Statenvertaling.nl

sample header image

1 Korinthe 11 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst


1 Korinthe 11

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

1 De apostel vermaant de Korinthiërs hem na te volgen, en prijst hen dat zij zijn inzettingen hielden. 3 Verbetert enige misbruiken die in hun vergaderingen gevonden werden; eerstelijk dat in het bidden en profeteren de mannen hun hoofden hadden gedekt en de vrouwen ongedekt. 4 Hetwelk hij bewijst onbetamelijk te zijn, zo voor de mannen, omdat zij het hoofd zijn der vrouw, als voor de vrouwen, die, alzo zij onder den man staan, tot een teken van dien haar hoofd behoren te dekken; of anderszins dat beide mannen en vrouwen hun hoofd onteren. 14 En tegen de natuur doen. 18 Daarna dat in hun vergaderingen verdeeldheden waren. 20 En bovendien, dat het Avondmaal des Heeren onder hen niet recht gehouden werd, overmits de rijken in het bijzonder tevoren maaltijden hielden, waardoor sommigen dronken tot het Avondmaal kwamen. 23 Om welke misbruiken te beteren hij hun voordraagt de instelling des Avondmaals en deszelfs betekenis. 26 En leert tot wat einde en op wat wijze het moet gehouden worden. 29 En wat straffen te verwachten hebben, en alrede van God over sommigen gezonden waren, die hetzelve niet recht gebruikten. 33 Eindelijk leert hij hoe zij dezelve misbruiken zullen beteren.
 
De hoofdtooi van de vrouw in de samenkomsten
1 WEESTa mijn navolgers, gelijkerwijs ook ik 1van Christus.
a 1 Kor. 4:16. Filipp. 3:17. 1 Thess. 1:6. 2 Thess. 3:9. verwijsteksten
1 Namelijk navolger ben; namelijk Die het volmaaktste voorbeeld is van alle deugden, zodat men de leraars wel moet navolgen, maar zover als zij Christus navolgen.
 
2 En ik prijs u, broeders, dat gij 2in alles mijner gedachtig zijt, en 3de inzettingen behoudt gelijk ik die u overgegeven heb.
2 Of: dat gij al mijn dingen, dat is, leringen en vermaningen, gedenkt.
3 Gr. overgevingen, of: overleveringen, waardoor dan verstaan worden, gelijk hij zelf daarna verklaart, enige zijner ordinantiën, niet die artikelen des geloofs zijn, maar die aangingen de uiterlijke wijze, die in de vergaderingen en het plegen van den godsdienst behoorden gehouden te worden.
 
3 Doch ik wil 4dat gij weet bdat Christus 5het Hoofd is 6eens iegelijken mans, en de man het hoofd der vrouw, cen 7God het Hoofd van Christus.
4 Dat is, dat gij let op de orde van onderwerping die God onder de mensen, in Zijn geestelijk lichaam, gesteld heeft, opdat gij niets doet dat tegen dezelve strijdt.
b Ef. 5:23. verwijsteksten
5 Dat is, over hem gesteld, heerschappij over hem hebbende, gelijk het hoofd doet boven en over de andere leden.
6 Namelijk behorende tot Zijn geestelijk lichaam; want van die wordt hier eigenlijk gehandeld. Niet dat Hij ook niet zou zijn het Hoofd der vrouw, want Hij is het Hoofd van Zijn gehele lichaam, Ef. 5:23. verwijsteksten
c Joh. 14:28. 1 Kor. 3:23; 15:27. verwijsteksten
7 Namelijk God de Vader, onder Welken de Zone Gods, Jezus Christus, staat, niet ten aanzien van Zijn Goddelijke natuur, naar welke Hij den Vader in waardigheid en hoogheid evengelijk is, Joh. 10:30. Filipp. 2:6, maar naar Zijn Middelaarsambt, naar hetwelk Hij om onzentwil Zichzelven den Vader heeft onderworpen en minder is dan de Vader, Joh. 14:28, gelijk een gezant onder de mensen als zodanig minder is dan degene die hem zendt; hoewel zij van nature evengelijk zijn. verwijsteksten
 
