Statenvertaling.nl

sample header image

2 Koningen 18 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

2 Koningen 18

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Hizkia wordt koning over Juda, vs. 1, enz. Is zeer godvrezende, vreest den koning van Assyrië niet, en overwint de Filistijnen, 3. Salmaneser wint Samaria, en Israël wordt gevankelijk naar Assyrië gevoerd, 9. Sanherib valt in het land van Juda, en Hizkia betaalt hem schatting, 13. Evenwel eist hij Jeruzalem op, 17. Rabsake hitst het volk op, en lastert God, 19. Hetwelk den koning aangezegd wordt, 37.
 
Hizkía koning van Juda
1 HET geschiedde nu in het 1derde jaar van Hoséa, den zoon van Ela, den koning van Israël, adat 2Hizkía koning werd, de zoon van Achaz, koning van Juda.
1 Te weten van de negen laatste jaren waarvan gesproken is 2 Kon. 17:1. verwijsteksten
a 2 Kron. 28:27; 29:1. verwijsteksten
2 Genoemd Ezekias, Matth. 1:9. verwijsteksten
 
2 3Vijf en twintig jaar was hij oud toen hij koning werd, en hij regeerde negen en twintig jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was 4Abi, een dochter van 5Zacharía.
3 Hebr. Een zoon van vijf en twintig jaar.
4 Zij wordt ook genoemd Abia, 2 Kron. 29:1. verwijsteksten
5 Sommigen houden dezen voor den koning Israëls van wien te zien is 2 Kon. 14:29. verwijsteksten
 
3 En hij deed wat recht was in de ogen des HEEREN, naar alles wat zijn vader David gedaan had.
4 Hij bnam de hoogten weg en brak de opgerichte beelden en roeide de bossen uit; en hij verbrijzelde de 6koperen slang, die Mozes gemaakt had, omdat de kinderen Israëls tot die dagen toe aan haar gerookt hadden; en hij noemde ze 7Nehûstan.
b 2 Kron. 31:1. verwijsteksten
6 Zie van deze Num. 21:8, 9, enz. verwijsteksten
7 Dat is, koperwerk, of: een stuk koper, of: iets dat van koper is. Zo heeft de koning de koperen slang genoemd, om te tonen dat er niets Goddelijks in haar was, en dienvolgens geen reden om aan dezelve door offeranden en aanbiddingen Goddelijke eer te bewijzen. Anders: men noemde ze, enz., dat is, het volk had haar, als hun afgod, dien naam gegeven.
 
5 Hij betrouwde op den HEERE, den God Israëls, zodat na hem 8zijns gelijke niet was onder alle koningen van Juda, noch die vóór hem geweest waren.
8 Te weten in het reformeren en herstellen van den zuiveren godsdienst; welverstaande, terstond in den aanvang van zijn regering. Anders is dit te verstaan met uitneming van David en Josia: van David, wien hij gelijkgemaakt wordt, en niet voortreffelijker, vers 3; van Josia, wien deze lof ook gegeven wordt, dat voor en na hem geen koning zijns gelijke is geweest, 2 Kon. 23:25. verwijsteksten
 
6 Want hij kleefde den HEERE aan; hij week niet 9van Hem na te volgen, en hij hield Zijn geboden, die de HEERE Mozes geboden had.
9 Hebr. van achter Hem. Zie 1 Kon. 9 op vers 6. verwijsteksten
 
7 Zo 10was de HEERE met hem; overal waarheen hij uittrok, handelde hij kloekelijk. Daartoe 11viel hij af van den koning van Assyrië, dat hij hem 12niet diende.
10 Zie Gen. 21 op vers 22 en Gen. 26 op vers 24 en Num. 14 op vers 9. verwijsteksten
11 Dit wordt gezegd ten aanzien van zijn vader Achaz, die zich den koning van Assyrië onderworpen had als een leenman en schatplichtige. Zie 2 Kon. 16:7. verwijsteksten
12 Dat is, geen tribuut noch schatting gaf.
 
