Statenvertaling.nl

sample header image

Deuteronomium 15 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst


Deuteronomium 15

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Het jaar der vrijlating
1 TENa einde van zeven jaren zult gij een vrijlating maken. a Ex. 21:2. Jer. 34:14. verwijsteksten
2 Dit nu is de zaak der vrijlating, dat ieder schuldheer, die zijn naaste zal geleend hebben, vrijlate; hij zal zijn naaste of zijn broeder niet manen, dewijl men den HEERE een vrijlating heeft uitgeroepen.
3 Den vreemde zult gij manen; maar wat gij bij uw broeder hebt, zal uw hand vrijlaten;
4 Alleenlijk omdat er geen bedelaar onder u zal zijn; want de HEERE zal u overvloediglijk zegenen in het land dat u de HEERE uw God ten erve zal geven om hetzelve erfelijk te bezitten;
5 Indien gij slechts de stem des HEEREN uws Gods vlijtiglijk zult gehoorzamen, dat gij waarneemt te doen al deze geboden die ik u heden gebied.
6 Want de HEERE uw God zal u zegenen, gelijk als Hij tot u heeft gesproken; zo bzult gij aan vele volken lenen, maar gij zult niet ontlenen; en gij zult over vele volken heersen, maar over u zullen zij niet heersen. b Deut. 28:12. verwijsteksten
7 Wanneer er onder u een arme zal zijn, een uit uw broederen, in een uwer poorten, in uw land dat de HEERE uw God u geven zal, zo zult gij uw hart niet verstijven, noch uw hand toesluiten voor uw broeder die arm is;
8 Maar gij zult hem uw hand mildelijk opendoen, en zult hem rijkelijk lenen, genoeg voor zijn gebrek dat hem ontbreekt.
9 Wacht u, dat in uw hart geen Belialswoord zij om te zeggen: Het zevende jaar, het jaar der vrijlating, naakt; dat uw oog boos zij tegen uw broeder die arm is, en dat gij hem niet geeft; en hij over u roepe tot den HEERE en zonde in u zij.
10 cGij zult hem mildelijk geven, en uw hart zal niet boos zijn, als gij hem geeft; want om dezer zaak wil zal u de HEERE uw God zegenen in al uw werk en in alles waaraan gij uw hand slaat. c Matth. 5:42. Luk. 6:35. verwijsteksten
11 Want dde arme zal niet ophouden uit het midden des lands; daarom gebied ik u, zeggende: Gij zult uw hand mildelijk opendoen aan uw broeder, aan uw bedrukte en aan uw arme in uw land. d Matth. 26:11. Joh. 12:8. verwijsteksten
12 eWanneer uw broeder, een Hebreeër, of een Hebreeërin, aan u verkocht zal zijn, zo zal hij u zes jaren dienen; maar in het zevende jaar zult gij hem vrij van u laten gaan. e Ex. 21:2. Jer. 34:14. verwijsteksten
13 En als gij hem vrij van u gaan laat, zo zult gij hem niet ledig laten gaan:
14 Gij zult hem rijkelijk opleggen van uw kudde en van uw dorsvloer en van uw wijnpers; waarin u de HEERE uw God gezegend heeft, daarvan zult gij hem geven.
15 En gij zult gedenken dat gij een dienstknecht in Egypteland geweest zijt en dat u de HEERE uw God verlost heeft; daarom gebied ik u heden deze zaak.
16 Maar het zal geschieden als hij tot u zeggen zal: Ik zal niet van u uitgaan; omdat hij u en uw huis liefheeft, dewijl het hem wel bij u is,
17 Zo zult gij feen priem nemen en steken in zijn oor en in de deur, en hij zal eeuwiglijk uw dienstknecht zijn; en aan uw dienstmaagd zult gij ook alzo doen. f Ex. 21:6. verwijsteksten
18 Het zal niet hard zijn in uw ogen, als gij hem vrij van u gaan laat, want als een dubbelloons-dagloner heeft hij u zes jaren gediend; zo zal u de HEERE uw God zegenen in alles wat gij doen zult.
 
De eerstgeborenen van het vee
19 gAl het eerstgeborene dat onder uw runderen en onder uw schapen zal geboren worden, zijnde een mannetje, zult gij den HEERE uw God heiligen; gij zult niet arbeiden met den eerstgeborene van uw os, noch de eerstgeborene uwer schapen scheren. g Ex. 13:2; 22:29; 34:19. Lev. 27:26. Num. 3:13. verwijsteksten
20 Voor het aangezicht des HEEREN uws Gods zult gij ze jaar op jaar eten in de plaats die de HEERE zal verkiezen, gij en uw huis.
21 hDoch als enig gebrek daaraan zal zijn, hetzij mank of blind of enig kwaad gebrek, zo zult gij het den HEERE uw God niet offeren; h Lev. 22:20. Deut. 17:1. verwijsteksten
22 In uw poorten zult gij het eten; de onreine en de reine tezamen, als een ree en als een hert.
23 iZijn bloed alleen zult gij niet eten; gij zult het op de aarde uitgieten als water. i Deut. 12:16, 23. verwijsteksten

Einde Deuteronomium 15