Statenvertaling.nl

sample header image

Ezechiël 1 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Ezechiël 1

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Wanneer en waar Ezechiël geprofeteerd heeft, vs. 1, enz. God toont hem een zeer wonderbaarlijk gezicht, van vier dieren, 4, 5, enz. Van vier raderen, 15. En van een troon, waarop de Heere in eens mensen gedaante Zich vertoonde, als Regent en Rechter van de ganse wereld, 26.
 
Gods openbaring aan Ezechiël
1 IN het 1dertigste jaar, in de 2vierde 3maand, op den vijfde derzelver maand, 4als ik in het midden 5der weggevoerden was bij de rivier a6Chebar, zo geschiedde het dat de hemelen 7werden geopend en ik 8gezichten Gods zag.
1 Sommigen rekenen dit jaar van de regering van Nabochodonosor den Eerste, anders genaamd: Nabopolassar, de vader van Nabochodonosor of Nebukadnezar de Grote, die Syrië en Judea onder zich gebracht heeft, onder wiens gebied de profeet Ezechiël te dezen tijde leefde; in welken tijd enigen menen dat ook het wetboek in het achttiende jaar van den koning Josia in den tempel gevonden is, 2 Kon. 22:8; 23:2. Anderen hebben andere rekeningen. verwijsteksten
2 Die meest met onzen juni overeenkomt en bij de Joden Tamuz genaamd wordt; welverstaande in het kerkelijk jaar, want de vierde in het burgerlijk jaar wordt Tebeth genoemd.
3 Dit woord is hier ingevoegd uit het volgende lid.
4 Want als Jojachin in Babylonië gevankelijk weggevoerd werd, met veel volk, was de profeet Ezechiël ook daaronder. Zie Ez. 33:21; 40:1. verwijsteksten
5 Te weten als gevangene naar Babylonië. Hebr. wegvoering. Alzo 2 Kon. 24:15. Ezra 1:11. Insgelijks alzo gevangenis voor gevangene. Zie Num. 31 op vers 12. verwijsteksten
a Ps. 137:1. verwijsteksten
6 Sommigen verstaan een arm van de rivier Eufraat, ook genoemd Chaborra, van zekeren overste Chabor, die den Eufraat zou verdeeld hebben; anderen een rivier in Mesopotamië, van den berg Masius in de rivier Eufraat invloeiende naar een stad van denzelven naam.
7 Te weten op een bovennatuurlijke wijze, waardoor de profeet uit zichzelven opgetrokken zijnde, met een nieuw gezicht begiftigd is geweest, om zonder enig beletsel hetgeen hem vertoond werd te aanschouwen. Vgl. Openb. 4:1; 19:11. verwijsteksten
8 Dat is, die mij God vertoonde, of waarin God door zekere gedaanten Zich van mij in den geest liet aanschouwen. Alzo Ez. 8:3; 40:2. Zie van de gezichten Gods Gen. 15 op vers 1. Aangaande dit gezicht, daarover vallen in Gods kerk verscheidene uitleggingen, onder dewelke hier gevolgd is hetgeen schijnt bekwaamst te zijn. verwijsteksten
 
2 Op den vijfde derzelver maand (dat was het 9vijfde jaar van de wegvoering van den koning Jójachin),
9 Als men tot deze vijf jaren nog doet de elf jaren van Jojakims regering, 2 Kon. 23:36, de drie maanden van Joahaz, 2 Kon. 23:31, en de laatste veertien jaren van Josia, zo vindt men de dertig met de drie maanden van dewelke in het voorgaande vers gesproken is. verwijsteksten
 
3 10Geschiedde het woord des HEEREN uitdrukkelijk tot 11Ezechiël, den zoon van Buzi, den priester, in het land der Chaldeeën, bij de rivier Chebar; en 12de hand des HEEREN was daar op hem.
10 Hebr. Geschiedende geschiedde.
11 Hebr. Jechezkel. Deze naam betekent de sterkte Gods, of de gesterkte van God.
12 Dat is, de kracht om te profeteren werd hem van God gegeven. Zie 2 Kon. 3 op vers 15. Alzo Ez. 3:22; 37:1; 40:1. Voor hand staat Geest Ez. 11:5. De zin is enerlei. Want Gods Geest geeft de kracht en de gave om te profeteren, 1 Kor. 12:4, enz. verwijsteksten
 
