Statenvertaling.nl

sample header image

Jeremia 2 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Jeremia 2

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

God stelt Zijn volk zeer beweeglijk voor ogen de weldaden die Hij hun van den beginne af bewezen heeft, en klaagt heftiglijk over hun gruwelijke, gedurige en gans onredelijke afgodische ondankbaarheid, vs. 1, enz. Diergelijke onder de heidenen niet te vinden is, 10. Over hun schrikkelijke en dubbele boosheid, 12. Waardoor zij zelven de oorzaak zijn van hun ellenden, 14. Verwijt van hun vergeefs lopen naar Egypte en Assur, 18, 36. Insgelijks van hun ongebonden, onbeschaamde, hardnekkige, menigvuldige, en meer dan heidense afgoderij en schandelijk vergeten en verlaten van God, 20. Insgelijks bloedvergieten en huichelarij, 34.
 
Israëls ontrouw
1 EN des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:
2 Ga en roep voor de oren van 1Jeruzalem, zeggende: Zo zegt de HEERE: 2Ik gedenk der weldadigheid 3uwer jeugd, der liefde uwer ondertrouw, toen gij Mij nawandeldet in de woestijn, in 4onbezaaid land.
1 Dat is, van de inwoners van Jeruzalem, gelijk Jer. 1:3, enz. verwijsteksten
2 Hebr. Ik gedenk u, enz. Zie Ps. 79 op vers 8. verwijsteksten
3 Dat is, der weldadigheid of goedertierenheid, die Ik u bewezen heb in uw jeugd; alzo der liefde uwer ondertrouw, dat is, die Ik u bewezen heb als Ik u trouwde, dat is, als Ik u eerst tot Mijn volk aannam in Egypte, en daarna Mijn verbond met u maakte aan Horeb. Vgl. Ez. 16:8, 22, en zie aangaande de manier van spreken Ps. 59:11; 106:4. Jes. 26:11. Insgelijks Jer. 51:35. Joël 3:19. Obadja vs. 10. Jona 2:8, met de aant., enz. verwijsteksten
4 Vgl. vers 6. verwijsteksten
 
3 Israël was den HEERE een 5heiligheid, de eerstelingen Zijner inkomst; allen die hem 6opaten, werden 7voor schuldig gehouden; 8kwaad kwam hun over, spreekt de HEERE.
5 Van Hem tot Zijn volk geheiligd en van alle andere volken afgezonderd; gelijk de eerstelingen der vruchten Hem geheiligd waren. Zie Ex. 19:4, 5, 6. verwijsteksten
6 Dat is, zochten op te eten, dat is, te verderven, die hem leed deden. Vgl. Neh. 6 op vers 9. Ps. 14 op vers 4; 79 op vers 7. verwijsteksten
7 En als zodanigen gestraft; gelijk de volgende woorden verklaren.
8 Te weten der straf, dat is, ellende, verderf; als gebleken is aan de Egyptenaars, Amalekieten, de koningen Sihon en Og, Midianieten en Kanaänieten.
 
4 Hoort des HEEREN woord, gij huis Jakobs, en alle geslachten van het huis Israëls.
5 Zo zegt de HEERE: aWat voor onrecht hebben uw vaders aan Mij gevonden, dat zij verre van Mij geweken zijn; en hebben de 9ijdelheid nagewandeld en zij zijn ijdel geworden?
a Micha 6:3, 4. verwijsteksten
9 Dat is, de afgoden, die niets dan ijdelheid zijn, en afgodendienaars in hun gedachten verijdelen en in hun hoop bedriegen. Vgl. vss. 8, 11. 2 Kon. 17 op vers 15. Ps. 62 op vers 11. verwijsteksten
 
