Statenvertaling.nl

sample header image

Deuteronomium 30 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst


Deuteronomium 30

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Genade voor een schuldig volk
1 VOORTS zal het geschieden, wanneer al deze dingen over u zullen gekomen zijn, deze zegen of deze vloek, die ik u voorgesteld heb, zo zult gij het weder ter harte nemen onder alle volken waarheen u de HEERE uw God gedreven heeft;
2 En gij zult u bekeren tot den HEERE uw God en Zijner stem gehoorzaam zijn, naar alles wat ik u heden gebied, gij en uw kinderen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel.
3 En de HEERE uw God zal auw gevangenis wenden en Zich uwer ontfermen, en Hij zal u weder vergaderen uit al de volken waarheen u de HEERE uw God verstrooid had. a Neh. 1:8. Ps. 106:45. Jer. 32:37. verwijsteksten
4 bAl waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, vandaar zal u de HEERE uw God vergaderen en vandaar zal Hij u nemen. b Neh. 1:9. verwijsteksten
5 En de HEERE uw God zal u brengen in het land dat uw vaderen erfelijk bezeten hebben, en gij zult dat erfelijk bezitten; en Hij zal u weldoen en zal u vermenigvuldigen boven uw vaderen.
6 En de HEERE uw God czal uw hart besnijden en het hart van uw zaad, om den HEERE uw God lief te hebben met uw ganse hart en met uw ganse ziel, opdat gij leeft. c Jer. 32:39. Ez. 11:19; 36:26. verwijsteksten
7 En de HEERE uw God zal al die vloeken leggen op uw vijanden en op uw haters, die u vervolgd hebben.
8 Gij dan zult u bekeren en der stem des HEEREN gehoorzaam zijn, en gij zult doen al Zijn geboden die ik u heden gebied.
9 dEn de HEERE uw God zal u doen overvloeien in al het werk uwer hand, in de vrucht uws buiks en in de vrucht uwer beesten en in de vrucht uws lands, ten goede; want de HEERE zal wederkeren om Zich over u te verblijden ten goede, gelijk als Hij Zich over uw vaderen verblijd heeft; d Deut. 28:11. verwijsteksten
10 Wanneer gij der stem des HEEREN uws Gods zult gehoorzaam zijn, houdende Zijn geboden en Zijn inzettingen, die in dit wetboek geschreven zijn; wanneer gij u zult bekeren tot den HEERE uw God, met uw ganse hart en met uw ganse ziel.
 
Mozes’ prediking van dood en leven
11 Want ditzelve gebod hetwelk ik u heden gebied, dat is van eu niet verborgen en dat is niet ver. e Jes. 45:19. verwijsteksten
12 Het is niet in den hemel, om te zeggen: fWie zal voor ons ten hemel varen, dat hij het voor ons hale en ons hetzelve horen late, dat wij het doen? f Rom. 10:6, enz. verwijsteksten
13 Het is ook niet op gene zijde der zee, om te zeggen: Wie zal voor ons overvaren aan gene zijde der zee, dat hij het voor ons hale en ons hetzelve horen late, dat wij het doen?
14 Want dit Woord is zeer nabij u, in uw mond en in uw hart, om dat te doen.
15 Zie, ik heb u heden voorgesteld het leven en het goede, en den dood en het kwade.
16 Want ik gebied u heden den HEERE uw God lief te hebben, in Zijn wegen te wandelen, en te houden Zijn geboden en Zijn inzettingen en Zijn rechten, opdat gij leeft en vermenigvuldigt, en de HEERE uw God u zegene in het land waar gij naartoe gaat om dat te erven.
17 Maar indien uw hart zich zal afwenden en gij niet horen zult, en gij gedreven zult worden, dat gij u voor andere goden buigt en dezelve dient;
18 Zo verkondig ik ulieden heden, dat gij voorzeker zult omkomen; gij zult de dagen niet verlengen op het land naar hetwelk gij over de Jordaan zijt heengaande om daarin te komen, dat gij het erfelijk bezit.
19 gIk neem heden tegen ulieden tot getuigen den hemel en de aarde; het leven en den dood heb ik u voorgesteld, den zegen en den vloek; kies dan het leven, opdat gij leeft, gij en uw zaad, g Deut. 4:26. verwijsteksten
20 Liefhebbende den HEERE uw God, Zijner stem gehoorzaam zijnde en Hem aanhangende, want Hij is uw Leven en de Lengte uwer dagen; opdat gij blijft in het land dat de HEERE uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft hun te zullen geven.

Einde Deuteronomium 30