4 Toen 13zag ik, en zie, een stormwind 14kwam van 15het noorden af, een 16grote wolk en een 17vuur daarin 18vervangen, en een 19glans was rondom die wolk; en uit het midden 20daarvan was als 21de verve van 22hasmal, 23uit het midden des vuurs.
13 Vergelijk dit gezicht met hetgeen dat Ezechiël 10 beschreven is. verwijsteksten
14 Te weten niet alleen om den profeet tot aandacht op te wekken, maar ook om de schrikkelijke kracht des alleroppersten Rechters, die Hij tegen Jeruzalem door haar vijanden in het werk stellen zou, af te beelden. Zie van zulke gelijkenis Job 9 op vers 17. verwijsteksten
15 Te weten vanwaar der Joden vijanden, dat is, de Chaldeeën voortkomen zouden. Vgl. Jer. 1:13, 14, 15. verwijsteksten
16 Versta hierdoor het heirleger der Chaldeeën. Zie Jer. 4:13. Vgl. Ez. 30:18; 38:9. verwijsteksten
17 Hetwelk betekende de verbranding van de stad Jeruzalem en den tempel.
18 Of: zich inwikkelende, te weten in die wolk; of: die omvangende. Vgl. Ex. 9:24. verwijsteksten
19 Versta hiermede de eer der gerechtigheid die God verkrijgt door Zijn straffen en oordelen, Ps. 51:6. Jes. 5:16. verwijsteksten
20 Dat is, van het vuur, gelijk te zien is uit het einde van dit vers.
21 Hebr. oog, dat is, kleur of verve, waarop het oog zijn werking heeft, alzo vers 7. Lev. 13:55. Num. 11:7. verwijsteksten
22 Velen verstaan hierdoor een soort van hars, amber, of ember of barnsteen, bij de Latijnen succinum genaamd. Anderen nemen het voor een soort van metaal, genaamd electrum, bestaande uit goud, waarvan het vijfde deel zilver is, en van kleur als bleek goud. Anderen verstaan het woord van het reinste brandende koper of staal; enigen nemen het voor de verve van zeer vurige kolen, hebbende den naam (als sommigen menen) van haastelijk doorsnijden, verteren, enz., hetgeen wel past op gloeiend staal en kolen.
23 Dat is, zoals de gedaante daarvan zich uitgeeft en vertoont, als het midden in het vuur ligt gloeiende.
 
5 En uit het midden 24daarvan kwam de gelijkenis van 25vier dieren; en dit was hun gedaante: zij hadden de gelijkenis van 26een mens.
24 Te weten van het vuur, in hetwelk was de verve van hasmal. Dat nu de vier dieren daaruit voortkwamen, betekent de helderheid hunner natuur en de vurigheid hunner werking. Hiermede komt overeen de naam serafs, komende van saraf, dat is, branden, Jes. 6:2, 6. verwijsteksten
25 Door deze dieren zijn te verstaan de heilige engelen, overmits zij cherubs genaamd worden, Ez. 10:15, 20. verwijsteksten
26 Te weten naar het meeste deel van hun lichaam, want zij hadden eens mensen aangezicht, handen en benen, vss. 7, 8. Bij de mensen worden de engelen vergeleken, omdat zij verstand en wil hebben, doch veel volmaakter dan de mensen, 2 Sam. 14:20. Ps. 103:20. 1 Petr. 1:12. verwijsteksten
 
6 bEn elkeen had 27vier aangezichten; insgelijks had elkeen van hen 28vier vleugelen.
b Ez. 10:14. verwijsteksten
27 Van dewelke zie vers 10. verwijsteksten
28 Te weten twee om te vliegen, die zij nochtans in dit gezicht naar het uitspansel hebben verheven, en enigszins hun aangezichten bedekt, betekenende eensdeels hun snelheid in het uitvoeren van Gods bevelen, anderdeels hun gewillige gedienstigheid en genegenheid tot God hun Heere; en twee andere vleugelen om hun lichaam te bedekken, aanwijzende hun eerbied tot God en de onzichtbaarheid van hun natuur en wezen voor den mens. Jes. 6:2 en Openb. 4:8 worden den engelen zes vleugelen toegeschreven, te weten nog twee boven deze vier, waarmede zij hun aangezichten bedekten, overmits zij voor den troon Gods waren, Wiens glans en majesteit zij niet verdragen konden. verwijsteksten
 