6 En 10zeiden niet: Waar is de HEERE, Die ons opvoerde uit Egypteland, Die ons leidde in de woestijn, in een land van 11wildernissen en kuilen, in een land van dorheid en 12schaduw des doods, in een land waar niemand doorging en waar geen mens woonde?
10 Te weten bij zichzelven, dat is, dachten niet, alzo vers 8. verwijsteksten
11 Hebr. der wildernis en des kuils of der groeve, dat is, woest en kuilachtig, dat is, ongelijk, oneffen, ongebaand; sommigen verstaan door den kuil het graf, dat is, zulk een land, waarin vanwege gebrek van alles (vers 2) voor de passanten niets dan de dood en het graf te verwachten was, tenware God het wonderlijk voorzien had. verwijsteksten
12 Zie Ps. 23 op vers 4. verwijsteksten
 
7 En 13Ik bracht u in een 14vruchtbaar land, om de vrucht van hetzelve en het goede ervan te eten; maar toen gij daarin kwaamt, verontreinigdet gij Mijn land en steldet Mijn 15erfenis tot een 16gruwel.
13 Dit zijn weder Gods woorden.
14 Hebr. karmel. Zie 2 Kon. 19 op vers 23. Alzo Jer. 4:26; 48:32, enz. Versta Kanaän. verwijsteksten
15 Zie Ps. 68 op vers 10. verwijsteksten
16 Bedrijvende daarin allerlei gruwelijke afgoderij, als volgt.
 
8 De priesters zeiden niet: Waar is de HEERE? En b17die de wet handelden, kenden Mij niet, en de herders 18overtraden tegen Mij; en de profeten profeteerden 19door Baäl, en wandelden na dingen die 20geen nut doen.
b Rom. 2:20. verwijsteksten
17 Als priesters, Levieten, schriftgeleerden, die de wet Gods, of de Heilige Schrift, het volk zouden leren en verklaren. Zie Ezra 7:6. Neh. 8:1, 3, 7, 8, enz. Mal. 2:6, 7. verwijsteksten
18 Anders: vielen van Mij af. Zie 1 Kon. 8:50; 12 op vers 19. verwijsteksten
19 Dat is, in Baäls naam. Zie Richt. 2 op vers 11. verwijsteksten
20 Dat is, de afgoden en menselijke inzettingen, alzo vers 11, die vers 5 ijdelheid genoemd worden, en eigengehouwen bakken, die geen water houden, vers 13. verwijsteksten
 
9 Daarom zal Ik nog met ulieden twisten, spreekt de HEERE, ja, met uw kindskinderen zal Ik twisten.
10 Want gaat over in de eilanden der 21Chittieten en ziet toe, en zendt naar 22Kedar en merkt er 23wel op; en ziet of desgelijks geschied zij.
21 Zie Gen. 10 op vers 4. Num. 24 op vers 24. verwijsteksten
22 Zie Gen. 25 op vers 13. Ps. 120:5, 6. Hoogl. 1:5. Jer. 49:28. Men houdt het voor contreien in Woest- en Steenachtig-Arabië. Vgl. Ez. 27:21. verwijsteksten
23 Hebr. zeer.
 
11 Heeft ook een volk de goden veranderd, hoewel dezelve geen goden zijn? Nochtans heeft Mijn volk zijn c24Eer veranderd in hetgeen dat geen nut doet.
c Ps. 106:20. verwijsteksten
24 Dat is, den waren God en godsdienst, in afgoden en afgoderij. Zie Ps. 106:20 met de aant. verwijsteksten
 
12 Ontzet u hierover, gij d25hemelen, en 26zijt verschrikt, 27wordt zeer woest, spreekt de HEERE.
d Deut. 32:1. Jes. 1:2. verwijsteksten
25 Zie Deut. 4 op vers 26. verwijsteksten
26 Eigenlijk: laat de haren oprijzen, of: zijt bewogen.
27 Door intrekking of verlies van het hemelse licht.
 