4 Een iegelijk man 8die bidt of 9profeteert, hebbende 10iets op het hoofd, 11die onteert zijn eigen hoofd;
8 Dat is, het gemeen gebed in de vergaderingen óf voorzegt, óf aanhoort en medebidt.
9 Of de Schriften der profeten in de vergaderingen voorleest en uitlegt, 1 Kor. 14:3, 29, enz., of enige toekomende dingen voorzegt uit Goddelijke openbaring. Want die gave werd toen sommigen van God gegeven tot troost van de gemeente, 1 Kor. 14:26. Ef. 4:11. Of die zodanige uitleggingen in de vergaderingen aanhoort. verwijsteksten
10 Namelijk enig deksel, als daar is het lange haar, vers 14, of een hoed, sluier, of diergelijke, vers 7, gelijk de heidenen hun afgoden met gedekten hoofde plachten te dienen. Zie Virgilius, Aeneïs, boek 3, Suetonius in Het leven van Vitellius. verwijsteksten
11 Namelijk overmits de ontdekking van het hoofd toen een teken was van macht en heerschappij, gelijk nu heden ten dage daarentegen degenen die macht over anderen hebben, hun hoofden zullen gedekt houden, en die onder anderen staan voor dezelve hun hoofden zullen ontdekken. Doch in dit alles moet men altijd zien op het gebruik van verscheidene tijden en landen, en wat daarin eerlijk en stichtelijk is, 1 Kor. 14:40. Filipp. 4:8. verwijsteksten
 
5 Maar een iegelijke 12vrouw die 13bidt of profeteert met ongedekten hoofde, 14onteert haar eigen hoofd; want het is 15een en hetzelfde alsof haar het haar afgesneden was.
12 Namelijk die getrouwd is, en onder de macht staat van haar man. Zie vers 3. Hoewel de anderen hier niet uitgesloten worden. verwijsteksten
13 Dat is, die in de vergadering aanhoort de gemene gebeden, of de uitlegging der profetische Schriften; want dat een vrouw openlijk in de vergadering de gebeden zou doen, of de Schrift uitleggen, wordt haar verboden, 1 Kor. 14:34, 35. 1 Tim. 2:12. Of: die met extraordinaire gave van bidden of toekomende dingen te voorzeggen, begiftigd zijnde, dezelve in de vergadering zal willen voorstellen, daartoe door een Goddelijk ingeven gedreven zijnde. Zie Joël 2:28. Luk. 2:36. Hand. 21:9. verwijsteksten
14 Of: beschaamt haar hoofd, doet haar hoofd schande aan, namelijk omdat zij door dat teken schijnt te willen ontkennen dat zij onder den man staat; en ook enigszins dat Christus niet zou zijn het Hoofd Zijner gemeente. Zie vers 4. verwijsteksten
15 Dat is, van enerlei onbetamelijkheid, namelijk als zij aflegt het deksel dat gemaakt wordt, dat is zoveel alsof zij het natuurlijke deksel aflegde.
 
6 Want indien een vrouw niet gedekt is, 16dat zij ook geschoren worde; dmaar indien het lelijk is voor een vrouw 17geschoren te zijn of het haar 18afgesneden te hebben, dat zij zich dekke.
16 Dat is, het is evenveel, en even schandelijk, of zij geschoren ware.
d Num. 5:18. Deut. 22:5. verwijsteksten
17 Namelijk met de schaar.
18 Namelijk met het scheermes.
 
7 Want de man moet het hoofd niet dekken, eovermits hij 19het beeld en 20de heerlijkheid Gods is; maar de vrouw is 21de heerlijkheid des mans.
e Gen. 1:26, 27; 5:1; 9:6. Kol. 3:10. verwijsteksten
19 Namelijk ten aanzien van zijn macht en heerschappij, die hij heeft over de vrouw. Want anderszins, ten aanzien van de heiligheid en gerechtigheid, is de vrouw zowel naar het beeld Gods geschapen als de man, Gen. 1:26, 27. verwijsteksten
20 Namelijk omdat God in des mans heerschappij over de vrouw doet blijken de heerlijkheid en het gebied dat Hij heeft over Zijn schepselen.
21 Namelijk omdat de onderdanigheid der vrouw onder den man een bewijs is van de macht, autoriteit en uitnemendheid van den man boven de vrouw.
 