8 Hij csloeg de 13Filistijnen tot Gaza toe en haar landpalen, 14van den wachttoren af tot de vaste steden toe.
c Jes. 14:30. verwijsteksten
13 Die zijn vader vele steden en land afgenomen hadden. Zie 2 Kron. 28:18. verwijsteksten
14 Dat is, overal en in verscheidene plaatsen. Zie 2 Kon. 17 op vers 9. verwijsteksten
 
9 Het dgeschiedde nu in het vierde jaar van den koning Hizkía (hetwelk was het 15zevende jaar van Hoséa, den zoon van Ela, den koning van Israël), dat Salmanéser, de koning van Assyrië, opkwam tegen Samaría en haar belegerde.
d 2 Kon. 17:3. verwijsteksten
15 Gerekend van het begin der negen jaren, vermeld 2 Kon. 17:1. verwijsteksten
 
10 En zij namen haar in eten einde van 16drie jaren, in het zesde jaar van Hizkía; het was het negende jaar van Hoséa, den koning van Israël, als Samaría ingenomen werd.
e 2 Kon. 17:6. verwijsteksten
16 Te weten der belegering.
 
11 En de koning van Assyrië voerde Israël weg naar Assyrië, en deed hen leiden in 17Halah en in Habor, bij de rivier Gozan en in de steden der Meden;
17 Zie van deze landen 2 Kon. 17 op vers 6. verwijsteksten
 
12 Daarom dat zij de stem des HEEREN huns Gods niet waren gehoorzaam geweest, maar Zijn verbond overtreden hadden, en al wat Mozes, de knecht des HEEREN, geboden had, dat hadden zij 18niet gehoord, noch gedaan.
18 Dat is, niet willen horen.
 
Sanherib bedreigt Jeruzalem
13 Maar fin het veertiende jaar van den koning Hizkía kwam Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze 19in.
f 2 Kron. 32:1. Jes. 36:1. verwijsteksten
19 Te weten enige derzelver.
 
14 Toen zond Hizkía, de koning van Juda, tot den koning van Assyrië, naar 20Lachis, zeggende: Ik heb gezondigd, keer af van mij; wat gij mij opleggen zult, zal ik dragen. Toen legde de koning van Assyrië Hizkía, den koning van Juda, driehonderd 21talenten zilver en dertig talenten goud op.
20 Welke stad hij toen belegerde en bestreed.
21 Zie Ex. 25 op vers 39. verwijsteksten
 
15 Alzo gaf Hizkía al het zilver dat gevonden werd in het huis des HEEREN, en in de schatten van het huis des konings.
16 Te dien tijde 22sneed Hizkía het goud af van de deuren van den tempel des HEEREN en van de posten, die Hizkía, de koning van Juda, had laten overtrekken, en gaf 23dat den koning van Assyrië.
22 De zin is, dat hij de gouden platen heeft afgetrokken, met dewelke hij tevoren de deuren en posten des tempels overtogen had, als hij den tempel, dien zijn vader toegesloten had, weder opende, 2 Kron. 29:3. verwijsteksten
23 Hebr. die, te weten deuren en posten; dat is, het goud, waarmede die waren overtogen geweest.
 
17 Evenwel 24zond de koning van Assyrië Tartan en 25Rábsaris en Rabsaké van Lachis tot den koning Hizkía, met een zwaar heir naar Jeruzalem; en zij togen op en kwamen naar Jeruzalem. En als zij optogen en gekomen waren, bleven zij staan bij den 26watergang des 27oppersten vijvers, welke is bij den 28hogen weg van 29het veld des vollers.
24 Zijn woord niet houdende, als hij het geld ontvangen had.
25 Het woord betekent de overste hoveling of kamerling, gelijk het van enigen overgezet wordt.
26 Hiermede verstaan velen een waterloop buiten Jeruzalem, in denwelken uit een vijver die daarbij was, water afgelaten werd, waarin de vollers hun lakentuig wiesen. Vgl. Jes. 7:3. verwijsteksten
27 Zo toegenaamd tot onderscheid van den vijver, gezegd de onderste, Jes. 22:9. verwijsteksten
28 Versta een hogen en gebaanden weg, die, naar het gevoelen van enigen, met stenen geplaveid was.
29 Waar de vollers hun wollen goed uitspreidden.
 
