Statenvertaling.nl

sample header image

Job 3 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Job 3

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Job door de grootheid zijner plagen en der smart, die hij daarover had, geperst zijnde, vervloekt den dag zijner geboorte, vs. 1, enz. Wenst na zijn geboorte terstond gestorven te zijn, 11. Geeft redenen daarvan, 13. Beklaagt het leven der ellendigen, 20. En past zulke klacht op zichzelven, 24.
 
Job vervloekt zijn geboortedag
1 DAARNA opende Job zijn mond en avervloekte 1zijn dag.
a Jer. 15:10; 20:14. verwijsteksten
1 Te weten den dag zijner geboorte. Ten volle wordt deze dag genaamd de dag der geboorte Gen. 40:20. verwijsteksten
 
2 Want Job 2antwoordde en zeide:
2 Dat is, begon of ving aan te spreken. Zie Richt. 18 op vers 14. 1 Kon. 13 op vers 6. verwijsteksten
 
3 De dag verga waarin ik geboren ben, en de nacht waarin men zeide: Een knechtje is 3ontvangen;
3 Dat is, geboren; gelijk het Hebreeuwse woord zo genomen wordt 1 Kron. 4:17. Ook kan de tijd der ontvangenis niet zekerlijk bekend worden, veelmin wat persoon ontvangen is, te weten een knechtje of een meisje. Anderen zetten dit over: Toen God zeide, of beval, dat een mannetje ontvangen worde, of ontvangen zou worden. verwijsteksten
 
4 Diezelve dag 4zij duisternis; dat God naar hem 5niet vrage van boven, en dat geen glans over hem schijne;
4 Dat is, zij verdonkerd, dat het licht der zon hem niet beschijne, of: zij uit de natuur der dingen weggenomen.
5 Of: hem niet zoeke, bezorge, te weten om hem gelijk andere dagen het licht te vergunnen, of in het wezen der dingen te laten. Welken zin de voorgaande en volgende woorden van dit vers medebrengen. Vgl. de manier van spreken met Deut. 11:12, en zie de aant. daarop. verwijsteksten
 
5 Dat de duisternis en 6des doods schaduw hem verontreinigen; dat wolken over hem wonen; dat hem verschrikken de 7zwarte dampen des dags.
6 Versta een zeer dikke en bijna tastelijke duisternis, die door haar ijselijkheid den mensen den dood zou kunnen aanbrengen. Alzo Job 16:16. Ps. 23:4; 44:20. verwijsteksten
7 Of: de brandende hittigheden des dags. Versta de dikke en donkere nevels, die door de hitte der zon uit de aarde en de wateren getrokken zijnde, in de lucht opstijgen, waardoor de dag mistig en deszelfs licht droevig en duister gemaakt wordt; welke verklaring bevestigd wordt door hetgeen dat in dit vers voorgaat. Anderen: dat zij hem verschrikken, gelijk de bittere, of de bitterheden des dags. Dat is, dat de duisternis en de schaduw des doods dezen dag schrikkelijk maken, gelijk de mensen plegen te doen die in gruwelijke plagen stekende, met hun gehuil en gekerm anderen een bittere vrees aanjagen; of versta de plagen die den dag den mensen bitter maken.
 
6 Diezelve nacht, donkerheid neme hem in; dat hij zich 8niet verheuge onder de dagen des jaars; dat hij in het getal der 9maanden niet kome.
8 Anders: niet gevoegd of verenigd worde.
9 Hebr. manen. Want bij deze volken werden de maanden naar den loop der maan gerekend. Hij wenste dat die nacht nooit geweest was, of ook nimmermeer wederkwam, maar uit het register der nachten geschrapt was.
 
7 Zie, diezelve nacht zij 10eenzaam; dat geen vrolijk gezang daarin kome;
10 Dat is, dat geen mensen daarin tot vreugde bijeenkomen.
 
