Statenvertaling.nl

sample header image

Hosea 5 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Hosea 5

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Verdere strafpredicatie, van Gods oordelen, door de vijanden, over alle standen Israëls, en mede over Juda, vanwege tirannie, allerlei geweld en afgoderij, met ontzegging van alle Goddelijke en menselijke hulp in hun noden, vs. 1, enz. Met een bijgevoegde profetie van hun toekomstige bekering, 15.
 
Gods oordelen over Israël en Juda
1 HOORT dit, gij 1priesters, en merkt op, gij huis Israëls, en neemt ter ore, gij huis des konings, want 2ulieden gaat dit oordeel aan; omdat gij een 3strik zijt geworden te 4Mizpa, en een uitgespannen net op 5Thabor.
1 De profeet schijnt hier de drie standen van het koninkrijk van Israël onderscheidenlijk aan te spreken: de kerkelijken, de oudsten des volks en den koning. Doch sommigen menen dat het huis Israëls hier de tien stammen betekent, en door den koning de koning van Juda verstaan wordt.
2 Hebr. tot of voor ulieden is dit oordeel, te weten van God. Dat is, deze straf gaat u aan. Zie Jer. 48 op vers 21. Anders: u betaamt het gericht of recht, dat is, gij behoordet recht te doen; en dan voorts: maar gij zijt een strik. Vgl. Micha 3:1. Mal. 2:1, 4. verwijsteksten
3 Dat is, als een strik. Insgelijks als een net.
4 Daar waren verscheidene hoogten en plaatsen van dezen naam aan beide zijden der Jordaan; van Mizpa in Gilead zie Richt. 10:17 met de aant. Dit kan men aldus nemen, dat de afgodische regenten en priesters der tien stammen aan beide zijden van de Jordaan op de hoogten wachten hebben besteld om te loeren op allen die naar Jeruzalem mochten trekken om den waren godsdienst te oefenen, om die te vermoorden; waarop ook het begin van het volgende vers kan zien. Vgl. Hos. 6:9 met de aantt.; 7:1. Insgelijks 1 Kon. 15:17 en de aant. aldaar. Anderen verstaan het alzo, dat zij met allerlei listen en vonden de ingezetenen gezocht hebben te trekken tot hun aangestelde afgoderij, om die als Gode behaaglijk te doen goedvinden, handelende alzo met de mensen, gelijk de vogelvangers en jagers met de vogels en het wild op deze beide hoge bergen plegen te doen. verwijsteksten
5 Van den berg Thabor zie Richt. 8 op vers 18. verwijsteksten
 
2 En die afwijken, 6verdiepen zich om te slachten; maar Ik zal hun allen een 7Tuchtmeester zijn.
6 Wanneer de uitgezonden afvallige Israëlieten van de hoogten der voorschreven bergen enige vrome passanten hebben gezien, dan begeven zij zich in de laagten om die onvoorziens te vangen en te vermoorden. Sommigen zetten het aldus over: Zij verdiepen zich om de afgaanden of afwijkenden (te weten van het afgodische Israël naar Juda en Jeruzalem) te kelen; den zin op hetzelfde uitkomende. Anderen verstaan het van diep te zondigen door het moorden der vromen, en zetten het over: verdiepen of vermenigvuldigen het slachten (dat van het voorzeide weinig verschilt); of van de diepe praktijken en arglistige vonden om het slachten der afgodische offeranden (dat God voor onnut slachten of kelen der beesten houdt, Jes. 66:3) goed te maken bij het volk, waarvan in de voorgaande aant. Het Hebreeuwse woord wordt van beide gebruikt: van zich in diepe plaatsen te begeven, versteken, verbergen, als Jer. 49:8, 30, en van diep zondigen, als Jes. 31:6. Hos. 9:9, en van beide tezamen (zo het schijnt) Jes. 29:15, met welke plaatsen deze beide verzen, het tweede en derde, ook bekwamelijk kunnen worden vergeleken. verwijsteksten
7 Hebr. tucht, dat is, tuchter, tuchtmeester, welk woord voor tuchtigen met woorden en slagen gebruikt wordt. Zie Spr. 7 op vers 22. Anders: hoewel Ik hun allen een Tuchtmeester geweest ben, dat is, hen anders onderwezen en geleerd heb door Mijn profeten. verwijsteksten
 
3 Ik ken Efraïm, en Israël is voor Mij niet verborgen: 8dat gij, o Efraïm, nu hoereert, en Israël verontreinigd is.
8 Alsof God zeide: Gij zult Mij uw hoerdom niet verduisteren met ontkennen of bemantelen, Ik heb u al te veel op de daad betrapt.
 