13 Want Mijn volk heeft twee boosheden gedaan: Mij, de e28Springader des 29levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelven 30bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden.
e Hoogl. 4:15. Jer. 17:13. verwijsteksten
28 Den Auteur en Oorsprong van de ware gelukzaligheid, alle zalige en bestendige hulp, den heilzamen troost en het eeuwige leven. Vgl. Joh. 4:14, enz. verwijsteksten
29 Zie Gen. 26 op vers 19, en vgl. Ps. 36 op vers 10. verwijsteksten
30 Of: cisternen. Vgl. op vers 8. verwijsteksten
 
14 Is dan Israël een 31knecht? Of is hij een 32ingeborene des huizes? Waarom 33is hij dan ten roof geworden?
31 Dat hij aldus van vijanden behandeld wordt, alsof hij een knecht en slaaf ware.
32 Dat is, slaaf, knecht, die ook een zoon des huizes genoemd wordt. Zie Gen. 15 op vers 3; 17:13. verwijsteksten
33 God spreekt van de nakende straffen alsof zij bereids Zijn volk waren overkomen, vanwege de ongetwijfelde zekerheid van dien. Alzo in het volgende en elders dikwijls.
 
15 fDe jonge 34leeuwen hebben over hem gebruld, zij hebben hun stem 35verheven; en zij hebben zijn land gezet in gverwoesting; zijn steden zijn verbrand, dat er niemand in woont.
f Jes. 5:29. Jer. 4:7. verwijsteksten
34 De vijanden, te weten de Babyloniërs.
35 Hebr. gegeven, dat is, geluid, geschrei gemaakt, gelijk een wild dier doet over den roof.
g Jer. 4:7. verwijsteksten
 
16 Ook hebben u de 36kinderen van Nof en 37Tachphanes den 38schedel afgeweid.
36 Dat is, de Egyptenaars. Zie van deze beide steden Jes. 19:13; 30:3, 4. Insgelijks Jer. 43:7. verwijsteksten
37 Zie Jer. 43:7, 8. Insgelijks Ez. 30:18 met de aant. De woorden zijn in het Hebreeuws wat anders geschreven. verwijsteksten
38 In plaats dat gij meent van hen geholpen te worden, zullen zij u bederven, inzonderheid in de zuidergrenzen, gelegen naar Egypte. Anders: verbroken, verpletterd.
 
17 Doet gij u dit niet zelven, doordien gij den HEERE uw God verlaat, ten tijde als Hij u op den 39weg leidt?
39 Als Hij u den rechten weg of in Zijn weg leidt, door de leringen en vermaningen Zijner dienstknechten.
 
18 En nu, wat 40hebt gij te doen met den weg van hEgypte, om de wateren van den 41Sichor te drinken? En wat hebt gij te doen met den weg van Assur, om de wateren der 42rivier te drinken?
40 Hebr. wat is u, of: wat hebt gij, te weten te doen? Vgl. Richt. 11 op vers 12. 2 Sam. 16 op vers 10. De zin is: Wat loopt en reist gij dus naar Egypte of Assyrië om hulp, alsof Ik u niet helpen kon? Vgl. vers 36. verwijsteksten
h Jes. 31:1. verwijsteksten
41 Zie Joz. 13 op vers 3. Jes. 23:3. verwijsteksten
42 Eufraat.
 
19 Uw iboosheid 43zal u kastijden en uw afkeringen zullen u straffen; weet dan en zie, dat het kwaad en bitter is dat gij den HEERE uw God verlaat, en Mijn vreze niet bij u is, spreekt de Heere, de HEERE der 44heirscharen.
i Jes. 3:9. Hos. 5:5. verwijsteksten
43 Dat is, gij zult om uw boosheid gestraft worden. Of: Laat uw boosheid u tuchtigen, enz., dat is, de vruchten uwer boosheid u onderwijzen en overtuigen dat gij misdaan hebt.
44 Zie 1 Kon. 18 op vers 15. verwijsteksten
 
