Statenvertaling.nl

sample header image

Jesaja 31 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Jesaja 31

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Wee over de Joden die hulp gingen zoeken in Egypte en God den Heere niet zochten, vs. 1. De Heere belooft dat Hij Jeruzalem zal beschutten, 4. Indien zij zich tot Hem bekeerden, 6. En dat Hij Assur slaan en op de vlucht brengen zal, 7.
 
Niet Egypte, maar God verlost
1 WEE 1dengenen die in Egypte 2om hulp aftrekken, en steunen 3aop paarden, en vertrouwen op wagens, omdat er vele zijn, en op ruiters, omdat die zeer machtig zijn; en 4zien niet op den Heilige Israëls en 5zoeken den HEERE niet.
1 Dit deden die van Jeruzalem.
2 Te weten tegen Sanherib, den koning van Assyrië. Vgl. 2 Kon. 18:21, 24. verwijsteksten
3 Versta de sterke paarden van Egypte, als blijkt vers 3. verwijsteksten
a Ps. 20:8. Jer. 17:5. verwijsteksten
4 Zie Jes. 29:19. verwijsteksten
5 Te weten met het gebed, of vragen Hem niet om raad.
 
2 Nochtans is 6Hij 7ook wijs, en Hij doet het 8kwaad komen en 9trekt Zijn woorden niet terug; maar Hij zal Zich opmaken 10tegen het huis der boosdoeners en 11tegen de hulp dergenen die ongerechtigheid werken.
6 Te weten de Heere.
7 Niet minder, maar meer dan gijlieden, alsof de profeet zeide: De Heere weet wel hoe Hij Zijn gerichten en dreigementen in het werk zal stellen, ofschoon de Joden allerlei middelen bedenken om te ontkomen; waren zij wijs, zij zouden Hem raad vragen.
8 Dat is, straffen, ongeluk over de ongehoorzamen.
9 Maar Hij doet wat Hij dreigt.
10 Dat is, tegen de goddeloze en ongehoorzame Joden.
11 Versta de Egyptenaars, die den Joden zouden te hulp komen.
 
3 Want de Egyptenaars zijn mensen en geen God, en hun paarden zijn vlees en geen geest; en de HEERE zal Zijn hand 12uitstrekken, dat de helper struikelen zal, en die geholpen wordt, zal nedervallen, en zij zullen altezamen tenietkomen.
12 Of: toewenden, neigen.
 
4 Want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Gelijk als een leeuw en een jonge leeuw over zijn roof brult, wanneer schoon 13een volle menigte der herders samengeroepen wordt tegen hem, verschrikt hij voor hun stem niet en vernedert zich niet 14vanwege hun veelheid; alzo zal de HEERE der heirscharen 15nederdalen 16om te strijden 17voor den berg Sions en 18voor haar heuvel.
13 Of: een groot getal. Hebr. de volheid der herders, dat is, al wat er voor herders omtrent zijn.
14 Of: omdat hunner een groot getal is. Anders: vanwege het gewoel.
15 Te weten uit den hemel.
16 Te weten tegen de Assyriërs.
17 Dat is, voor Jeruzalem, of voor Zijn volk. Zie de vervulling 2 Kon. 19:35. Anders: op den berg Sion. verwijsteksten
18 Of: op haar heuvel. Versta hier door dezen heuvel den berg Moria, op denwelken de tempel stond. Hij wordt genoemd een heuvel Sions, omdat hij lager of kleiner is dan de berg Sion, waarop de stad Davids lag.
 
5 19bGelijk vliegende vogels, alzo zal de HEERE der heirscharen Jeruzalem beschutten, beschuttende zal Hij haar ook verlossen, 20doorgaande zal 21Hij haar ook uithelpen.
19 Anders: Gelijk de vogels (rondom hun nest) vliegen, te weten om dat te beschermen.
b Deut. 32:11. verwijsteksten
20 Of: voorbijgaande, of: overspringende. In het Hebreeuws is hetzelfde woord waarvan pascha of doortocht komt. Versta dan dit alzo: Hij zal de Assyriërs in korten tijd verdelgen, te weten in één nacht, gelijk Hij eertijds de Egyptenaars gedaan heeft, Ex. 12:12, enz. verwijsteksten
21 Of: zal Hij hen, te weten de burgers van Jeruzalem.
 
6 22Bekeert u 23tot Hem 24van Denwelken de kinderen Israëls 25diep afgeweken zijn.
22 Of: Keert weder, te weten gij afvalligen onder de Joden.
23 Te weten tot den Heere, Denwelken gij grotelijks vertoornd hebt.
24 Hebr. die de afwijking of afval diep gemaakt hebben.
25 Dat is, zeer, wijd, ver.
 
7 Want 26te cdien dage zullen zij 27verwerpen een ieder 28zijn zilveren afgoden en 28zijn gouden afgoden, welke u uw handen tot zonde gemaakt hadden.
26 Te weten als hen de Heere tehuiszoeken zal door de Assyriërs, komende om hen te bekrijgen.
c Jes. 2:20. verwijsteksten
27 Dewijl zij zullen zien en bevinden dat zij zich niet helpen kunnen.
28 . 28 Hebr. de afgoden zijns zilvers en de afgoden zijns gouds, als Jes. 30:22. verwijsteksten
 
8 En 29Assur zal vallen door het zwaard, 30niet eens mans, en het zwaard, niet eens mensen, zal hem verteren; en hij zal 31voor het zwaard vlieden, en zijn jongelingen 32zullen versmelten.33
29 Dat is, de Assyriërs.
30 Maar door het zwaard des engels. Zie 2 Kon. 19:35. verwijsteksten
31 Te weten voor het zwaard des engels. Hebr. voor het aangezicht des zwaards.
32 Hebr. zullen tot smelting zijn, dat is, het hart in het lijf zal hun beven en versmelten van angst en vrees.
33 Enigen zetten dit 8ste vers aldus over: Dan zal Assur door het zwaard vallen, niet eens machtigen mans, en het zwaard, niet eens gemenen mans, zal hem verteren; maar hij zal voor het zwaard (dat is, van vreze des zwaards) vluchten, en zijn jongelingen zullen op tribuut gebracht worden.
 
9 En 34dhij zal van vrees doorgaan 35naar zijn rotssteen, en zijn vorsten zullen 36voor de banier 37verschrikken, spreekt de HEERE, 38Die te Sion vuur en te Jeruzalem een oven heeft.
34 Te weten de koning van Assyrië.
d 2 Kon. 19:36, 37. verwijsteksten
35 Of: tot zijn rotssteen, dat is, hij zal naar zijn vaste stad Nineve vluchten; zie 2 Kon. 19:36. Anders: En hun rotssteen zal van vrees wegtrekken. verwijsteksten
36 Dat is, voor het teken des strijds, hetwelk hun de engel geven zal. Of: voor den engel des Heeren, die hen als met een opgeworpen banier vervolgen zal.
37 Of: nedervallen, of: vernield worden.
38 Dat is, Die te Sion woont en te Jeruzalem Zijn huishouding heeft; en Die derhalve niet lijden zal dat de Assyriërs Hem daaruit zullen stoten.

Einde Jesaja 31