18 En zij riepen tot den koning; zo ging tot hen uit 30Eljakim, de zoon van Hilkía, de hofmeester, en Sebna, de 31schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de 32kanselier.
30 Zie van dezen vromen en godvruchtigen hofmeester Jes. 22:20, enz. Van zulk ambt, zie 1 Kon. 4 op vers 6. Hebr. die over het huis was. verwijsteksten
31 Anders: griffier, of secretaris; te weten van den koning. Zie 1 Kon. 4 op vers 3. verwijsteksten
32 Hebr. memoriemaker. Alzo ook vers 37; insgelijks 1 Kon. 4:3. Zie de aant. verwijsteksten
 
19 En Rabsaké zeide tot hen: Zegt nu tot Hizkía: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat vertrouwen is dit waarmede gij vertrouwt?
20 Gij zegt (doch het is 33een woord der lippen): Er is raad en macht tot den oorlog. Op wien vertrouwt gij nu, dat gij tegen mij rebelleert?
33 Dat is, ijdel, vergeefs, vruchteloos, gans nietig, waarvan niets worden noch komen zal; of versta een woord dat slechts in den mond is, en niet uit het hart komt, dat is, dat niet gemeend wordt noch metterdaad bevestigd zal worden. Anders: Gij spreekt, maar het zijn niet dan woorden. Raad en macht zijn vereist tot den oorlog. Anders: Gij zegt maar een woord der lippen, maar daar moet raad en kracht ten oorlog zijn; spottende alzo met de gebeden en vertroostingen die Hizkia gebruikte.
 
21 Zie, nu vertrouwt gij op 34dien gebroken rietstaf, op Egypte, op denwelken zo iemand leunt, zo zal hij in zijn hand gaan en die doorboren; alzo is Farao, de koning van Egypte, al dengenen die op hem vertrouwen.
34 Of: gekrookten. Versta door deze gelijkenis een hulp die zwak, trouweloos, en ongestadig is. Alzo Jes. 36:6. Ez. 29:6, 7. verwijsteksten
 
22 Maar zo gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op den HEERE onzen God; is Hij Die niet, Wiens hoogten en Wiens altaren Hizkía weggenomen heeft, en tot Juda en tot Jeruzalem gezegd heeft: Voor 35dit altaar zult gij u buigen te Jeruzalem?
35 Te weten dit enige; gelijk er staat 2 Kron. 32:12. Dat is, voor geen ander. verwijsteksten
 
23 Nu dan, 36wed toch met mijn heer, den koning van Assyrië, en ik zal u tweeduizend paarden geven, zo gij voor u de ruiters daarop zult kunnen geven.
36 Of: stel toch mijn heer, enz., borg.
 
24 Hoe zoudt gij dan het aangezicht van een enigen vorst, van de geringste knechten mijns heren, 37afkeren? Maar gij vertrouwt op Egypte, om de wagens en om de ruiters.
37 Dat is, wederstaan en verdrijven.
 
25 Nu, ben ik zonder den HEERE opgetogen tegen deze plaats om die te verderven? De HEERE 38heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dat land en verderf het.
38 Dit spreekt hij valselijk door vermetelheid, om Gods volk verschrikt en verbaasd te maken. Hoewel het anderszins door Gods verborgen voorzienigheid geschied is, hetwelk hem nochtans onbekend was. Zie 2 Kon. 19:25. Jes. 10:5, 6, 7. verwijsteksten
 
26 Toen zeide Eljakim, de zoon van Hilkía, en Sebna en Joah tot Rabsaké: Spreek toch tot uw knechten in het Syrisch, want wij 39verstaan het wel; en spreek met ons niet in het Joods voor de oren des volks dat op den muur is.
39 Hebr. want wij zijn horende, dat is, wij verstaan en kennen die taal wel. Zie Gen. 11 op vers 7. verwijsteksten
 