4 Zij 9stellen hun handelingen niet aan om zich tot hun God te bekeren; want ade 10geest der hoererijen is in het midden van hen, en den HEERE 11kennen zij niet.
9 Of: Hun handelingen geven het niet, dat zij, enz. Of: Zij begeven zich niet met hun handelingen, om, enz. Beide manieren van spreken zijn ook in onze taal gebruikelijk. Anders: Hun werken zullen niet toelaten, dat zij, enz. Vgl. Ps. 36:3, 5; 55:20; 64:6. verwijsteksten
a Hos. 4:12. verwijsteksten
10 Zie Hos. 4 op vers 12. verwijsteksten
11 Hoewel zij hun afgoderij met Zijn Naam zoeken te bemantelen. Zie Hos. 4 op vss. 1, 15. verwijsteksten
 
5 bDies 12zal Israëls hovaardij in zijn aangezicht getuigen; en Israël en Efraïm zullen 13vallen door hun ongerechtigheid; ook 14zal Juda met hen vallen.
b Hos. 7:10. verwijsteksten
12 Anders: getuigt, of: antwoordt. Alzo Hos. 7:10. De zin is: Hun stoute en hardnekkige verachting van alle getrouwe vermaningen en waarschuwingen Mijner profeten is zo openbaar, dat zij niet kan worden geloochend, en zal tegen hen staan en als onder hun ogen, of hen in het aangezicht beschamen en tegen-getuigen in Mijn gericht, tot hun overtuiging, en een bewijs dat zij met groot recht van Mij gestraft zijn. Vgl. Jes. 59:12. Jer. 14:7. Amos 6:8. Zef. 2:10. En een gelijke manier van spreken van het tegendeel, Gen. 30:33. Anders: Israëls heerlijkheid, hoogheid, uitnemendheid, enz., dat is, de zegen, door welken Ik hen zozeer verhoogd heb, zal hen overtuigen van hun ondankbaarheid. verwijsteksten
13 Zie Hos. 4:5; 14:2. verwijsteksten
14 Hebr. is gevallen.
 
6 Met hun 15schapen en met hun runderen zullen zij dan gaan om den HEERE te zoeken, maar niet vinden; Hij heeft Zich van hen 16onttrokken.
15 Om God door offeranden te paaien en hulp van Hem te verkrijgen, maar tevergeefs. Vgl. 2 Kon. 23:21, 22, 26. verwijsteksten
16 Of: losgemaakt, vrijgemaakt, niet meer met hen willende te doen hebben, dewijl zij Hem met hun gruwelen lastig en verdrietelijk waren.
 
7 Zij hebben trouwelooslijk gehandeld tegen den HEERE; want zij hebben 17vreemde kinderen gewonnen; 18nu zal hen de 19nieuwe maand verteren met hun 20delen.
17 Uit huwelijken met heidense vrouwen, tegen Gods uitgedrukte bevel. Vgl. Ezra 9:1, 2. Neh. 13:23. Mal. 2:11. Aan zulke huwelijken was dit mede vast, dat de kinderen in afgoderij werden opgevoed. verwijsteksten
18 Weldra, of daarom.
19 Dat is, de afgoderij die zij op de nieuwe maanden bedrijven. Sommigen nemen het als een gelijkenis van woeker of maandgeld, dat haastelijk oploopt en den schuldenaar verteert. Anderen nemen een maand voor een korten tijd, als Zach. 11:8, of voor een gezetten zekeren tijd. verwijsteksten
20 Of: porties, dat is, al hun goed, bezit en land. Vgl. Ps. 16:5 met de aant. Sommigen verstaan de offeranden die in vele delen verdeeld werden. verwijsteksten
 
