Statenvertaling.nl

sample header image

Leviticus 16 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Leviticus 16

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

God beveelt den overpriester in het heiligdom te gaan om een algemene verzoening te doen, vs. 1, enz. Met een bericht wanneer en waarmede hij dat doen zal, 3. En naar wat orde in het offeren, en het bedienen van andere ceremoniën, die hier in het lange beschreven worden, 6. Waarbij dan komt een voorschrift van den schuldigen plicht van het gehele volk, 29. Met het besluit van dit hoofdstuk, 34.
 
De grote verzoendag
1 EN de HEERE sprak tot Mozes, anadat de 1twee zonen van Aäron gestorven waren; als zij genaderd waren voor het aangezicht des HEEREN en gestorven waren.
a Lev. 10:1, 2. verwijsteksten
1 Namelijk Nadab en Abihu, die de Heere, omdat zij met vreemd vuur voor Hem verschenen, gedood had. Zie Lev. 10:1, 2. verwijsteksten
 
2 De HEERE dan zeide tot Mozes: Spreek tot uw broeder Aäron, bdat hij niet te allen tijde ga in het 2heilige, binnen den 3voorhang, voor het 4verzoendeksel dat op de ark is, opdat hij niet sterve; want Ik 5verschijn in een wolk op het verzoendeksel.
b Ex. 30:10. Hebr. 9:7. verwijsteksten
2 Hebr. heiligheid, wat heilig is, heilige plaats. Versta hier en vss. 3, 17, 27 het heilige der heiligen, de binnenste plaats van den tabernakel, onderscheiden van het voorste deel, dat gewoonlijk het heilige geheten wordt. Zie Ex. 26:33, 34. Hebr. 9:2, 3. verwijsteksten
3 Zie Lev. 4 op vers 6. verwijsteksten
4 Zie Ex. 25:17, 18, enz. verwijsteksten
5 Te weten ordinairlijk, en op een zichtbare wijze; hetwelk u tot een heilige vreze en eerbied moet verwekken. Vgl. Ex. 3:5. 1 Kon. 8:11, 12 en de aant. verwijsteksten
 
3 Hiermede zal Aäron in het heilige gaan: met 6een var, 7een jong rund ten zondoffer en een ram ten brandoffer.
6 Met het bloed van den geslachten var, gelijk blijkt uit vers 14. verwijsteksten
7 Hebr. den zoon van een rund.
 
4 Hij zal den 8heiligen linnen rok aandoen en een linnen onderbroek zal aan zijn vlees zijn en met een linnen gordel zal hij zich gorden en met den linnen hoed bedekken; dit zijn 9heilige klederen; daarom zal hij zijn vlees met water baden, als hij ze zal aandoen.
8 Hebr. den linnen rok der heiligheid; alzo ook in het volgende van dit vers klederen der heiligheid, dat is, heilige klederen, zo genoemd omdat zij tot een heilig gebruik behoorden; alzo ook Ex. 28:2. In welken zin ook andere dingen heilig genoemd worden, Ex. 29:31; 30:25. Lev. 22:4. 2 Kron. 5:5. verwijsteksten
9 Versta bij deze die hier genoemd worden, ook de andere, dewelke in het lange verhaald staan Ex. 28:4, enz., en vgl. Ex. 28:43. verwijsteksten
 
5 En van de vergadering der kinderen Israëls zal hij nemen twee geitenbokken ten zondoffer, en één ram ten brandoffer.
6 Daarna zal Aäron den var des zondoffers die voor hem zal zijn, offeren, en zal cvoor zich en voor zijn 10huis verzoening doen.
c Hebr. 7:27, 28. verwijsteksten
10 Dat is, huisgezin. Zie Gen. 7 op vers 1. verwijsteksten
 
7 Hij zal ook beide de bokken nemen, en hij zal die stellen voor het aangezicht des HEEREN, aan de deur van de tent der samenkomst.
8 En Aäron zal de loten over die twee bokken 11werpen: één lot voor den HEERE en één lot voor 12den weggaanden bok.
11 Hebr. geven. Te weten, om te vernemen welken de Heere wilde geslacht hebben ten zondoffer, en welken men in de woestijn of in het veld zou uitlaten.
12 Hebr. azazel. Dit woord komende (naar het meeste gevoelen) van twee woorden, van welke het ene betekent een geit, het andere weggaan. Het schijnt zoveel te beduiden als den levenden bok, die losgelaten werd om weg te gaan, of de plaats waarheen hij weggelaten wordt. Zie dit woord ook vss. 10, 26. verwijsteksten
 
9 Dan zal Aäron den bok op denwelken het lot voor den HEERE zal gekomen zijn, toebrengen, en zal hem ten zondoffer maken.
10 Maar de bok op denwelken het lot zal gekomen zijn om een weggaande bok te zijn, zal levend voor het aangezicht des HEEREN gesteld worden, om 13door hem verzoening te doen; opdat men hem 14als een weggaanden bok naar de woestijn uitlate.
13 Of: met hem, of: op hem.
14 Of: naar Azazel, dat is, tot de plaats alzo genaamd.
 