7 En hun 29voeten waren 30rechte voeten, en hun 31voetplanten waren gelijk de voetplanten van een 32kalf, en 33glinsterden gelijk de verve van 34glad koper.
29 Dat is, benen of schenkels. Hebr. En hun voeten, de voet was recht.
30 Betekenende de rechtmatigheid van hun werken.
31 Versta het deel des beens dat eigenlijk de voet genaamd wordt.
32 Die rond en vast zijn, tot een teken van der engelen wakkerheid en vaardigheid in het uitvoeren van hun dienst.
33 Om te tonen dat de werken die God door de engelen doet, klaar en heerlijk zijn.
34 Of: van gepolijst, geschuurd en gezuiverd koper, betekenende de reinheid der engelen. Vgl. Openb. 1:15. verwijsteksten
 
8 En c35mensenhanden waren 36onder hun vleugelen aan hun 37vier zijden; en die vier hadden hun aangezichten en hun vleugelen.
c Ez. 10:8. verwijsteksten
35 Versta door deze de werken der heilige engelen, die zij naar het bevel Gods doen, en de bekwaamheid die zij daartoe hebben.
36 Te weten om te betekenen dat hun werken den mensen onzienlijk en onbekend zijn.
37 Hebr. vier vierhoeken, of: vier vierzijden. Waarmede afgebeeld wordt dat zij in en over al de vier hoeken der wereld Gods bevelen uitvoeren. Vgl. Ez. 43:16, 17. verwijsteksten
 
9 Hun 38vleugelen waren samengevoegd, 39de een aan den ander; zij 40keerden zich niet om als zij gingen; 41zij gingen elkeen rechtuit voor zijn aangezicht heen.
38 Versta dit van de vleugelen waarmede zij vlogen; en vgl. vers 11. verwijsteksten
39 Hebr. de vrouw aan haar zuster, dat is, aan elkander, alzo vers 23. Ex. 26:3, 5, 6. Ez. 3:13. Deze samenvoeging schijnt te betekenen de onderlinge vriendschap en vrede, die onder de heilige engelen is in het uitvoeren van hun diensten. verwijsteksten
40 Dat is, zij weken niet af van den weg dien God hun bevolen had, maar gingen gelijkelijk daarin voort. Alzo vss. 12, 17. verwijsteksten
41 Dat is, zij gingen recht henen door, een eenparige streek houdende, naar de plaats die voor hun aangezicht was en tot dewelke zij komen moesten. De betekenis is, dat de heilige engelen in het werk, hun van God bevolen, zonder enig omzien voortgaan, en door geen beletsel afgekeerd worden.
 
10 dDe gelijkenis nu van hun aangezicht was het aangezicht eens 42mensen, en het aangezicht eens 43leeuws hadden 44zij vier aan de rechterzijde; en ter linkerzijde hadden die vier eens 45ossen aangezicht; ook hadden die vier eens 46arends aangezicht.
d Ez. 10:14. Openb. 4:7. verwijsteksten
42 Te weten van voren. Zie de betekenis op vers 5. Merk dat elk dier vier aangezichten had, van voren het aangezicht van een mens, van achteren het aangezicht van een arend, ter rechterzijde het aangezicht van een leeuw, ter linkerzijde het aangezicht van een os. verwijsteksten
43 Te weten om daarmede te betekenen dat de engelen zeer sterk zijn. Van der leeuwen sterkte zie Richt. 14:18. Spr. 30:30. Van der heilige engelen 2 Kon. 19:35. Kol. 1:16, die ook sterker zijn dan de duivelen, overmits zij die overwinnen, tegen hen strijdende, Dan. 10:13. Openb. 12:7, 8, 9. verwijsteksten
44 Te weten dieren.
45 Dit betekent de dienstbare volharding der heilige engelen in het uitvoeren der lasten hun van God opgelegd.
46 Te weten van achteren, gesteld tegen des mensen aangezicht, dat van voren was. Versta hierdoor der engelen snelheid en wakkerheid in het werken.
 