8 21Blaast de bazuin te 22Gíbea, de trompet te Rama; roept luide te 23Beth-Aven; 24achter u, Benjamin.
21 Hier stelt hun God levendig voor ogen de nakende aankomst van den vijand, wanneer men gewoon is in de naastliggende plaatsen alarm te maken.
22 Gibea en Rama lagen beide in Benjamin aan de grenzen van Efraïm. Zie Richt. 19 op vers 13. Deze grensplaatsen zijn ongetwijfeld sterk en welbezet, en dienvolgens hun toeverlaat geweest. Te Gibea had Saul gewoond, Samuël was geboren te Rama, 1 Samuël 1; 10:26. Zie ook 1 Kon. 15:17, 21, 22. verwijsteksten
23 Zie Hos. 4 op vers 15. verwijsteksten
24 Hierop kan men verstaan: is de vijand, of: daar is het te doen, te weten, in Efraïm is de vijand doende, en daar begint hij te verwoesten, waarvan in het volgende vers. Benjamin lag tussen Juda en Efraïm. Daarom nemen sommigen deze woorden als een beschrijving van de ligging van Juda, als gelegen in het zuiden achter Benjamin; en dat alzo Juda ook in alarm zou raken, met trompetten en roepen, gelijk de andere voorzeide plaatsen. Of men kan het eenvoudiglijk aldus nemen: achter u Benjamin, dat is, Benjamin blaze ook alarm, na of achter u, om te kennen te geven, dat de alarmen van de ene plaats zouden voortgaan tot de andere en elkander volgen.
 
9 Efraïm zal tot verwoesting worden ten dage der 25straf; onder de stammen Israëls 26heb Ik bekendgemaakt wat 27gewis is.
25 Of: bestraffing, dat is, ten tijde als Ik het oordeel (waarvan vers 1) over hen spreken en uitvoeren zal. verwijsteksten
26 Of: maak Ik bekend, dat is, Ik voorzeg openlijk wat zeker en gewis is en zonder fout geschieden zal, opdat zij mogen weten, wanneer het geschiedt, dat Ik de Heere ben. Anders: Ik heb de trouw bekendgemaakt, dat is, Mijn trouw aan Israël betoond door veelvoudige waarschuwingen voor hun aanstaande verwoesting, indien zij zich niet bekeren.
27 Anders: dat zij gewis is; zij, te weten de voorzeide en gedreigde straf.
 
10 De vorsten van Juda zijn geworden gelijk die de 28landpaal verrukken; Ik zal Mijn verbolgenheid als 29water over hen uitgieten.
28 Wat God scherpelijk vervloekt en verboden had, Deut. 19:14; 27:17. Job 24:2. Spr. 22:28. Diergelijks deden de regenten van Juda ten tijde van Achaz, als zij de palen van den reinen godsdienst, van God gesteld en van de vrome koningen bewaard, verrukten, en de palen van hun ambt te buiten gingen, en alles voorts in verwarring brachten, hetwelk op de verwarring der religie door Gods rechtvaardig oordeel placht te volgen, zie 2 Koningen 16, en zulks trekt met zich een zondvloed van Gods toorn, die alles overloopt en in verderf stelt. verwijsteksten
29 Zie Ps. 79 op vers 6. verwijsteksten
 
11 Efraïm is verdrukt, hij is 30verpletterd met recht; want hij heeft zo gewild; hij heeft gewandeld naar het 31gebod.
30 Of: verbrijzeld, in stukken gebroken of gestoten. Hebr. een gepletterde des rechts. De eenvoudigste zin dezer woorden schijnt te zijn, dat hun dit alles rechtvaardiglijk zal overkomen naar hun verdiensten; waarop de volgende woorden bekwamelijk passen. Sommigen nemen het aldus, dat Efraïm, die tevoren over anderen gewoon was te richten, zal moeten lijden dat anderen over hem rechtspreken en hem in het gericht verpletteren.
31 Van zijn koning Jerobeam, die de stichter van de gruwelijke afgoderij en van alle gevolgde ongebondenheid geweest is, en dien zijn opvolgers hebben nagevolgd. Het is hun genoeg geweest, dat hun koning zulks gebood; daarop zijn zij onbeschroomd en met lust voortgegaan, zonder op God en de waarschuwing Zijner profeten te letten. Anderen aldus: hij heeft gewilliglijk gewandeld, of: hij heeft willen wandelen naar het gebod of bevel. Hebr. hij heeft gewild, hij heeft gewandeld, enz. Zie Ps. 45 op vers 5. verwijsteksten
 