11 Aäron dan zal den var des zondoffers die voor hemzelven zal zijn, toebrengen en voor zichzelven en voor zijn huis verzoening doen, en zal den var des zondoffers die voor hemzelven zal zijn, slachten.
12 Hij zal ook een wierookvat 15vol 16vurige kolen nemen van het altaar, van voor het aangezicht des HEEREN, en zijn 17handen vol 18reukwerk van welriekende specerijen, kleingestoten; en hij zal het binnen den 19voorhang dragen.
15 Hebr. de volheid van het wierookvat. Alzo in het volgende de volheid der handen, dat is, de handen vol, en de volheid van het huis, voor: het huis vol, Num. 22:18. Insgelijks de volheid van een schaal, voor: een schaal vol, Richt. 6:38. verwijsteksten
16 Hebr. kolen des vuurs, dat is, die vurig, ontstoken, en gloeiende zijn. Alzo 2 Sam. 22:13. Ez. 1:13. Rom. 12:20. verwijsteksten
17 Hebr. vuisten.
18 Zie de beschrijving van dit reukwerk Ex. 30:34, 35, 38. verwijsteksten
19 Zie op vers 2. verwijsteksten
 
13 En hij zal dat reukwerk op het vuur leggen voor het aangezicht des HEEREN, opdat de 20nevel des reukwerks het verzoendeksel hetwelk is op de getuigenis, 21bedekke, en dat hij niet sterve.
20 Hebr. wolk.
21 Te weten, opdat alzo de priester verhinderd worde het teken der Goddelijke tegenwoordigheid te zien.
 
14 dEn hij zal van het bloed van den var nemen en zal met zijn vinger 22op het verzoendeksel oostwaarts sprengen; en vóór het verzoendeksel zal hij zevenmaal met zijn vinger van dat bloed sprengen.
d Lev. 4:6. Hebr. 9:25; 10:4. verwijsteksten
22 Hebr. op het aangezicht van het verzoendeksel; alzo in het volgende van dit vers. Deze besprenging geschiedde maar eenmaal. Doch de andere, die op de plaats voor het verzoendeksel gedaan werd, geschiedde zevenmaal. Zie Lev. 4:6. verwijsteksten
 
15 Daarna zal hij den bok des zondoffers die voor het volk zal zijn, slachten en zal zijn bloed tot binnen in den voorhang dragen, en zal met zijn bloed doen, gelijk als hij met het bloed van den var gedaan heeft, en zal dat sprengen op het verzoendeksel en vóór het verzoendeksel.
16 Zo zal hij voor 23het heilige, vanwege de onreinheden der kinderen Israëls en vanwege hun overtredingen, naar al hun zonden, verzoening doen; en alzo zal hij doen aan de tent der samenkomst, welke met hen 24woont in het midden hunner onreinheden.
23 Wat het is, enige plaats te verzoenen, wordt hier en in het volgende 19de vers aangewezen; namelijk die van de ceremoniële en morele onreinheden, die daaraan of daarin mochten zijn of begaan zijn, door offeranden rein te maken en te ontzondigen. Vgl. Lev. 8:15; 14:49, 52, 53 en in dit hoofdstuk, vss. 19, 20. verwijsteksten
24 Dat is, is en blijft in het midden van hen die vele onreinheden hebben.
 
17 En geen mens zal in de tent der samenkomst zijn, als 25hij zal ingaan om in 26het heilige verzoening te doen, totdat hij zal uitkomen; alzo zal hij verzoening doen voor zichzelven en voor zijn huis en voor de gehele gemeente Israëls.
25 Te weten de hogepriester.
26 Het heilige der heiligen, als vers 2. verwijsteksten
 
18 Daarna zal hij tot het 27altaar dat voor het aangezicht des HEEREN is, 28uitkomen en verzoening voor hetzelve doen; en hij zal van het bloed van den var en van het bloed van den bok nemen en het 29doen rondom op de hoornen des altaars.
27 Versta het altaar des brandoffers, hetwelk voor het aangezicht des Heeren wordt gezegd te zijn om de reden gemeld Lev. 1 op vers 3. verwijsteksten
28 Te weten uit het eerste of voorste deel van den tabernakel, gelijk dit af te leiden is uit het naastvoorgaande vers, alwaar gesproken wordt van des priesters uitkomen uit het binnenste deel van den tabernakel.
29 Hebr. zal geven.
 
19 En hij zal daarop van dat bloed met zijn vinger zevenmaal sprengen; en hij zal 30dat reinigen en heiligen van de onreinheden der kinderen Israëls.
30 Zie op vers 16 en vers 20. verwijsteksten
 
20 Als hij nu zal geëindigd hebben van het heilige en de tent der samenkomst en het altaar te verzoenen, zo zal hij dien levenden bok 31toebrengen.
31 Anders: offeren.
 