8 fWant de man is 22uit de vrouw niet, maar de vrouw uit den man.
f Gen. 2:18, 21. verwijsteksten
22 Namelijk de eerste maal van God geschapen. Zie Gen. 2:21, 22. Anderszins worden de mannen nu naar den loop der natuur van vrouwen geboren, Job 14:1. Zie ook vers 12. verwijsteksten
 
9 Want ook is de man niet geschapen 23om de vrouw, maar de vrouw 24om den man.
23 Namelijk om haar onderworpen te zijn en alzo te dienen.
24 Namelijk om hem tot zijn dienst onderworpen te zijn, en een hulp te wezen, die bij hem zou zijn, Gen. 2:18. verwijsteksten
 
10 Daarom moet de vrouw 25een macht op het hoofd hebben, 26om der engelen wil.
25 Dat is, een deksel, tot een teken dat zij staat onder de macht en het gebied van den man. Zie Gen. 24:65. Een wijze van spreken waardoor aan het teken toegeschreven wordt de naam van de betekende zaak, hetwelk in de sacramenten ook zeer gebruikelijk is. verwijsteksten
26 Dit verstaan sommigen van de leraars der gemeente, die in de Schrift ook engelen, dat is, boden of gezanten Gods genaamd worden, Mal. 2:7. Openb. 1:20. Doch kan bekwamelijker verstaan worden van de dienstbare geesten, die vanwege hun ambt eigenlijk engelen doorgaans genaamd worden. Want dewijl dezelve in de vergaderingen der gelovigen tegenwoordig zijn, Ps. 34:8. Matth. 18:10, en door alle onordentelijkheid of ongeschiktheid, die daar zou mogen gepleegd worden, bedroefd worden, zo vermaant de apostel de vrouwen, dat zij deze heilige geesten ook behoren te ontzien, om hen hierin niet te bedroeven. verwijsteksten
 
11 27Nochtans is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder den man, 28in den Heere.
27 Dit doet de apostel daarbij, opdat om dezer heerschappij wil noch de mannen zich verhovaardigen, noch de vrouwen zich bedroeven zouden.
28 Namelijk Jezus Christus, aan Welken, ten aanzien van Zijn genade en verdiensten, de vrouwen zowel gemeenschap hebben als de mannen. Zie Gal. 3:28. verwijsteksten
 
12 Want gelijkerwijs de vrouw 29uit den man is, alzo is ook de man 30door de vrouw; doch 31alle dingen zijn uit God.
29 Zie vers 8. verwijsteksten
30 Namelijk overmits hij van een vrouw ontvangen en geboren wordt, naar de natuurlijke geboorte. Waarom hij de vrouw ook niet behoort te verachten, maar in ere te houden en lief te hebben, hoewel hij over haar heerschappij heeft.
31 Dat is, zowel de vrouw als de man zijn beiden van God geschapen; en zowel de onderdanigheid der vrouw, als de heerschappij des mans zijn beide van God verordineerd. Anderszins is het ook in het gemeen waar, dat alle schepselen van God zijn. Zie Rom. 11:36. 1 Kor. 8:6. verwijsteksten
 
13 32Oordeelt gij onder uzelven: is het betamelijk dat de vrouw ongedekt God bidt?
32 Of: Oordeelt bij uzelven. Gr. in uzelven. De apostel wil tonen dat deze zaak die hij hier drijft, zo klaar en bekend is, dat hij de Korinthiërs zelven tot rechters daarvan wel wil stellen; gelijk 1 Kor. 10:15. verwijsteksten
 
