Statenvertaling.nl

sample header image

Deuteronomium 24 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Deuteronomium 24

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Het terugnemen van een gescheiden vrouw
1 WANNEER een man een vrouw zal genomen en die getrouwd hebben, zo zal het geschieden, indien zij geen genade zal vinden in zijn ogen, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, dat hij haar een ascheidbrief zal schrijven en in haar hand geven en haar laten gaan uit zijn huis. a Matth. 5:31; 19:7. Mark. 10:4. verwijsteksten
2 Zo zij dan uit zijn huis uitgegaan zijnde, zal heengaan en een anderen man ter vrouw worden,
3 En deze laatste man haar gehaat en haar een scheidbrief geschreven en in haar hand gegeven, en haar uit zijn huis zal hebben laten gaan; of als deze laatste man, die haar voor zich tot een vrouw genomen heeft, zal gestorven zijn,
4 Zo zal haar eerste man, die haar heeft laten gaan, haar niet mogen wedernemen, dat zij hem ter vrouw zij, nadat zij is verontreinigd geworden; want dat is een gruwel voor het aangezicht des HEEREN; alzo zult gij het land niet doen zondigen, dat u de HEERE uw God ten erve geeft.
 
Plichten en barmhartigheid
5 Wanneer een man een nieuwe bvrouw zal genomen hebben, die zal in het heir niet uittrekken en men zal hem geen last opleggen; een jaar lang zal hij vrij zijn in zijn huis en zijn vrouw die hij genomen heeft, verheugen. b Deut. 20:7. verwijsteksten
6 Men zal beide molenstenen, immers den bovensten molensteen, niet te pand nemen; want hij neemt de ziel te pand.
7 Wanneer iemand gevonden zal worden, die een ziel csteelt uit zijn broederen, uit de kinderen Israëls, en drijft gewin met hem en verkoopt hem, zo zal deze dief sterven en gij zult het boze uit het midden van u wegdoen. c Ex. 21:16. verwijsteksten
8 Wacht u in de plaag der melaatsheid, dat gij naarstiglijk waarneemt en doet naar alles wat de Levitische priesters ulieden zullen leren; gelijk als dIk hun geboden heb, zult gij waarnemen te doen. d Lev. 13:2. verwijsteksten
9 Gedenk wat de HEERE uw God gedaan heeft aan eMirjam, op den weg, als gij uit Egypte waart uitgetogen. e Num. 12:10. verwijsteksten
10 Wanneer gij aan uw naaste iets zult geleend hebben, zo zult gij tot zijn huis niet ingaan om zijn pand te pand te nemen.
11 Buiten zult gij staan, en de man wien gij geleend hebt, zal het pand naar buiten tot u uitbrengen.
12 Doch indien hij een arm man is, zo zult gij met zijn pand niet nederliggen.
13 Gij zult hem dat pand zekerlijk fwedergeven, als de zon ondergaat, dat hij in zijn kleed nederligge en u zegene; en het zal u gerechtigheid zijn voor het aangezicht des HEEREN uws Gods. f Ex. 22:26. verwijsteksten
14 Gij zult den armen en nooddruftigen dagloner niet gverdrukken, die uit uw broederen is of uit uw vreemdelingen die in uw land en in uw poorten zijn. g Lev. 19:13. Jak. 5:4. verwijsteksten
15 Op zijn dag zult gij zijn loon geven en de zon zal daarover niet ondergaan, want hij is arm en zijn ziel verlangt daarnaar; dat hij tegen u niet roepe tot den HEERE en zonde in u zij.
16 De vaders zullen niet gedood worden hvoor de kinderen en de kinderen zullen niet gedood worden voor de vaders; een ieder zal om zijn zonde gedood worden. h 2 Kon. 14:6. 2 Kron. 25:4. Jer. 31:30. Ez. 18:20. verwijsteksten
17 Gij zult het recht van den ivreemdeling en van den wees niet buigen; en gij zult het kleed der weduwe niet te pand nemen. i Ex. 22:21, 22. Spr. 22:22. Jes. 1:23. Jer. 5:28; 22:3. Ez. 22:29. Zach. 7:10. verwijsteksten
18 Maar gij zult gedenken dat gij een knecht in Egypte geweest zijt, en de HEERE uw God heeft u vandaar verlost; daarom gebied ik u deze zaak te doen.
19 Wanneer gij uw oogst op uw akker kafgeoogst en een garf op den akker vergeten zult hebben, zo zult gij niet wederkeren om die op te nemen; voor den vreemdeling, voor den wees en voor de weduwe zal zij zijn; opdat u de HEERE uw God zegene in al het werk uwer handen. k Lev. 19:9; 23:22. verwijsteksten
20 Wanneer gij uw olijfboom zult geschud hebben, zo zult gij de takken achter u niet nauw doorzoeken; voor den vreemdeling, voor den wees en voor de weduwe zal het zijn.
21 Wanneer gij uw wijngaard zult afgelezen hebben, zo zult gij de druiven achter u niet nalezen; voor den vreemdeling, voor den wees en voor de weduwe zal het zijn.
22 En gij zult gedenken dat gij een knecht in Egypteland geweest zijt; daarom gebied ik u deze zaak te doen.

Einde Deuteronomium 24