20 45Als Ik 46vanouds uw 47juk verbroken en uw banden 48verscheurd had, zo zeidet gij: Ik zal niet 49dienen. Maar op allen hogen heuvel en onder allen groenen boom 50loopt gij om, 51hoererende.
45 Of: Omdat Ik, enz.
46 Of: in voortijden. Alzo wordt het Hebreeuwse woord olam (dat anders eeuwigheid, insgelijks een langen toekomstigen tijd, ook den tijd van des mensen leven betekent) ook dikwijls genomen voor langverleden tijden, zaken vanouds, enz. Zie Gen. 6:4. Deut. 32:7. Jes. 57:11. Jer. 6:16; 18:15; 28:8. Ez. 26:20, enz. verwijsteksten
47 Versta der dienstbaarheid en slavernij in Egypte.
48 Of: afgetrokken, afgerukt.
49 Te weten de afgoden. Anders: Ik zal niet overtreden. Vgl. de beloften die zij God gedaan hebben Ex. 19:8; 24:3. Joz. 24:16, enz. Maar (wil de Heere zeggen) gij hebt geen woord gehouden, want, enz. verwijsteksten
50 Vergelijk deze betekenis van het Hebreeuwse woord met Jes. 51:14; 63:1. Jer. 48:12. Anders: ligt gij of strekt gij u neder, wentelt gij u. verwijsteksten
51 Vgl. vers 23. Dat is, afgoderij bedrijvende. Zie Lev. 17 op vers 7. Deut. 12 op vss. 2, 3. Of: gij hoer. verwijsteksten
 
21 Ik had u toch kgeplant, een edelen wijnstok, een geheel 52getrouw zaad; hoe zijt gij Mij dan veranderd in 53verbasterde ranken van een 54vreemden wijnstok?
k Ex. 15:17. Ps. 44:3; 80:9. verwijsteksten
52 Hebr. zaad der waarheid of getrouwheid, dat is, een rechten goeden stok, een oprechte plant, die goed zaad, dat is, goede vruchten, die het zaad in zich dragen, voortbracht. Vgl. Jes. 1:21; 5:2. Anders: welks ganse zaad waarheid zou zijn; in denzelfden zin. verwijsteksten
53 Hebr. eigenlijk: afwijkende, dat is, ontaarde, bastaard-ranken.
54 Of: uitlandsen.
 
22 Want al l55wiest gij u met 56salpeter en naamt u veel zeep, zo is toch uw ongerechtigheid voor Mijn aangezicht 57getekend, spreekt de Heere HEERE.
l Job 9:30. verwijsteksten
55 Dat is, al uw huichelachtige voorwendsels, excuses, vijgenbladeren, waarmede gij uw boosheid zoekt te bedekken, kunnen u niet helpen.
56 Hebr. nether, dat is, niter, salpeter, bergzout.
57 Of: gemerkt, dat zij voor Mij niet verduisterd kan worden, gelijk het fijne goud zijn merk heeft. Het Hebreeuwse woord wordt alleenlijk hier alzo gevonden, komende van een ander, dat fijn goud betekent en bij de Hebreeën ook genomen wordt voor een merk, teken of vlek, waarbij men iets kan kennen; sommigen zetten het over: glinstert, of blinkt, als goud. Insgelijks: gevlekt.
 
23 Hoe zegt gij: Ik ben niet verontreinigd, ik heb de Baäls niet nagewandeld? Zie uw 58weg in het 59dal; ken wat gij gedaan hebt, gij lichte, 60snelle kemelin, die haar wegen 61verdraait.
58 Dat is, uw afgodisch wezen en doen.
59 Dit kan men in het gemeen verstaan van de dalen, Jes. 57:5, 6, of in het bijzonder van het dal van Hinnom, dicht bij Jeruzalem gelegen, waar zij hun gruwelijke afgoderij met den Molech bedreven. Zie 2 Kon. 23:10. Jer. 19:2, enz. verwijsteksten
60 Men houdt dat het Hebreeuwse woord bichra betekent een zekere soort van kleine of jonge kemelinnen, die zeer snel waren in het lopen, als de postpaarden, en alzo anderen voorliepen, gelijk de eerstgeborenen (waarvan bechor gebruikt wordt) de andere kinderen vóórkwamen. Vgl. Jes. 60:6. Daarom werd zulk een kemelin met een Grieks woord dromas, dat is, loopster genoemd; het woord dromedaris wordt in onze taal ook gebruikt. Hierbij vergelijkt God Israël, vanwege haar hittige loopsheid in alle afgoderij. verwijsteksten
61 Het Hebreeuwse woord wordt alleenlijk hier gevonden, komende van een ander, dat een schoenriem betekent. God wil zeggen, dat Israël heen en weder, om en wederom liep in afgoderij, gelijk een schoenriem heen en weder gesnoerd, geslingerd, ingewikkeld of verdraaid wordt.
 