8 Dat hem vervloeken de 11vervloekers des dags, die bereid zijn hun 12rouw te verwekken;
11 Dat is, die van de grootheid van het kwaad dat zij lijden, overwonnen zijnde, den dag op denwelken hun dat overkomen is, vervloeken; of op dien dag zichzelven, of den dag hunner geboorte vervloeken; of die hun werk daarvan maakten, dat zij zich lieten gebruiken tot verwekking van rouw.
12 Het woord in het oorspronkelijke schijnt te komen uit de Syrische taal van het woord levijah, betekenende rouw, leed, droefheid. De rouw nu te verwekken, is die met velerlei klacht, gekerm en gehuil te vernieuwen. Anderen behouden hier het woord leviathan, verstaande daardoor het zeegedierte, waarvan Job 40:20; 41:1, en door die bereid zijn hem te verwekken de stormwinden, die de zee beroeren. Sommigen zetten het over: hun gezelschap. verwijsteksten
 
9 Dat de sterren 13van zijn schemertijd verduisterd worden; hij 14wachte naar het licht en het worde niet; en hij zie niet de 15oogleden des dageraads;
13 Dat is, van den avondtijd, in denwelken de nacht nog enige schemering of klaarheid heeft, dat men wat van hem zien mag, voornamelijk door het licht van enige grote sterren, welker verduistering hier van Job gewenst wordt. Zie van het Hebreeuwse woord 2 Kon. 7 op vers 5. Sommigen verstaan het van de morgenschemering of dageraad. verwijsteksten
14 Te weten deze nacht. Anders: men wachte.
15 Zo worden genaamd de stralen der zon, die in den morgenstond zich uitbreiden en openen eer de zon opgestaan is; gelijk de oogleden zich opendoen eer dat het oog ziet. Vgl. Job 41 op vers 9. verwijsteksten
 
10 Omdat 16hij niet toegesloten heeft de deuren mijns 17buiks, noch 18verborgen de moeite van mijn ogen.
16 Te weten die nacht.
17 Dit verstaan sommigen van zijner moeders lichaam, gelijk Job 1:21, alwaar het woordje moeders in den tekst uitgedrukt staat, gelijk ook Job 31:18. In enige andere plaatsen wordt het verzwegen, als Job 10:19; insgelijks Ps. 58:4; 71:6. Jes. 48:8. Jer. 1:5. Sommigen verstaan door de deur des buiks de lippen, uit vergelijking van Job 32:18, 19, 20; alsof hij zeide: Dat ik niet verstikt ben. Anderen verstaan den navel, waardoor het kind zijn voedsel trekt in moeders lichaam. verwijsteksten
18 Dat is, weggenomen. Vgl. de manier van spreken met degene die in Job 33:17 is. verwijsteksten
 
11 bWaarom 19ben ik niet gestorven van de baarmoeder aan, en heb den geest gegeven als ik uit den buik voortkwam?
b Job 10:18. verwijsteksten
19 Hij wenst van twee dingen één, te weten dat hij vóór de geboorte gestorven of een misgeboorte geweest was, vers 10, en vervolgens nooit levend ter wereld gekomen; of dat hij na zijn geboorte terstond gestorven was, vers 11. verwijsteksten
 
12 Waarom zijn mij de 20knieën voorgekomen, en waartoe de borsten opdat ik 21zuigen zou?
20 Te weten van de vroedvrouw, die de nieuwe vrucht ontvangt. Hij gaat voort in het verhaal van den tweeden wens dien hij in het voorgaande vers voorgesteld had.
21 Te weten om in dit ellendige leven gevoed en onderhouden te worden.
 
13 Want nu zou ik nederliggen en stil zijn; ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen;
14 22Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;
22 Hij wil zeggen: Zo hij na zijn geboorte gestorven ware, dat zijn staat nu enerlei zou geweest zijn met de voornaamsten der aarde, die vóór dezen tijd waren overleden, en zich, toen zij leefden, een naam hadden willen maken door grote werken, als woeste plaatsen te bebouwen en grote steden te bouwen, Gen. 10:10, 11; 11:3. Job 15:28. Jes. 23:13. verwijsteksten
 
15 Of met de vorsten, die goud hadden, die hun huizen met zilver vervulden.
16 23Of als een 24verborgen misdracht, zou 25ik niet zijn; als de 26kinderkens die het licht niet gezien hebben.
23 Hij komt hier tot zijn eersten wens, waardoor hij gewenst had in zijner moeders lichaam als een misgeboorte gestorven te zijn, vers 10. Anders: Of waarom ben ik niet geweest als een verborgen misdracht? verwijsteksten
24 Te weten in zijner moeders lichaam, alwaar zij sterft en daarom verborgen geheten wordt, overmits zij niet levend tevoorschijn komt.
25 Dat is, niet geleefd hebben op de aarde onder de mensen. Niet zijn is dikwijls zoveel als niet leven. Zie Gen. 42:13. Job 7:8. Ps. 39:14. Jer. 31:15. Matth. 2:18. De zin is: Zo hij een wangeboorte ware geweest, hij zou nooit onder de mensen geweest zijn of dit licht aanschouwd hebben, gelijk de vrucht die dood ter wereld komt. verwijsteksten
26 Het Hebreeuwse woord betekent wel eigenlijk de kinderkens, die geboren zijnde, wat beginnen te doen, Ps. 8:3, maar wordt hier ook gebruikt van de dracht die in der moeders lichaam sterft; gelijk wij die ook kinderkens noemen. verwijsteksten
 
