Statenvertaling.nl

sample header image

1 Kronieken 5 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

1 Kronieken 5

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

De kinderen van Ruben
1 DE kinderen van Ruben nu, den eerstgeborene van Israël (want hij was de eerstgeborene; maar dewijl hij zijns vaders bed ontheiligd had, werd zijn eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, den zoon van Israël; doch niet alzo dat hij zich in het geslachtsregister naar de eerstgeboorte rekenen mocht;
2 Want Juda werd machtig onder zijn broederen, en die tot een voorganger was, was uit hem; doch de eerstgeboorte was van Jozef);
3 De kinderen van Ruben, den eerstgeborene van Israël, zijn aHanoch en Pallu, Hezron en Charmi. a Gen. 46:9. Ex. 6:13. Num. 26:5. verwijsteksten
4 De kinderen van Joël: zijn zoon Semája; zijn zoon Gog; zijn zoon Simeï;
5 Zijn zoon Micha; zijn zoon Reája; zijn zoon Baäl;
6 Zijn zoon Beëra, welken Tillegath-Pilnéser, de koning van Assyrië, gevankelijk wegvoerde; hij was de vorst der Rubenieten.
7 Aangaande zijn broederen in hun huisgezinnen, als zij naar hun geboorten in de geslachtsregisters gesteld werden: de hoofden zijn geweest Jeíël en Zechárja,
8 En Bela, de zoon van Azaz, den zoon van Sema, den zoon van Joël; die woonde te Aroër en tot aan Nebo en Baäl-Meon.
9 En hij woonde tegen het oosten tot den ingang der woestijn, van de rivier Frath af; want hun vee was veel geworden in het land van Gilead.
10 En in de dagen van Saul voerden zij krijg tegen de Hagarenen; die vielen door hun hand; en zij woonden in hun tenten tegen de gehele oostzijde van Gilead.
 
De kinderen van Gad
11 De kinderen van Gad nu woonden tegen hen over, in bhet land Basan, tot Salcha toe. b Joz. 13:24. verwijsteksten
12 Joël was het hoofd, en Safam de tweede; maar Jáënai en Safat bleven in Basan.
13 Hun broeders nu, naar hun vaderlijke huizen, waren Michaël en Mesullam en Seba en Jorai en Jachan en Zia en Heber, zeven.
14 Dezen zijn de kinderen van Abicháïl, den zoon van Huri, den zoon van Jaróah, den zoon van Gilead, den zoon van Michaël, den zoon van Jesísai, den zoon van Jahdo, den zoon van Buz.
15 Ahi, de zoon van Abdiël, den zoon van Guni, was het hoofd van het huis hunner vaderen.
16 En zij woonden in Gilead, in Basan en in haar onderhorige plaatsen, en in al de voorsteden van Saron tot aan hun uitgangen.
17 Al dezen zijn naar hun geslachtsregisters geteld in de dagen van Jotham, den koning van Juda, en in de dagen van Jeróbeam, den koning van Israël.
18 Van de kinderen van Ruben en van de Gadieten en van den halven stam van Manasse, van de strijdbaarsten, mannen schild en zwaard dragende en den boog spannende en ervaren in den krijg, waren vier en veertig duizend zevenhonderd en zestig, uitgaande in het heir.
19 En zij voerden krijg tegen de Hagarenen, en tegen Jetur en Nafis en Nodab.
20 Doch zij werden geholpen tegen hen, en de Hagarenen werden in hun hand gegeven en allen die met hen waren; omdat zij tot God riepen in den krijg, zo liet Hij Zich van hen verbidden, dewijl zij op Hem vertrouwden.
21 En zij voerden hun vee gevankelijk weg; van hun kemels vijftigduizend, en tweehonderd en vijftigduizend schapen en tweeduizend ezels, en honderdduizend zielen der mensen.
22 Want er vielen vele verwonden, dewijl de strijd van God was; en zij woonden in hun plaats, totdat zij gevankelijk weggevoerd werden.
 
De kinderen van Manasse
23 De kinderen nu van den halven stam van Manasse woonden in dat land; zij werden vermenigvuldigd van Basan tot aan Baäl-Hermon, en Senir en den berg Hermon.
24 Dezen nu waren de hoofden hunner vaderlijke huizen, te weten: Efer en Jiseï en Elíël en Azriël en Jeremía en Hodávja en Jáhdiël, mannen sterk van kracht, mannen van naam, hoofden der huizen hunner vaderen.
25 Maar zij hebben tegen den God hunner vaderen overtreden, en de goden der volken des lands nagehoereerd, welke God voor hun aangezichten had verdelgd.
26 Zo verwekte de God Israëls den geest van Pul, den koning van Assyrië, en den geest van Tillegath-Pilnéser, den koning van Assyrië; die voerde hen gevankelijk weg, te weten de Rubenieten en de Gadieten en den halven stam van Manasse. En hij bracht hen te Halah en Habor en Hara en aan de rivier Gozan, tot op dezen dag.

Einde 1 Kronieken 5