en nemen oorlog tegen hem aan, of verkondigen en profeteren hem alle kwaad, als zijnde een verachter van God en Zijn woord, dat zij valselijk voorwenden. Zie van het Hebreeuwse woord Jer. 6 op vers 4. verwijsteksten
6 Daarom zal het 14nacht voor ulieden worden vanwege het 15gezicht, en ulieden zal duisternis zijn vanwege de 16waarzegging; en de bzon zal over deze profeten ondergaan, en de dag zal over hen c17zwart worden.14 Met deze manier van spreken voorzegt God dezen valsen profeten niet alleen verblinding van hun verstand (als sommigen dat nemen), maar ook zware plagen, van allerlei ongeluk, lijden en droefenis. Zie Gen. 15 op vers 12. Jer. 15 op vers 9. Joël 2:2, 31, enz. verwijsteksten
15 Dat is, om uw valse profetieën, die gij u beroemt door Mijn openbaringen ontvangen te hebben. Vgl. Zach. 13:4. Of: zodat gij geen gezicht zult hebben, dat is, niet meer kunnen profeteren. Alzo in het volgende: zodat gij niet zult kunnen waarzeggen; gij zult dan wat anders te doen hebben, dan met uw voorzeggingen of waarzeggerij om te gaan, dat zal u dan wel vergaan. Vgl. Ez. 13:23. verwijsteksten
16 Vgl. Ez. 13:6, 7, enz., en zie van het Hebreeuwse woord Spr. 16 op vers 10. verwijsteksten
b Jer. 15:9. Amos 8:9. verwijsteksten
c Joël 2:10. verwijsteksten
17 Dat is, donker.
7 En de 18zieners zullen beschaamd en de waarzeggers schaamrood worden, en zij zullen altezamen de 19bovenste lip bewimpelen; want er zal geen 20antwoord Gods zijn.18 Dat is, die valse profeten, die zich op Mijn gezichten valselijk beroemen. Zie van het woord ziener 1 Sam. 9 op vers 9. Ez. 13 op vers 3. verwijsteksten
19 Of: knevelbaard, tot een teken van rouw. Zie Lev. 13:45. Ez. 24:17, 22, met de aantt. verwijsteksten
20 Geen Goddelijk gezicht of profetie, dat men God mocht raad vragen of troost bij Hem zoeken in het lijden. Vgl. Ps. 74:9. Ez. 7:26. Amos 8:11, 12. Of: geen verhoring, als vers 4. verwijsteksten
8 21Maar waarlijk, ik ben vol kracht 22van den Geest des HEEREN, en vol van 23gericht en 24dapperheid, om Jakob te verkondigen zijn 25overtreding, en Israël zijn zonde.21 De profeet, verzekerd zijnde van zijn beroeping, de waarheid der Goddelijke openbaringen en de gaven des Heiligen Geestes, Die hem gezonden had, onderscheidt zich van de valse profeten, bevestigt zijn profetieën met de Goddelijke autoriteit, tot onderwijs der vromen en overtuiging der wederspannigen, en toont zijn vrijmoedigheid en onbeschroomdheid in het straffen der zonden, niettegenstaande het in tegengestelden zin onbeschaamd voorgeven en pluimstrijken der valse profeten, en des volks wederhorigheid. Vgl. Jes. 50:4, enz. Jer. 6:11, met de aantt. verwijsteksten
22 Dat het Hebreeuwse woordje eth voor van somtijds genomen wordt, zie daarvan Jer. 51 op vers 59. verwijsteksten
23 Om Gods oordeel, volgens Zijn last, te verkondigen, gelijk Jer. 6:11 vol van des Heeren grimmigheid, enz. Of: vol van recht, dat is, Gods recht, als Jer. 5:4, 5. Ook kan het zien op de regenten, vss. 1, 9, die het recht behoorden te weten, maar daarvan een gruwel hadden; geheel anders was Gods dienstknecht gesteld. verwijsteksten
24 Of: macht, kloekmoedigheid, om het kwaad te verdragen en in mijn ambt onverdrietelijk voort te gaan, als volgt.
25 Met de verdiende straffen.
9 Hoort nu dit, gij hoofden van het huis Jakobs en gij oversten van het huis Israëls, die van het 26gericht een 27gruwel hebt, en al wat 28recht is d29verkeert,26 Of: recht.