24 Zij is een woudezel, 62gewend in de woestijn, naar den lust harer ziel 63schept zij den wind, wie zou haar ontmoeting afkeren? 64Allen die haar zoeken, zullen niet moede worden, in haar 65maand zullen zij haar vinden.
62 Hebr. geleerd, dat is, gewend, geoefend, ervaren, als Jer. 13:21, 23; 31:18. Hos. 10:11. De zin is, dat zij zo weinig in haar hittigheid te dwingen of te temmen is als een wilde woudezel. Zie Job 39:8. verwijsteksten
63 Of: slokt den wind in. Vgl. Jer. 14:6. Dat is, verkwikt en verlustigt zij zich bij alle gelegenheid (die zij zelve zoekt en najaagt) in haar geestelijke hoererij, zijnde zo onbeschaamdelijk hittig dat niemand haar weren of afslaan kan. Anders: schept zij den wind naar haar gelegenheid, wie zou haar afkeren? verwijsteksten
64 De afgodendienaars, die met haar willen boeleren, behoeven geen grote moeite te doen, zij is licht te vinden. Vgl. Ez. 16:33, 34; 23:40. verwijsteksten
65 De nieuwe maan, of maanstonden; want zij heeft alle eerbaarheid uitgetrokken. Zie Lev. 20:18. Sommigen verstaan dit van de afgoderij die zij op alle nieuwe maanden bedreven. verwijsteksten
 
25 66Bedwing uw voet van ontschoeiing en uw keel van dorst; maar gij zegt: 67Het is buiten hoop; neen, want ik heb de 68vreemden lief, en die zal ik nawandelen.
66 Dit zijn Gods woorden, Die Israël van haar onbeschaamde hittigheid afroept.
67 Het is vergeefs, het is verloren arbeid, ik wil dat niet doen.
68 Te weten afgoden.
 
26 69Gelijk een dief beschaamd wordt wanneer hij 70gevonden wordt, alzo 71zijn die van het huis Israëls beschaamd; zij, hun koningen, hun vorsten en hun priesters en hun profeten;
69 Hebr. Naar de schaamte van een dief. Vgl. Jer. 48:27. verwijsteksten
70 Dat is, op de daad betrapt en gegrepen wordt.
71 Of: zullen beschaamd worden. Anders: hebben zij het huis Israëls beschaamd, dat is, zullen zij beschamen, enz., men zal hen beschamen, dat is, zij zullen zekerlijk beschaamd worden.
 
27 Die tot een hout zeggen: Gij zijt mijn vader; en tot een steen: Gij hebt mij 72gegenereerd; want zij keren Mij den 73nek toe en niet het aangezicht; maar ten tijde huns 74kwaads zeggen zij: Sta op en verlos ons.
72 Of: gebaard.
73 Zij zijn afkerig van Mij en onwillig, wederstrevig geweest. Zie Jer. 7:24; 32:33, en vgl. Ex. 32:9. verwijsteksten
74 Der straf, als de gedreigde ellenden hun overkomen. Alzo in het volgende vers.
 