14 Of leert u ook 33de natuur zelve niet, dat zo een man lang haar draagt, het 34hem een oneer is;
33 Namelijk die onder andere het vrouwelijk geslacht van het mannelijke daarmede ook onderscheiden heeft, dat der vrouwen het haar des hoofds langer en dichter wast dan den mannen, en dat haar hetzelve dient tot een sieraad en deksel.
34 Namelijk omdat dit lange haar op zijn hoofd als een deksel is en een teken van onderdanigheid, terwijl hij het hoofd is der vrouw, en daarom zulk een teken niet behoort te dragen, waarmede hij schijnt zijn heerschappij te verzaken. Daarbenevens, omdat hij zich alzo gelijk als herschept in een vrouw, dragende een sieraad dat de vrouwen eigen is, en alzo gelijk als zijn geslacht verzaakt; hetwelk God in de wet verbiedt, Deut. 22:5. verwijsteksten
 
15 Maar zo een vrouw lang haar draagt, dat het haar een eer is? Omdat het lange haar voor 35een deksel haar is gegeven.
35 Gr. een omwerpsel, namelijk om haar te dienen tot een deksel, en dienvolgens ook tot een teken van onderdanigheid, hetwelk dan eer voor haar is, dat zij dezelve haar onderdanigheid, volgens de ordinantie Gods, daarmede bekent.
 
16 gDoch indien iemand schijnt 36twistgierig te zijn, wij hebben 37zulke gewoonte niet, noch 38de gemeenten Gods.
g 1 Tim. 6:4. verwijsteksten
36 Of: twist lief te hebben, dat is, die tegen deze zaak en redenen nog veel zou willen disputeren, met denzelven willen wij niet verder twisten.
37 Namelijk om te twisten over zaken die zo klaar en bekend zijn.
38 Welker voorbeeld of gebruik in zulke zaken men billijk behoort te volgen.
 
Onwaardiglijk eten en drinken
17 39Dit nu hetgeen ik u 40aanzeg, prijs ik niet, namelijk dat gij niet 41tot beter, maar tot erger samenkomt.
39 Namelijk hetgeen volgt.
40 Of: verhaal, vermeld, verkondig.
41 Dat is, niet tot verbetering, maar tot verergering. Want de vergaderingen worden daartoe aangesteld, opdat de gelovigen in dezelve gesticht en gebeterd worden; hetwelk niet geschiedt wanneer in dezelve ongeschiktheden worden gepleegd.
 
18 Want eerstelijk, als gij samenkomt 42in de gemeente, 43zo hoor ik dat er 44scheuringen zijn onder u, en 45ik geloof het ten dele.
42 Dat is, in de vergadering der gelovigen, die toen nog niet werden gehouden in kerken, alzo de Christenen toen nog geen kerken hadden gelijk als nu, maar in huizen en andere gelegen plaatsen.
43 Van wien hij het gehoord had, verklaart hij 1 Kor. 1:11. verwijsteksten
44 Scheuring is, wanneer onder de lidmaten van een gemeente, in het stuk der leer en in de gronden derzelve eens zijnde, om andere misverstanden onenigheid en verdeeldheid ontstaat, elke partij zijn hoofd en leidsman volgende, waardoor de enigheid des lichaams van Christus gescheurd en verbroken wordt; hetwelk onder de werken des vleses mede geteld wordt, Gal. 5:20. Zie breder hiervan 1 Kor. 1:12. verwijsteksten
45 Namelijk dewijl ik van sommigen die onder u zijn, de opgeblazenheid en twistgierigheid ken.
 