11 47Ook waren hun aangezichten en 48hun vleugelen opwaarts 49verdeeld; 50elkeen had er 51twee 52samengevoegd aan de andere, 53en twee bedekten hun lichamen.
47 Anders: Dit, of Zo waren hun aangezichten; maar hun vleugelen waren opwaarts, enz.
48 Versta de twee vleugelen waarmede zij vlogen, die zij ophieven alsof zij vliegen wilden.
49 Dat is, onderscheidenlijk opgeheven en uitgestrekt tot God, Die boven de vier dieren op een hogen troon in eens mensen gedaante zat. Waarmede betekend is, dat de heilige engelen met al hun zinnen en genegenheden wakker zijn om de bevelen Gods te ontvangen en uit te voeren.
50 Te weten der dieren.
51 Te weten vleugelen.
52 Zie vers 9 en de aantt. verwijsteksten
53 Zie de aant. op vers 6. verwijsteksten
 
12 54En zij gingen elkeen rechtuit voor zijn aangezicht heen; waarheen de 55Geest was om te gaan, gingen zij; 56zij keerden zich niet om als zij gingen.
54 Zie op vers 9. verwijsteksten
55 Versta den Geest en de kracht Gods, Die van den Vader door den Zoon werkt, Zach. 4:6, en door Welken deze dieren bewogen en geregeerd werden. Vgl. Ez. 2 op vers 2; 3:14; 8:3; 11:1, 5; 43:5. verwijsteksten
56 Zie op vers 9. verwijsteksten
 
13 Aangaande de gelijkenis der dieren, hun gedaante was als 57brandende kolen des vuurs, als de gedaante der 58fakkels; datzelve vuur 59ging steeds tussen die dieren; en het vuur had 60een glans en uit het vuur kwam een 61bliksem voort.
57 Dewelke niet alleen den profeet toonden, dat hier wat Goddelijks geschiedde, en dat deze dieren geen gewone dieren, maar engelen Gods waren; dan ook betekenden den brand der Goddelijke wraak, waarvan deze engelen snelle en schrikkelijke uitvoerders zouden wezen. Vgl. Ps. 18:9; 140:11, alwaar brandende kolen Gods straffen betekenen. verwijsteksten
58 Vgl. Dan. 10:6. verwijsteksten
59 Of: deed zichzelven gaan, dat is, ging voort en voort, met steeds nieuwe vlammen vuur uit te schieten. Waarmede kan verstaan worden de gedurige beweging der engelen om Gods toorn uit te richten, mitsgaders het gestadige voornemen Gods, genegen om de boosheid der Joden te straffen.
60 Betekenende de zuiverheid van Gods gerechtigheid, die in Zijn oordelen klaarlijk blijkt.
61 Versta hierdoor eensdeels de vreselijke verschrikkingen die uit de rechtvaardige straffen Gods over de mensen vallen; anderdeels de onbegrijpelijke snelheid die de engelen gebruiken in het uitvoeren derzelver straffen. Vgl. Matth. 24:27. verwijsteksten
 
14 De dieren nu liepen en 62keerden weder, als de gedaante van een weerlicht.
62 Te weten niet met zich van enig begonnen werk af te wenden door vermoeidheid, maar met zich weder te vertonen voor God, als hun werk gedaan is, bereid zijnde weder nieuwe bevelen te ontvangen. Van het eerste worden zij vrijgesproken, vss. 9, 12, en dit laatste wordt hun hier toegeschreven. verwijsteksten
 
15 Als ik die dieren zag, zie, zo was er een 63rad op de aarde 64bij die dieren, naar 65vier aangezichten 66van hetzelve.
63 Hetwelk, naar sommiger gevoelen, betekende de wereld, die hier op de aarde vele veranderingen onderworpen is, gelijk een lopend rad, waarin dikwijls het bovenste onder en het onderste boven komt. Zie Ez. 10:13. verwijsteksten
64 Versta dat elk dier een rad had, zodat er vier raderen waren. Zie vers 16. Ez. 10:9, 12. verwijsteksten
65 Dat is, zijden of hoeken, met dewelke zij tegen de vier winden der wereld zagen. Want elk rad was tweevoudig, zijnde een rad in een ander overdwars samengevoegd, zodat die twee samengehechte raderen den vorm van een kloot of kogel hadden, en vier zijden, op dewelke zij van de engelen naar de vier hoeken der aarde konden gerold en bewogen worden, nu naar den enen en dan naar den anderen hoek.
66 Te weten van het rad, of van elkeen der dieren.
 