28 Waar zijn dan uw goden, die gij u gemaakt hebt? 75Laat ze opstaan, of ze u ten tijde uws kwaads zullen verlossen; want 76naar mhet getal uwer steden zijn uw goden, o Juda.
75 Vgl. Deut. 32:38. Richt. 10:14. verwijsteksten
76 Dat is, gij hebt zo menige bijzondere afgoden als gij steden hebt. Laat dan eens zien, of zij altezamen u kunnen helpen.
m Jes. 2:8. Jer. 11:13. verwijsteksten
 
29 Waarom twist gij tegen Mij? Gij hebt allen 77tegen Mij overtreden, spreekt de HEERE.
77 Zie vers 8. verwijsteksten
 
30 Tevergeefs heb Ik uw kinderen n78geslagen, zij hebben de o79tucht niet aangenomen; ulieder 80zwaard heeft uw profeten verteerd, als een 81verdervende leeuw.
n Jes. 1:5. Jer. 5:3. verwijsteksten
78 Zie Jes. 1:5. verwijsteksten
o Jer. 5:3. verwijsteksten
79 Zie Spr. 1 op vers 2. verwijsteksten
80 Zover is het vandaar dat gij Mijn bestraffingen zoudt hebben aangenomen, dat gij daarentegen de profeten die u van afgoderij afmaanden, als woedende wilde beesten vernield hebt; gelijk geschied is ten tijde van Asa, Joas en Manasse. Zie ook Matth. 23:29, enz. Luk. 11:47, enz.; 13:34. verwijsteksten
81 Of: vernielende. Zie van het Hebreeuwse woord Richt. 20 op vers 21. verwijsteksten
 
31 pO geslacht, 82aanmerkt toch gijlieden des HEEREN woord: 83Ben Ik Israël een woestijn geweest? Of een land der 84uiterste donkerheid? Waarom zegt dan Mijn volk: 85Wij zijn heren, wij zullen niet meer tot U komen?
p Matth. 23:26, enz. verwijsteksten
82 Hebr. ziet.
83 Heb Ik Israël zo kwalijk geleid en behandeld, of zijn zij zo kwalijk bij Mij gevaren, gelijk mensen die in een wildernis en duistere ongebaande wegen van honger, kommer, verdriet en verbijstering versmachten en verkwijnen? Immers (wil de Heere zeggen) is het tegendeel waarachtig. Zulk vragen loochent sterkelijk.
84 Hebr. donkerheid of duisternis des HEEREN. Het woordje JAH (naar het meeste gevoelen) tot vergroting of verzwaring der zaak daarbij gevoegd zijnde. Vgl. Gen. 13 op vers 10. Anders: een land dat de inwoners nederwerpt of doet vallen, dat is, door gebrek versmachten, omkomen; den zin op hetzelfde uitkomende. verwijsteksten
85 Of: Wij heersen, dat is, onze zaken staan wel, wij hebben ons rijk door vreemde hulp en verbonden vastgemaakt, wij hebben U nu niet meer vandoen, behoeven U niet meer te zoeken.
 
32 Vergeet ook een jonkvrouw haar versiersel, of een bruid haar 86bindselen? Nochtans heeft Mijn volk 87Mij qvergeten, 88dagen zonder getal.
86 Waarmede zij haar sieraad aanbindt. Sommigen houden het voor het sieraad van het hoofd, of den hals of de keel.
87 Ik, Die hun Eer en enig Sieraad ben. Zie op vers 11. 2 Sam. 1 op vers 19. verwijsteksten
q Jer. 3:21. verwijsteksten
88 Een zeer langen tijd.
 
33 Wat maakt gij uw weg goed, daar gij 89boelering zoekt? 90Waarom gij ook de booste hoeren uw wegen geleerd hebt.
89 Hebr. eigenlijk: liefde, minne. De zin schijnt te zijn: Wat wilt gij uw afgodisch wezen en doen nog verbloemen, daar gij toch anders niet doet dan gelegenheid overal te zoeken om gemeenschap met andere afgodendienaars te mogen krijgen en met hen afgoderij te bedrijven? Sommigen verstaan dit van hun stadig lopen en reizen om gunst bij heidense afgodische volken te verkrijgen en verbond met hen te maken; waarvan vers 36. Beide deden zij, en het een hing aan het ander. verwijsteksten
90 Of: Waardoor, zodat gij ook, ja, gij hebt ook, enz. Dat is, gij zijt zo een snode hoer, dat gij de allerergste uitlandse of heidense te boven gaat, omdat gij die nog met uw doen erger maakt dan zij van zichzelf zijn.
 