17 27Daar houden de bozen op van 28beroering, en daar rusten de 29vermoeiden van kracht;
27 Dat is, in het graf of in den dood.
28 Dat is, van de mensen te beroeren, te kwellen en te verschrikken.
29 Dat is, die door den overlast dergenen die hen beroerden of verdrukten, mat gemaakt zijn in hun sterkte.
 
18 Daar zijn de 30gebondenen tezamen in rust; zij horen de stem des 31drijvers niet.
30 Dat is, de slaven, die, als zij in het leven waren, door geweld van banden en slagen tot het werk gedwongen moesten worden. Vgl. Richt. 16:21. verwijsteksten
31 Of: eisers; dat is, des opzieners, die de slaven tot hun werk drijft, en hun daarvan rekening afeist. Vgl. Ex. 5 op vers 6. verwijsteksten
 
19 32De kleine en de grote is daar, en de knecht vrij van 33zijn heer.
32 Dat is, de arme en de rijke, de edele en de onedele.
33 Hebr. zijn heren, als elders.
 
20 Waarom geeft 34Hij den ellendige het 35licht, en het leven 36den bitterlijk bedroefden van gemoed?
34 Namelijk God, want hoewel Job den Heere tegenspreekt, zo wil hij nochtans Deszelfs Naam verschonen, tonende alzo, dat de kracht der wedergeboorte hem nog intoomde. Zo moet met het woord God de zin der Heilige Schrift somtijds aangevuld worden. Zie Num. 23:20. Job 16:7; 20:4. Hab. 2:1. 1 Kor. 1:8. Hebr. 3:16, enz. verwijsteksten
35 Te weten des dags of der zon; of: het licht, dat is, het leven, gelijk de volgende woorden verklaren. Vgl. Ps. 56:14. verwijsteksten
36 Hebr. den bitteren van ziel, dat is, zeer innerlijk en smartelijk bedroefden. Vgl. 2 Kon. 4:27, en zie de aant. daarop. Hij verstaat degenen die in dit leven veel ellende en verdriet zouden onderworpen zijn. verwijsteksten
 
21 Die verlangen naar den dood, maar hij is er niet; en graven daarnaar meer dan naar verborgen schatten;
22 Die blijde zijn tot opspringens toe, en zich verheugen als zij het graf vinden;
23 37Aan den man wiens weg 38verborgen is, cen 39dien God overdekt heeft?
37 Versta hierop uit vers 20: Waarom geeft Hij het licht? verwijsteksten
38 Dat is, bezet met zo velerlei kwaad, dat hij geen uitkomst ziet om te kunnen uitworstelen.
c Job 19:8. verwijsteksten
39 God wordt gezegd onzen weg te overdekken, als Hij ons niet enig middel toont om het ongeluk te ontgaan. Vgl. Job 19:8. Klgld. 3:7, 9. Anders: om welken God omtuind heeft, te weten met ellenden. verwijsteksten
 
24 Want 40vóór mijn brood komt mijn zuchting, en mijn brullingen 41worden uitgestort als water.
40 Dat is, eer ik eet, overkomt mij het zuchten, zodat ik geen tijd vrij van droefheid heb.
41 Of: vloeien uit. Versta het geschrei en gehuil hetwelk deze bedroefde en beangste mensen plegen uit te werpen.
 
25 Want ik vreesde een 42vreze, en zij is mij aangekomen; en wat ik schroomde, is mij overkomen.
42 Dat is, een vreselijke zaak.
 
26 Ik was niet 43gerust, en was niet stil en rustte niet; en de beroering is gekomen.
43 Te weten in mijn gemoed; zeer bezorgd en bekommerd zijnde om God te behagen en Hem niet te vertoornen, zodat ik gepoogd heb met grote naarstigheid mij en de mijnen in de vreze des Heeren vast te houden. Zie Job 1:1, 5, 8; 2:3, 10. Anderen stellen dit vragenderwijze aldus: Was ik niet in vrede? Had ik niet stilheid? enz., doch nu is de beroering gekomen. verwijsteksten

Einde Job 3