27 Of: het gericht gruwelijk maakt, te weten door het goddeloos misbruik van justitie.
28 Of: richtig, rechtmatig, billijk.
d Amos 5:7; 6:12. verwijsteksten
29 Hebr. verkeren, dat is, diegenen zijt die verkeren, enz., als elders dikwijls.
10 30Bouwende Sion met e31bloed, en Jeruzalem met 32onrecht.30 Hebr. in het enkelvoud, dat is, elkeen van hen is bouwende. Zij bebouwen het met grote huizen en paleizen.
e Ez. 22:27. Zef. 3:3. verwijsteksten
31 Hebr. bloeden, dat is, moord en doodslag (zie Gen. 37 op vers 26. Ez. 22:27. Zef. 3:3), en voorts het geld dat zij daardoor, of door het voorstaan en verschonen van moordenaars en geweldenaars, bekomen. verwijsteksten
32 Roverij en allerlei onrechtvaardige middelen. Zie Jer. 22:13. verwijsteksten
11 33Haar hoofden richten om 34geschenken, en haar priesters leren om 35loon, en haar 36profeten waarzeggen om geld; nog 37steunen zij op den HEERE, zeggende: 38Is de HEERE niet in het midden van ons? Ons zal geen 39kwaad overkomen.33 Sions en Jeruzalems regenten en rechters. God wil zeggen, dat alles in burgerlijken en kerkelijken stand bedorven en om geld te koop was. Vgl. Jes. 1:23. verwijsteksten
34 Hebr. geschenk.
35 Laten zich omkopen om te leren naar der lieden lust, daar zij van God hun toegelegd onderhoud hadden, en zonder aanzien van mensen Gods woord behoorden voor te dragen. Zie Mal. 2:6, 7. verwijsteksten
36 De valse, waarvan boven.
37 Niet met een heilig vertrouwen (dat met godzaligheid vergezelschapt is), maar met huichelarij, uit onbeschaamden hoogmoed en ijdele, stoute, vleselijke vermetelheid. Zie Jes. 48:2. Jer. 7:4, 8, 9, 10. Hoe ondraaglijk zulks bij God was, blijkt in het volgende vers. verwijsteksten
38 Dat is toch buiten allen twijfel, willen zij zeggen; niet anders dan of God hun verplicht was, al evenveel hoe zij het maakten.
39 Dat is, ongeluk, ellende, waarvan de andere profeten zoveel hebben te zeggen. Vgl. Amos 9:10. verwijsteksten
12 Daarom, om 40uwentwil zal 41Sion als een 42akker geploegd worden; en Jeruzalem zal tot steenhopen worden, en de berg dezes 43huizes tot hoogten eens 44wouds.40 Om uw zonden, waarmede gij alles vervuld en verdorven hebt.
41 Zo weinig vraagde God naar Sion, Jeruzalem, ja, Zijn tempel zelfs, als zij verontreinigd waren.
42 Dat is, geheel en al verwoest worden. Deze scherpe en schrikkelijke profetieën heeft de vrome koning Hizkia bij zijn tijd (in welken Micha dit profeteerde) met een boetvaardig hart aangenomen, God om genade gesmeekt, en ongetwijfeld alles gedaan wat hij kon, tot verbetering. Zie Jer. 26:18, 19, 20, en vgl. Micha 1:6. verwijsteksten
43 Des tempels.
44 Als Jer. 26:18. Op deze schrikkelijke profetie volgt een uitermate heerlijke evangelische belofte van den berg des huizes des Heeren, in het begin van het volgende hoofdstuk; insgelijks in het einde van het vierde en begin van het vijfde hoofdstuk. verwijsteksten

Einde Micha 3