16 eDe gedaante der raderen en derzelver 67maaksel was als de verve van een 68turkoois; en die vier hadden 69enerlei gelijkenis; daartoe was hun gedaante en hun maaksel 70alsof het ware een rad in het midden van een rad.
e Ez. 10:9, 10. verwijsteksten
67 Of: werk, dat is, vorm en fatsoen. Alzo is dit woord genomen 1 Kon. 7:17, 19, 26, 33. Zo ook hier in het navolgende. verwijsteksten
68 Zie Hoogl. 5 op vers 14. verwijsteksten
69 Waardoor beduid werd dat de wereld overal zichzelve gelijk is, te weten ongestadig en vergankelijk. Sommigen duiden deze gelijkheid op de dieren.
70 Zie het voorgaande vers op de woorden vier aangezichten. De betekenis hiervan is, hoewel de wereld door Gods beleid zeer wijselijk geregeerd wordt, dat nochtans daarin overal vele dingen, wanneer het God naar Zijn rechtvaardig oordeel belieft, in het gemeen en in het bijzonder, zeer haast verward en omgekeerd worden, die Hij wel weet tot Zijn eer en de zaligheid der Zijnen terecht te brengen.
 
17 Als zij gingen, zij gingen 71op hun vier zijden; zij 72keerden zich niet om als zij gingen.
71 Te weten óf naar het voorste deel, waar het mensenaangezicht was, óf naar het achterste deel, waar des arends aangezicht stond, óf naar het rechterdeel, dat des leeuws aangezicht had, óf naar het linkerdeel, waar des ossen aangezicht stond, zodat er in het gaan geen omkering was, volgende het aangezicht van het dier of den cherub. Hetzelve wordt ook van de dieren gezegd vss. 9, 12. verwijsteksten
72 Zie op vers 9. verwijsteksten
 
18 En hun 73velgen, 74die waren zo hoog, dat zij vreselijk waren; en fhun velgen waren vol 75ogen rondom aan die vier raderen.
73 Hebr. ruggen. Versta de randen of het ijzeren beslag van elk rad, die het uiterste en hoogste deel daarvan zijn; betekenende de grootste, hoogste en vreselijkste dingen der wereld; en dat deze alle onder Gods macht staan en van Hem door den dienst Zijner engelen geregeerd worden.
74 Hebr. en hoogte hadden zij, en vreselijkheid hadden zij, dat is, zij waren zo hoog, dat zij vreselijk waren of vrees veroorzaakten.
f Ez. 10:12. verwijsteksten
75 Deze wijzen ons op de voorzienigheid Gods, Die alle dingen op de aarde ziet en regeert. Vgl. 2 Kron. 16:9. Job 34:21. Ps. 33:18. Jer. 16:17. Zach. 3:9; 4:10. verwijsteksten
 
19 g76Als nu de dieren gingen, gingen de raderen bij hen; en als de dieren van de aarde opgeheven werden, werden de raderen opgeheven.
g Ez. 10:16. verwijsteksten
76 Dit betekent ons, dat de veranderingen die in deze wereld geschieden, van God door den dienst Zijner heilige engelen geregeerd worden; waarvan het beleid, hoewel het voor ons ten meesten dele onbegrijpelijk is, nochtans rechtvaardig is.
 
20 Waarheen de 77Geest was om te gaan, gingen 78zij, 79waarheen de Geest was om te gaan; en de raderen werden tegenover 80hen opgeheven; want 81de Geest der 82dieren was in de raderen.
77 Zie vers 12 en de aant. verwijsteksten
78 Te weten de raderen.
79 Hij herhaalt hetzelve om de zaak te meer te verklaren en te verzekeren.
80 Te weten de dieren, met welker opheffing de raderen onder hen ook opgeheven werden.
81 De zin is, dat de raderen bewogen en gedreven werden door een Geest, door Welken de dieren bewogen en gedreven waren, namelijk door den Geest Gods.
82 Hebr. des diers. Een enkelvoud voor een meervoud. Alzo vss. 21, 22. Anders: een geest des levens was in de raderen. verwijsteksten
 
