Statenvertaling.nl

sample header image

Jeremia 30 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Jeremia 30

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Profetie van de verlossing
1 HET woord dat tot Jeremía geschied is van den HEERE, zeggende:
2 Zo spreekt de HEERE, de God Israëls, zeggende: Schrijf u al de woorden die Ik tot u gesproken heb, in een boek.
3 Want zie, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik de gevangenis van Mijn volk, Israël en Juda, wenden zal, zegt de HEERE; en Ik zal hen wederbrengen in het land dat Ik hun vaderen gegeven heb, en zij zullen het erfelijk bezitten.
4 En dit zijn de woorden die de HEERE gesproken heeft van Israël en van Juda.
5 Want zo zegt de HEERE: Wij horen een stem der verschrikking; er is vrees en geen vrede.
6 Vraagt toch en ziet of een manspersoon baart! Waarom zie Ik dan eens iegelijken mans handen op zijn lendenen, als van een abarende vrouw, en alle aangezichten veranderd in bleekheid? a Jer. 4:31; 6:24. verwijsteksten
7 bO wee; want die dag is zo groot, dat zijns gelijke niet geweest is; en het is een tijd van benauwdheid voor Jakob; nog zal hij daaruit verlost worden. b Joël 2:11. Zef. 1:15. verwijsteksten
8 Want het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE der heirscharen, dat Ik zijn juk van uw hals verbreken en uw banden verscheuren zal; en vreemden zullen zich niet meer van hem doen dienen.
9 Maar zij zullen dienen den HEERE hun God, en hun Koning cDavid, Dien Ik hun verwekken zal. c Ez. 34:23, 24; 37:24. Hos. 3:5. verwijsteksten
10 Gij dan, vrees niet, do Mijn knecht Jakob, spreekt de HEERE, ontzet u niet, Israël; want zie, Ik zal u uit verre landen verlossen, en uw zaad uit het land hunner gevangenis; en Jakob zal wederkomen en stil en gerust zijn, en er zal niemand zijn die hem verschrikke. d Jes. 41:13; 43:5; 44:1. Jer. 46:28. verwijsteksten
11 Want Ik ben met u, spreekt de HEERE, om u te verlossen; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen waarheen Ik u verstrooid heb, emaar met u zal Ik geen voleinding maken; maar Ik zal u kastijden met fmate en u niet gans onschuldig houden. e Jer. 4:27; 5:10, 18; 46:28. f Jes. 27:8. Jer. 10:24. verwijsteksten
12 Want zo zegt de HEERE: Uw breuk is gdodelijk, uw plaag is smartelijk. g Jer. 10:19; 15:18. verwijsteksten
13 Er is niemand die uw zaak oordeelt aangaande het gezwel; gij hebt geen heelpleisters.
14 Al uw hliefhebbers hebben u vergeten, zij vragen niet naar u; want Ik heb u geslagen met eens vijands plaag, met de kastijding eens wreden; om de grootheid uwer ongerechtigheid, omdat uw zonden machtig veel zijn. h Jer. 22:20. verwijsteksten
15 Wat ikrijt gij over uw breuk, dat uw smart dodelijk is? Om de grootheid uwer ongerechtigheid, omdat uw zonden kmachtig veel zijn, heb Ik u deze dingen gedaan. i Jer. 13:17. k Jer. 5:6. verwijsteksten
16 Daarom, allen die u opeten, zullen lopgegeten worden, en al uw wederpartijders, zij allen, zullen gaan in gevangenis; en die u beroven, zullen ter beroving zijn, en allen die u plunderen, zal Ik ter plundering overgeven. l Ex. 23:22. Jes. 41:11. Jer. 10:25. verwijsteksten
17 Want Ik zal u de gezondheid doen rijzen, en u van uw plagen genezen, spreekt de HEERE; omdat zij u noemen: De verdrevene. Het is Sion, zeggen zij, niemand vraagt naar haar.
18 Zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal de gevangenis der tenten Jakobs wenden en Mij over hun woningen ontfermen; en de stad zal herbouwd worden op haar hoop en het paleis zal liggen naar zijn wijze.
19 En van hen zal dankzegging uitgaan, en een stem mder spelenden; en Ik zal hen vermeerderen en zij zullen niet verminderd worden, en Ik zal hen verheerlijken, en zij zullen niet gering worden. m Jer. 31:4. verwijsteksten
20 En zijn zonen zullen zijn als eertijds, en zijn gemeente zal voor Mijn aangezicht bevestigd worden; en Ik zal bezoeking doen over al zijn onderdrukkers.
21 En zijn Heerlijke zal uit hem zijn, en zijn Heerser uit het midden van hem voortkomen; en Ik zal Hem doen naderen, en Hij zal tot Mij genaken; want wie is hij die met zijn hart borg worde om tot Mij te genaken? spreekt de HEERE.
22 En gij zult nMij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn. n Jer. 24:7; 31:1, 33; 32:38. verwijsteksten
23 Zie, een oonweder des HEEREN, een grimmigheid, is uitgegaan, een aanhoudend onweder; het zal blijven op het hoofd der goddelozen. o Jer. 23:19; 25:32. verwijsteksten
24 De hittigheid van des HEEREN toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij gedaan en totdat Hij daargesteld zal hebben de gedachten Zijns harten; in het laatste der dagen zult gij daarop letten.

Einde Jeremia 30