34 Ja, het bloed van de 91zielen der onschuldige nooddruftigen is in uw 92zomen gevonden; Ik heb 93dat niet met opgraven gevonden, maar aan 94die alle.
91 Dat is, personen. Vgl. Spr. 28:17 met de aant. verwijsteksten
92 Te weten uwer klederen.
93 Te weten bloed. Het Hebreeuwse woord dat bloed betekent, staat wel in het voorgaande in het enkelvoud, maar is gevoegd bij een woord dat in het meervoud staat, alsof men zeide: Het bloed zijn gevonden, dat is, de bloeden, gelijk de Schrift dikwijls het woord bloeden alzo gebruikt. Of men kan het verstaan van veel onschuldig bloed waarmede zij besmet waren. Zie vers 30. Dit was zo openbaar, dat men het met geen scherp onderzoek behoefde uit te vinden, en het bloed, als verborgen in de aarde, op te graven, maar het was voor ogen, klevende nog (om zo te spreken) aan al de zomen harer klederen. Sommigen nemen het aldus: Gij (omdat het Hebreeuwse woord in den eersten persoon van het mannelijk geslacht en in den tweeden van het vrouwelijke kan genomen worden) hebt hen (te weten de onschuldige armen) niet gevonden in het doorgraven (dat gij hen als schuldige nachtdieven zoudt hebben gedood, Ex. 22:2, 3), maar gij hebt hen gedood om al die dingen, te weten al uw voorverhaalde afgoderij, die zij bestraften. Zie op vers 30. verwijsteksten
94 Te weten zomen uwer klederen.
 
35 Nog zegt gij: Zeker, ik ben onschuldig; 95Zijn toorn is immers van mij afgekeerd. Zie, Ik zal met u 96rechten, omdat gij zegt: Ik heb niet gezondigd.
95 Namelijk des Heeren, alsof zij zeiden: Wij zijn daarvan genoeg verzekerd, dat de Heere op ons niet vertoornd is. Anders: Zijn toorn wende zich slechts van mij af, dat is, ik zal genoeg bewijzen dat ik onschuldig ben, als Hij maar minnelijk met mij wilde handelen, en zo gestreng en hard niet zijn; gelijk de huichelaars zichzelven ontschuldigende, God altoos beschuldigen.
96 Of: Mij met u in rechte begeven, als elders. Zie Ez. 17:20; 20:35. Joël 3:2, enz. verwijsteksten
 
36 Wat reist gij 97veel uit, 98veranderende uw weg? Gij zult ook van r99Egypte 100beschaamd worden, gelijk als gij van 1Assur beschaamd zijt.
97 Hebr. zeer.
98 Nu tot dezen, dan tot genen reizende om hulp.
r Jes. 31:1. verwijsteksten
99 Dat is, de Egyptenaars; alzo Assur, dat is, de Assyriërs.
100 Vgl. Jes. 30:3, 4, 5. Jer. 37:7. Hos. 5:13, enz. verwijsteksten
1 Zie 2 Kron. 28:20, 21. De Heere wil zeggen: Gelijk gij met den een bedrogen zijt uitgekomen, alzo zal het u ook gaan met den ander. verwijsteksten
 
37 Gij zult ook 2vanhier uitgaan met uw 3handen op uw hoofd; want de HEERE heeft 4al uw vertrouwen verworpen, zodat gij daarmede niet zult bedijen.
2 Omdat gij vanhier alzo om hulp uitreist, zo zult gij, enz. Of: van dezen, te weten den Egyptenaar. Anders: daarom.
3 Dat is, met rouw, schaamte en schande. Zie 2 Sam. 13:19 met de aant. verwijsteksten
4 Hebr. uw vertrouwens. In het meervoud, dat is, al uw ijdelen toeverlaat, dien gij buiten God zoekt.

Einde Jeremia 2