21 Als 83die gingen, gingen 84deze; en als die 85stonden, stonden zij; en 86als die van de aarde opgeheven werden, werden de raderen tegenover hen opgeheven; want de 87Geest 88der dieren was in de raderen.
83 Te weten dieren. Alzo in het volgende.
84 Te weten raderen. Alzo vervolgens.
85 Dat is, niet meer bewogen werden noch voortgingen. Versta hierbij dat de engelen hun werk uitgericht hebbende, in stilheid verwachten andere lasten, die God hun zou mogen opleggen.
86 Zie op het einde van vers 20. verwijsteksten
87 Zie op vers 12. verwijsteksten
88 Hebr. des diers, als vers 20. verwijsteksten
 
22 En over de hoofden 89der dieren was de gelijkenis eens 90uitspansels, gelijk 91de verve van het 92vreselijke kristal, van boven af over hun hoofden uitgespreid.
89 Hebr. des diers, als tevoren.
90 Wat het uitspansel van God in den beginne geschapen, eigenlijk is, kan men zien Gen. 1 op vers 6. Hier wordt nu gesproken van een gelijkenis deszelven uitspansels, die den profeet in dit gezicht vertoond is geweest, en dienvolgens niet was een zaak die in haar natuur en wezen gedurig bleef, maar een gedaante daarvan. verwijsteksten
91 Hebr. oog. Zie op vers 4. verwijsteksten
92 Of: van vreselijk ijs. Want het woord kerach wordt meest voor ijs genomen; maar het is hier van de uitleggers met kristal overgezet; gelijk ook hetzelve is als ijs in een steen verhard, zeer helder, klaar en doorluchtig; zodat de gedaante van dit uitspansel is geweest als een doorschijnend ijs, van zulke nette helderheid, dat het schrikkelijk was om te zien, waarom ook hetzelve hier vreselijk genaamd wordt. Dit uitspansel was over de hoofden der dieren of engelen; te verstaan gevende dat de Heere al wat daaronder was, daardoor bekwamelijk kon zien, en dat de engelen Zijn majesteit, die daarboven was, enigszins konden aanschouwen.
 
23 En onder dat uitspansel waren hun vleugelen 93rechtop, 94de een aan den ander; 95ieder had er twee 96die herwaarts hun lichamen bedekten, en 97ieder had er twee 98die ze derwaarts bedekten.
93 Dat is, opwaarts verheven. Zie op vers 6 en vgl. vers 11. verwijsteksten
94 Hebr. de vrouw aan haar zuster. Zie op vers 9. verwijsteksten
95 Versta dit van de andere twee vleugelen, die elkeen dezer dieren had nederwaarts hangende tot bedekking van hun lichamen. Zie op vers 6. verwijsteksten
96 Dat is, waarvan de ene bedekte hun ene zijde, te weten de voorste, en de andere de andere zijde, te weten de achterste. Want deze dieren hadden maar vier vleugelen; waarvan de twee opperste verheven stonden, waarmede zij vlogen, en de andere twee nederhingen, om daarmede hun lichamen te bedekken.
97 De herhaling van een of meer woorden geschiedt naar de wijze van spreken der Hebreeën, wanneer zij enige verdeling maken. Zie Gen. 7 op vers 2. verwijsteksten
98 Dat is, waarvan de andere vleugel de achterste zijde hunner lichamen bedekte.
 
24 En als zij gingen, hoorde ik een 99geruis hunner vleugelen als het geruis van vele wateren, als 100de stem des Almachtigen, als de stem eens geroeps, als het gedeun eens heirlegers; als zij 1stonden, zo lieten zij hun vleugelen neder.
99 Dit velerlei geluid betekent eensdeels een heilige toestemming en lofzegging der engelen, anderdeels dat de oordelen Gods die Hij tegen de goddelozen door Zijn engelen uitvoert, zeer schrikkelijk zijn, zodat een ieder zich daarvoor moet ontzetten.
100 Versta hierbij: wanneer Hij spreekt, uit Ez. 10:5. Sommigen verstaan het van het geklater of gerommel van den donder. Zie Ps. 29:3. verwijsteksten
1 Zie op vers 21. verwijsteksten
 
25 En er geschiedde een 2stem van boven het uitspansel, hetwelk boven 3hun hoofden was, als zij stonden en hun vleugelen nedergelaten hadden.
2 Te weten waardoor de profeet opgewekt werd om toe te luisteren en de bevelen Gods met eerbied en gehoorzaamheid te ontvangen. Vgl. Ex. 19:16. Openb. 1:10. verwijsteksten
3 Te weten der vier dieren.
 