27 Maar Rabsaké zeide tot hen: Heeft mijn heer mij tot uw heer en tot u gezonden om deze woorden te spreken? Is het niet tot de mannen die op den muur zitten, 40dat zij met ulieden hun drek eten en hun water drinken zullen?
40 Dat is, dat zij gewaarschuwd zouden worden, dat door een strenge belegering hun gruwelijke ellenden zullen overkomen, ja, zelfs dat zij gedwongen zullen worden hun eigen mest te eten, enz., om hun honger en dorst te verzadigen, zo zij zich niet willen overgeven.
 
28 Alzo stond Rabsaké en riep met 41luider stem in het Joods; en hij sprak en zeide: Hoort het woord des groten konings, des konings van Assyrië.
41 Hebr. grote stem.
 
29 Zo zegt de koning: Dat Hizkía u niet bedriege; want hij zal u niet kunnen redden uit zijn hand.
30 Daartoe dat Hizkía u niet doe vertrouwen op den HEERE, zeggende: De HEERE zal ons 42zekerlijk redden, en deze stad zal niet in de hand des konings van Assyrië gegeven worden.
42 Hebr. reddende redden.
 
31 Hoort naar Hizkía niet; want zo zegt de koning van Assyrië: Handelt met mij door een 43geschenk, en komt tot mij uit, en eet een ieder van zijn wijnstok en een ieder van zijn vijgenboom, en drinkt een ieder het water zijns bornputs;
43 Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk zegening, maar het wordt ook voor een geschenk genomen. Zie Gen. 33:11 met de aant. De zin is, dat hij den Joden aanbiedt de vredehandeling, opdat zij zijn geweld en harde belegering met het gevolg van dien niet zouden hebben te verwachten. verwijsteksten
 
32 Totdat ik kom en u haal in een land als ulieder land, een land 44van koren en van most, een land van brood en van wijngaarden, een land van olijven, van olie en van honing; zo zult gij leven en niet sterven; en hoort niet naar Hizkía, 45want hij hitst u op, zeggende: De HEERE zal ons redden.
44 Versta door deze dingen alle tijdelijke goederen waarmede God een land zegent. Zie Ex. 3:8. Deut. 32:13, 14. Job 20:17, mitsgaders de aant. verwijsteksten
45 Anders: als hij u verleidt, of ophitst, of overreedt.
 
33 Hebben de goden der volken, ieder zijn land, 46enigszins gered, uit de hand des konings van Assyrië?
46 Hebr. reddende gered.
 
34 Waar zijn de goden van 47Hamath en van Arpad? Waar zijn de goden van Sefarváïm, 48Hena en Ivva? Ja, hebben zij Samaría uit mijn hand gered?
47 Zie van deze twee steden ook samengevoegd Jer. 49:23. Wij hebben hier de namen van de steden en landen die de koning van Assyrië ingenomen had. Zie 2 Kon. 17 op vers 24. Jes. 37:13. verwijsteksten
48 Dit houden sommigen voor eigennamen van landen. (Vgl. 2 Kon. 17:31.) Anderen zetten het aldus over: Hij heeft hen weggedreven en omgekeerd. Jes. 36:19 worden deze woorden uitgelaten. verwijsteksten
 
35 Welke zijn ze onder alle goden der landen, die hun land uit mijn hand gered hebben, dat de HEERE Jeruzalem uit mijn hand redden zou?
36 Doch het volk zweeg stil en antwoordde hem niet één woord; want het gebod des konings was, zeggende: Gij zult hem niet antwoorden.
37 Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkía, de 49hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, tot Hizkía, met 50gescheurde klederen; en zij gaven hem de woorden van Rabsaké te kennen.
49 Hebr. die over het huis was. Zie van dezen op vers 18, alzo 2 Kon. 19:2. verwijsteksten
50 Zie Gen. 37 op vers 29. Hebr. gescheurde der klederen. verwijsteksten

Einde 2 Koningen 18