12 Daarom zal Ik Efraïm zijn als een 32mot, en het huis van Juda als een 33verrotting.
32 Zie Job 13:28. Ps. 39:12. Spr. 12:4; 14:30. Jes. 50:9; 51:8. verwijsteksten
33 Of: vervuiling, wormstekigheid, dat is, gelijk de klederen door de motten, en andere dingen door verrottingen of den worm allengskens worden verteerd, alzo zal Ik deze beide volken door Mijn straffen allengskens verteren, hetwelk aan beide, eerst aan Israël, daarna aan Juda, alzo geschied is.
 
13 Als Efraïm zijn 34krankheid zag en Juda zijn 35gezwel, zo toog Efraïm tot 36Assur, en 37hij zond tot den koning 38Jareb; maar die zal ulieden niet kunnen genezen, en zal het gezwel 39van ulieden niet helen.
34 Al dit voorzeide kwaad en nakende gevaar gevoelde of merkte.
35 Vgl. Obadja vs. 7. verwijsteksten
36 Tot Pul, den koning van Assyrië, om dien van vijand tot vriend en helper te maken, door geschenken; dewijl dit schijnt te zien op de historie van den koning Menahem, 2 Kon. 15:19, enz. Zie wijders Hos. 7:11, enz. verwijsteksten
37 Dit duiden sommigen op Juda, uit vergelijking met het voorgaande (zie 2 Kon. 16:7) en volgende vers. verwijsteksten
38 Vgl. Hos. 10:6, uit welke plaats afgeleid wordt dat dit een naam moet geweest zijn van zekeren koning in Assyrië (als ook sommige kroniekschrijvers hebben), of in het gemeen een naam dien de Joden en Israëlieten dien uitlandsen koningen gewoon waren te geven, welker hulp en bescherming zij, uit mistrouwen op God, verzochten; Jareb is in het Hebreeuws zoveel als: hij zal twisten, rechten, pleiten, dat is, de zaak voor ons opnemen en uitvoeren. Vgl. Richt. 6:31, 32, met de aantt. verwijsteksten
39 Alzo dat hij het van u wegneemt, dat gij het kwijt wordt. Anders: zal de wond van niemand uit of van u helen.
 
14 Want Ik zal Efraïm zijn als een felle leeuw, en het huis van Juda als een jonge leeuw; Ik, Ik zal 40verscheuren en heengaan; Ik zal wegvoeren, en cer zal geen redder zijn.
40 Of: roven. Vgl. Hos. 6:1. verwijsteksten
c Hos. 2:9. verwijsteksten
 
15 Ik zal heengaan en keren weder tot Mijn 41plaats, totdat zij zichzelven schuldig kennen en Mijn 42aangezicht zoeken; als hun bange zal zijn, zullen zij Mij 43vroeg zoeken.
41 Menselijk van God gesproken, Die gezegd wordt neder te dalen, wanneer Hij iets bijzonders op aarde werkt of Zijn oordelen uitvoert, en weder in Zijn plaats te keren en Zich stil te houden, als Hij de mensen in ellende laat of niet verlost, totdat zij zich bekeren en Zijn tijd daar is. Vgl. Gen. 11:7. Jes. 18:4; 26:21, enz. verwijsteksten
42 Zie 2 Kron. 7 op vers 14; 11 op vers 16. verwijsteksten
43 Dat is, met grote vlijt, ijver en tijdiglijk. Zie Job 7:21; 8:5. Ps. 5:4. Spr. 7:15, met de aantt., en vgl. Jer. 29:12, 13, 14. Daniël 9, en de boeken van Ezra en Nehemia, en voorts den tijd van het Nieuwe Testament, specialijk Matth. 11:12, enz. verwijsteksten

Einde Hosea 5