19 hWant er 46moeten ook 47ketterijen i48onder u zijn, opdat degenen 49die oprecht zijn, 50openbaar mogen worden onder u.
h Matth. 18:7. Luk. 17:1. verwijsteksten
46 Namelijk overmits de oorzaken van ketterijen er altijd zullen zijn, als opgeblazenheid, vermetelheid, eergierigheid en stoutheid van sommige mensen, die daardoor aangedreven worden om ketterijen te verwekken en aan te hangen. Zolang als daar zulke mensen zullen zijn, zo moeten er ook ketterijen wezen. Zie dergelijke wijze van spreken en nadere verklaring daarvan Matth. 18:7. verwijsteksten
47 Ketterij is een twist, ontstaande over de leer, wanneer enigen hardnekkiglijk enige dwalingen drijven of aannemen, strijdende tegen de grondstukken der zaligmakende leer. Zodat ketterij erger en schadelijker is dan scheuring. En hiermede geeft de apostel reden waarom hij gelooft dat er onder hen scheuringen zijn, omdat er ook nog erger kwaad onder hen gevonden werd, namelijk ketterij, die hij daarna beschrijft en wederlegt, 1 Korinthe 15. verwijsteksten
i Hand. 20:30. 1 Joh. 2:19. verwijsteksten
48 Dat is, in het midden van de gemeente. Zie Hand. 20:30. 1 Joh. 2:19. verwijsteksten
49 Gr. die beproefd zijn, dat is, die in de beproeving door scheuringen en ketterijen standvastig blijven bij de enigheid der gemeente en bij de gezonde leer, en alzo oprecht bevonden worden; een gelijkenis genomen van goud dat in de proef door het vuur bestaat, 1 Petr. 1:7. verwijsteksten
50 Dat is, bekend dat zij oprecht zijn. Wanneer de gemeente in vrede is, zonder scheuring of ketterij, zo worden allen die de religie belijden, voor oprecht gehouden; maar als daar scheuring en ketterij ontstaat, zo wordt het openbaar en bekend, wie bij de enigheid der kerk en bij de gezondheid der leer standvastig blijven of niet; gelijk het kaf van het koren door den wan gescheiden wordt, Matth. 3:12. verwijsteksten
 
20 Als gij dan bijeen samenkomt, 51dat 52is niet des Heeren Avondmaal eten.
51 Namelijk hetgeen gij doet.
52 Namelijk overmits het onwettiglijk eten is als niet eten. Of overmits zulks is niet des Heeren, maar zijn eigen avondmaal eten, gelijk in het volgende vers.
 
21 Want 53in het eten neemt 54een iegelijk 55tevoren 56zijn eigen avondmaal; en 57deze is hongerig, en de ander is dronken.
53 Dit wordt verstaan van het eten van enige spijze, die de rijken medebrachten als men het Avondmaal des Heeren zou houden, om daarna met de armen een maaltijd te houden, welke maaltijden in het Grieks genaamd werden agapai, dat is, maaltijden van liefde. Zie hiervan Jud. vs. 12. verwijsteksten
54 Namelijk van de rijken, zonder de armen te verwachten. Of: een iegelijk met degenen die het met hen hielden.
55 Namelijk eer de armen daarbij zijn gekomen. Of: eer het Avondmaal des Heeren gehouden wordt.
56 Dat is, een avondmaal dat niet in het gemeen van de gehele gemeente gehouden wordt, gelijk des Heeren Avondmaal gehouden moet worden, maar dat van enigen alleen met uitsluiting van anderen in het bijzonder wordt gehouden.
57 Dat is, de armen zijn hongerig, omdat men hen niet wil verwachten, en de rijken zijn dronken, omdat zij elkander op die maaltijden dikwijls tevoren zo onthaalden dat zij beschonken werden.
 
22 Hebt gij dan 58geen huizen, om daar te eten en te drinken? Of 59veracht gij de gemeente Gods, en 60beschaamt gij degenen die niet hebben? Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? 61In dezen prijs ik u niet.
58 In welke gij tevoren kunt eten en uw honger stillen, zonder dat gij zulks openlijk in de plaatsen der vergaderingen doet. Zie vers 34. verwijsteksten
59 Dat is, past gij niet op de ergernissen die daardoor in de gemeente ontstaan?
60 Dat is, de armen, die tot zulke maaltijden niets konden toebrengen, die gij óf niet wilt toelaten tot dezelve, óf niet wilt verwachten, en alzo openlijk betoont hen te verachten.
61 Dat is, in deze misbruiken des Avondmaals kan ik u geen gelijk geven, of prijzen als wél gedaan.
 