26 En boven het uitspansel hetwelk was boven hun hoofden, was de gelijkenis eens 4troons, als de gedaante van een 5saffiersteen; en op de gelijkenis des troons was de gelijkenis als de gedaante eens 6mensen, daar 7bovenop zijnde.
4 Deze betekende een koninklijke majesteit en de macht van een oppersten rechter, Gen. 41:40. 1 Kon. 1:13; 7:7. Spr. 20:8. verwijsteksten
5 Welks kleur is hemelsblauw, blinkende met gouden stipjes. Zie Job 28 op vers 16. Hij betekende een hemelsen troon vol majesteit en heerlijkheid. Vgl. Ex. 24:10. verwijsteksten
6 Dewelke was een afbeelding van de majesteit Gods. Vgl. Jes. 6 op vers 1. Sommigen duiden het bijzonderlijk op de majesteit van onzen Heere Jezus Christus, waarachtig God en Mens in enigheid des Persoons, de enige Middelaar aller gelovigen en Rechter aller mensen, Die Ez. 8:6 den tempel Zijn heiligdom noemt, en hier vers 28 de Heere geheten wordt. verwijsteksten
7 Te weten als een eeuwige Koning en overste Rechter, 2 Sam. 7:13. Ps. 45:7. Matth. 25:31. Luk. 1:32, 33. Joh. 5:22, 27. Hand. 10:42; 17:31. verwijsteksten
 
27 En ik zag 8als de verve van 9hasmal, als de gedaante 10van vuur 11rondom daarbinnen, van de gedaante Zijner lendenen en opwaarts; en van de gedaante Zijner lendenen en nederwaarts zag ik als de gedaante van vuur, en 12glans aan Hem rondom.
8 Namelijk rondom Dien Die boven het uitspansel in den troon zat.
9 Zie op vers 4. verwijsteksten
10 Waarmede betekend werd de eeuwige Godheid, Die een verterend Vuur genaamd wordt, Deut. 4:24. Zie de aant. aldaar. verwijsteksten
11 Dat is, rondom binnen de kleur van hasmal; zodat het scheen dat Die in den troon zat, van Zijn lendenen af tot het hoofd toe opwaarts en tot de voeten nederwaarts, omgeven was met brandende hasmal.
12 Hetwelk betekende dat God woont in een licht, tot hetwelk niemand toegaan kan, 1 Tim. 6:16; en evenwel een Licht der vertroosting en zaligheid blijft voor al de Zijnen, dat is, de ware gelovigen, Ps. 27:1. Jes. 60:20. Micha 7:8. verwijsteksten
 
28 Gelijk de gedaante van den boog die in de wolk is ten dage des plasregens, 13alzo was de gedaante van den glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis der 14heerlijkheid des HEEREN; en hals ik het zag, 15viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een Die sprak.
13 De gelijkenis van den regenboog diende om de majesteit Desgenen Die op den troon zat, en den eerbied van den profeet jegens dezelve te vermeerderen. Men kan daardoor ook verstaan een teken der genade, die God in het straffen den boetvaardigen bewijzen zou.
14 Te weten waarmede God Zich in dit gezicht vertoonde, van dewelke zie ook Ex. 16:7. Lev. 9 op vers 6. Num. 14 op vers 10. Ez. 3:23; 8:4; 9:3, enz. Zo is dan hiermede Gods heerlijke tegenwoordigheid te verstaan, en vervolgens Hij Zelf. verwijsteksten
h Dan. 10:9. verwijsteksten
15 Te weten ontzet zijnde door die schrikkelijke vertoning der Goddelijke Majesteit, en genegen zijnde om Dezelve met aanroeping te vereren. Vgl. Gen. 17 op vers 3. verwijsteksten

Einde Ezechiël 1