21 En Aäron zal beide zijn handen op het hoofd van den levenden bok 32leggen, en zal daarop al de ongerechtigheden der kinderen Israëls en al hun overtredingen, naar al hun zonden, belijden; en hij zal die op het hoofd van den bok leggen en zal hem door de hand eens mans 33die voorhanden is, naar de woestijn uitlaten.
32 Hebr. steunen. Zie Lev. 1 op vers 4. verwijsteksten
33 Hebr. eens getijdigen, dat is, zekeren, bekwamen mans, die bij de hand is, of den tijd heeft, of gewend is daartoe gebruikt te worden.
 
22 Alzo zal die bok op zich al hun ongerechtigheden in een 34afgezonderd land wegdragen; en 35hij zal dien bok in de woestijn uitlaten.
34 Hebr. land der afzondering, dat is, dat onbewoond is, en van het gezelschap en de verkering der mensen afgesneden en verscheiden is.
35 Te weten die man die voorhanden was.
 
23 Daarna zal Aäron komen in de tent der samenkomst en zal de linnen klederen uitdoen, die hij aangedaan had, als hij in het heilige ging, en hij zal ze daar laten.
24 En hij zal zijn vlees in de 36heilige plaats met 37water baden en zijn klederen aandoen; dan zal hij uitgaan en zijn brandoffer en het brandoffer des volks bereiden en voor zich en voor het volk verzoening doen.
36 Zie Lev. 6:16, 26; 10 op vers 13. verwijsteksten
37 Zie Lev. 6 op vers 28. verwijsteksten
 
25 Ook zal hij het vet des zondoffers op het 38altaar aansteken.
38 Te weten het brandofferaltaar. Want op het reukaltaar was het verboden zodanige offeranden te doen, Ex. 30:9. verwijsteksten
 
26 En wie den bok 39welke een weggaande bok was, zal uitgelaten hebben, zal zijn klederen wassen en zijn vlees met water baden, en daarna zal hij in het leger komen.
39 Zie op vers 8. verwijsteksten
 
27 Maar eden var des zondoffers en den bok des zondoffers, welker bloed ingebracht is om verzoening te doen 40in het heilige, zal men tot buiten het leger uitvoeren; doch hun vellen, hun vlees en hun mest zullen zij met vuur verbranden.
e Lev. 6:30. Hebr. 13:11. verwijsteksten
40 Zie op vers 2. verwijsteksten
 
28 Wie nu dezelve verbrandt, zal zijn klederen wassen en zijn vlees met water baden, en daarna zal hij in het leger komen.
29 En dit zal voor u tot een 41eeuwige inzetting zijn: fgij zult in de 42zevende maand, op den tiende der maand, 43uw zielen 44verootmoedigen en geen werk doen, inboorling noch vreemdeling die in het midden van u als vreemdeling verkeert.
41 Hebr. inzetting der eeuwigheid, alzo vss. 31, 34. Zie Gen. 13 op vers 15. verwijsteksten
f Lev. 23:27. verwijsteksten
42 Genaamd 1 Kon. 8:2 Ethanim, en heden bij de Joden Tisri; zij komt meest overeen met onze maand september. verwijsteksten
43 Dat is, lichamen, als Ps. 16:10, of: uw personen, dat is, lichamen en zielen, als Gen. 12:5. verwijsteksten
44 Of: bekommeren, of kwellen, dat is, ernstiglijk vernederen voor den Heere, met bekentenis van uw zonden, met vasten, met bidden, met nalating van al hetgeen dat het lichaam aangenaam en vermakelijk is. Zie deze manier van spreken ook vers 31. Ps. 35:13. Jes. 58:3, 5. Dan. 10:12. verwijsteksten
 
30 Want op dien dag zal 45hij voor u 46verzoening doen om u te reinigen; van al uw zonden zult gij voor het aangezicht des HEEREN gereinigd worden.
45 Te weten de hogepriester.
46 Zie Lev. 1 op vers 4. verwijsteksten
 
31 Dat zal u een sabbat der rust zijn, opdat gij uw zielen verootmoedigt; het is een 47eeuwige inzetting.
47 Zie op vers 29. verwijsteksten
 
32 En de 48priester dien men gezalfd en 49wiens hand men gevuld zal hebben om voor zijn vader het priesterambt te bedienen, zal de verzoening doen; als hij de linnen klederen, de 50heilige klederen, zal aangetrokken hebben,
48 Dat is, de hogepriester. Zie Lev. 4 op vers 3. verwijsteksten
49 Zie Lev. 7 op vers 37. verwijsteksten
50 Hebr. de klederen der heiligheid; alzo vers 4. verwijsteksten
 
33 Zo zal hij het 51heilige heiligdom verzoenen, en de tent der samenkomst en het altaar zal hij verzoenen; desgelijks voor de priesters en voor al het volk der gemeente zal hij verzoening doen.
51 Hebr. het heiligdom der heiligheid.
 
34 En dit zal u tot een eeuwige inzetting zijn, om voor de kinderen Israëls van al hun zonden geenmaal des jaars verzoening te doen. En men deed gelijk als de HEERE Mozes geboden had.
g Ex. 30:10. Hebr. 9:7. verwijsteksten

Einde Leviticus 16