23 62Want ik heb 63van den Heere ontvangen, hetgeen ik ook u 64overgegeven heb, k65dat de Heere Jezus in den nacht in welken Hij verraden werd, het brood nam,
62 De apostel, om deze misbruiken te beteren, houdt hun de instelling voor van het Heilig Avondmaal, zo hetzelve van Christus is eerst ingesteld; hetwelk de beste en zekerste wijze is om misbruiken te beteren en weg te nemen, alzo alles naar de instelling van God en Christus in den godsdienst moet gericht worden.
63 Namelijk en niet van mensen, Gal. 1:12. Dit is geschied door openbaringen die de Heere Christus Zelf aan Paulus dikwijls gedaan heeft. verwijsteksten
64 Of: overgeleverd, dat is, getrouwelijk heb geleerd niet als mijn leer, maar van den Heere Christus Zelven.
k Matth. 26:26. Mark. 14:22. Luk. 22:19. verwijsteksten
65 De verklaring van deze volgende instelling des Avondmaals zie Matth. 26:26, enz. verwijsteksten
 
24 En als Hij gedankt had, brak Hij het en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.
25 Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker na het eten des Avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het Nieuwe 66Testament in Mijn bloed; doet dat, zo dikwijls als gij dien zult drinken, tot Mijn gedachtenis.
66 Of: verbond, Ex. 24:8. Dat is, een teken en zegel des Nieuwen Testaments of verbonds. Want de beker is het verbond zelf niet, maar een teken en zegel daarvan. verwijsteksten
 
26 Want zo dikwijls als gij 67dit brood zult eten en dezen 68drinkbeker zult drinken, 69zo verkondigt den dood des Heeren, l70totdat Hij komt.
67 Het is dan brood, dat in het Avondmaal gegeten wordt.
68 Dat is, den wijn die in den drinkbeker is; een oneigenlijke wijze van spreken.
69 De dood des Heeren moet in het Avondmaal verkondigd worden, zo van de dienaars des Woords, die bij de bediening het volk moeten onderwijzen, dat dit gebroken brood en deze wijn een teken en verzegeling is van den bitteren dood van Christus aan het kruis, en van de weldaden daardoor voor ons verkregen; alsook van degenen die het genieten, die in hun hart moeten overdenken, geloven en met dankzegging belijden, dat de Heere Christus voor hen is gestorven, om hen van den eeuwigen dood te verlossen en zalig te maken, hetwelk alles door de woorden: doet dit tot Mijn gedachtenis, vers 25, te kennen gegeven is. verwijsteksten
l Joh. 14:3. Hand. 1:11. verwijsteksten
70 Namelijk om te oordelen de levenden en de doden; want gelijk de sacramenten des Ouden Testaments duurden tot op de eerste komst van Christus in het vlees, zo zullen de sacramenten des Nieuwen Testaments duren tot Zijn tweede komst in heerlijkheid.
 
27 mZo dan, wie 71onwaardiglijk dit brood eet of den drinkbeker des Heeren drinkt, die 72zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren.
m Num. 9:10, 13. Joh. 6:51, 63, 64; 13:27. 1 Kor. 10:21. verwijsteksten
71 Dat geschiedt wanneer de personen niet recht gesteld zijn die ten Avondmaal gaan, zijnde óf openbare ergerlijke mensen, die ook moeten daarvan geweerd zijn, óf bedekte huichelaars, en in twist staande met hun naaste, en met haat, nijd, gierigheid en ongerechtigheid beladen, óf ook wanneer de gelovigen zelven zich daartoe niet behoorlijk hebben bereid, of met behoorlijke aandacht hetzelve niet nuttigen.
72 Namelijk omdat hij het teken van het lichaam en bloed van Christus door zulke misbruiken smaadheid aandoet. Want de smaadheid die men des konings zegel aandoet, wordt gehouden alsof zij den koning zelven aangedaan ware.
 
28 nMaar de mens 73beproeve zichzelven, en 74ete alzo 75van het brood en drinke 76van den drinkbeker.
n 2 Kor. 13:5. verwijsteksten
73 Dat is, onderzoeke zijn gemoed en consciëntie, of hij ook in zijn hart gevoelt een recht leedwezen en droefheid over zijn zonden, alsook een vast geloof en vertrouwen op de verdiensten van Jezus Christus, en daarenboven een ongeveinsd voornemen om de zonden meer en meer af te sterven, en in een nieuw godzalig leven voor God te wandelen. Zie Gen. 17:1. 2 Kor. 13:5. verwijsteksten
74 Namelijk nadat hij zichzelven recht zal beproefd en alzo bevonden hebben.
75 Gr. uit.
76 Gr. uit.
 
29 Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven 77een oordeel, 78niet onderscheidende het lichaam des Heeren.
77 Dat is, een schuld of straf. Zie Matth. 23:14. Luk. 23:40. Rom. 2:3; 5:16; 13:2. Jak. 3:1. Hetwelk verstaan wordt, óf van de eeuwige straffen ten aanzien van de huichelaars; óf van de tijdelijke kastijdingen ten aanzien van de gelovigen het Avondmaal niet waardiglijk gebruikende, gelijk hierna verklaard wordt, vers 30. verwijsteksten
78 Dat is, dewijl hij geen onderscheid maakt tussen het brood des Avondmaals, hetwelk een heilig teken is van des Heeren lichaam, en tussen gemene spijze; en alzo zonder beproeving en eerbied hetzelve eet gelijk ander gemeen brood.
 
30 79Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen 80slapen.
79 Dat is, om dit misbruik van het Heilig Avondmaal.
80 Dat is, zijn alrede gestorven. Zie Matth. 9:24; 27:52. Joh. 11:11. 1 Kor. 7:39; 15:6, 18. 1 Thess. 4:13. verwijsteksten
 
31 oWant indien wij onszelven 81oordeelden, zo zouden wij niet 82geoordeeld worden.
o Ps. 32:5. Spr. 18:17. verwijsteksten
81 Of: onderscheidden, dat is, na een goede en ernstige beproeving van onszelven recht oordeelden hoe het met ons gesteld is, of wij waardiglijk aan de tafel des Heeren mogen gaan of niet; en zo wij ons bevinden onwaardig, dat wij ons onthouden van die heilige spijze, totdat wij ons leven zullen gebeterd hebben.
82 Dat is, gestraft of gekastijd van den Heere met zodanige plagen als tevoren verhaald zijn, vers 30. verwijsteksten
 
32 83Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van den Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden.
83 Dezen troost doet de apostel daarbij, opdat de gelovigen door de hardigheid van de voorgaande bestraffingen niet te zeer zouden verslagen worden. De troost bestaat in twee delen: eerstelijk, dat zulke plagen geen straffen eigenlijk zijn, maar Vaderlijke kastijdingen of tuchtigingen; ten tweede, dat zij tot een goed einde van God toegezonden worden, namelijk tot onze zaligheid, opdat wij daardoor tot ware bekering gebracht worden en met de goddelozen niet verdoemd worden.
 
33 Zo dan, mijne broeders, als gij samenkomt 84om te eten, 85verwacht elkander.
84 Namelijk het Avondmaal des Heeren, of ook om daarna te houden de maaltijden der liefde, in welke de rijken de armen niet verwachtten, uit verachting derzelve.
85 Namelijk totdat gij allen bijeengekomen zijt; of dat de een wacht totdat de ander zal aan de tafel geweest zijn, om niet ongeschiktelijk elkander te overdringen.
 
34 Doch zo iemand hongert, 86dat hij te huis ete, opdat gij niet 87tot een oordeel samenkomt. 88De overige dingen nu zal ik ordineren als ik zal gekomen zijn.
86 Dat is, zo iemand zo lang niet kan vasten, totdat het Avondmaal des Heeren is gehouden, dat hij liever in zijn huis zich ontnuchtere, eer hij in de vergadering komt en aan de tafel des Heeren gaat.
87 Dat is, met onordelijkheid en ongeschiktheid u een straf op den hals haalt. Zie vers 29. verwijsteksten
88 Namelijk aangaande de goede orde, die in het plegen van den uiterlijken godsdienst in uw vergaderingen moet onderhouden worden; want daarvan spreekt hij hier, en niet van zaken die de leer of zeden aangaan; gelijk het woord ordineren, hetwelk hij hier gebruikt, ook medebrengt.

Einde 1 Korinthe 11