Statenvertaling.nl

sample header image

Handelingen 5 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Handelingen 5

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Ananías en Saffira
1 EN een zeker man, met name Ananías, met Saffira, zijn vrouw, verkocht een have,
2 En onttrok van den prijs, ook met medeweten van zijn vrouw, en bracht een zeker deel en legde dat aan de voeten der apostelen.
3 En Petrus zeide: Ananías, waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij den Heiligen Geest liegen zoudt en onttrekken van den prijs des lands?
4 Zo het gebleven ware, bleef het niet uwe, en verkocht zijnde, was het niet in uw macht? Wat is het dat gij deze daad in uw hart hebt voorgenomen? Gij hebt den mensen niet gelogen, maar Gode.
5 En Ananías deze woorden horende, viel neder en gaf den geest. En er kwam grote vrees over allen die dit hoorden.
6 En de jongelingen opstaande, schikten hem toe, en droegen hem uit, en begroeven hem.
7 En het was omtrent drie uren daarna, dat ook zijn vrouw daar inkwam, niet wetende wat er geschied was.
8 En Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt gijlieden het land voor zoveel verkocht? En zij zeide: Ja, voor zoveel.
9 En Petrus zeide tot haar: Wat is het dat gij onder u hebt overeengestemd te verzoeken den Geest des Heeren? Zie, de voeten dergenen die uw man begraven hebben, zijn voor de deur, en zullen u uitdragen.
10 En zij viel terstond neder voor zijn voeten, en gaf den geest. En de jongelingen ingekomen zijnde, vonden haar dood, en droegen haar uit, en begroeven haar bij haar man.
11 En er kwam grote vrees over de gehele gemeente, en over allen die dit hoorden.
 
Tekenen en wonderen
12 aEn door de handen der apostelen geschiedden vele tekenen en wonderen onder het volk; en zij waren allen eendrachtelijk in het voorhof van Sálomo. a Mark. 16:17. Hand. 2:43. verwijsteksten
13 En van de anderen durfde niemand zich bij hen voegen; maar het volk hield hen in grote achting.
14 En daar werden er meer en meer toegedaan, die den Heere geloofden, menigten beide van mannen en van vrouwen;
15 Alzo dat zij de kranken uitdroegen op de straten en legden op bedden en beddekens, opdat, als Petrus kwam, ook maar de schaduw iemand van hen beschaduwen mocht.
16 En ook de menigte uit de omliggende steden kwam gezamenlijk te Jeruzalem, brengende kranken ben die van onreine geesten gekweld waren; welke allen genezen werden. b Mark. 16:17. Hand. 8:7; 16:18; 19:12. verwijsteksten
 
Wederom voor den Groten Raad
17 En de hogepriester stond op, en allen die met hem waren (welke was de sekte der sadduceeën), en werden vervuld met nijdigheid,
18 En sloegen hun handen aan de apostelen, en zetten hen in de algemene gevangenis.
19 cMaar de engel des Heeren opende des nachts de deuren der gevangenis en leidde hen uit, en zeide: c Hand. 12:7; 16:26. verwijsteksten
20 Gaat heen, en staat en spreekt in den tempel tot het volk al de woorden dezes levens.
21 Als zij nu dit gehoord hadden, gingen zij tegen den morgenstond in den tempel en leerden. Maar de hogepriester en die met hem waren, gekomen zijnde, riepen den Raad tezamen en al de oudsten der kinderen Israëls, en zonden naar den kerker om hen te halen.
22 Doch als de dienaars daar kwamen, vonden zij hen in de gevangenis niet, maar keerden weder en boodschapten dit,
23 Zeggende: Wij vonden wel den kerker met alle verzekerdheid toegesloten, en de wachters buiten staande voor de deuren; maar als wij die geopend hadden, vonden wij niemand daarbinnen.
24 Toen nu de hogepriester en de hoofdman des tempels en de overpriesters deze woorden hoorden, werden zij twijfelmoedig over hen, wat toch dit worden zou.
25 En er kwam een en boodschapte hun, zeggende: Zie, de mannen die gij in de gevangenis gezet hebt, staan in den tempel en leren het volk.
26 Toen ging de hoofdman heen met de dienaren, en bracht hen, doch niet met geweld (dwant zij vreesden het volk, opdat zij niet gestenigd werden). d Matth. 21:26. Hand. 4:21. verwijsteksten
27 En als zij hen gebracht hadden, stelden zij hen voor den Raad; en de hogepriester vraagde hun en zeide:
28 eHebben wij u niet ernstiglijk aangezegd, dat gij in dezen Naam niet zoudt leren? En zie, gij hebt met deze uw leer Jeruzalem vervuld, en gij wilt het bloed van dezen Mens over ons brengen. e Hand. 4:18. verwijsteksten
29 Maar Petrus en de apostelen antwoordden en zeiden: fMen moet Gode meer gehoorzaam zijn dan den mensen. f Hand. 4:19. verwijsteksten
30 gDe God onzer vaderen heeft Jezus opgewekt, Welken gij omgebracht hebt, hhangende Hem aan het hout. g Hand. 3:15. h Deut. 21:23. Hand. 10:39; 13:29. 1 Petr. 2:24. verwijsteksten
31 Dezen heeft God door Zijn rechterhand iverhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekering en vergeving der zonden. i Hand. 2:33; 3:15. Filipp. 2:9. verwijsteksten
32 En wij zijn kZijn getuigen van deze woorden, en ook de Heilige Geest, Welken God lgegeven heeft dengenen die Hem gehoorzaam zijn. k Joh. 15:27. l Hand. 2:4. verwijsteksten
33 Als zij nu dit hoorden, berstte hun het hart, en zij hielden raad om hen te doden.
34 Maar een zeker farizeeër stond op in den Raad, met name Gamáliël, een leraar der wet, in waarde gehouden bij al het volk, en gebood dat men de apostelen een weinig zou doen buiten staan.
35 En hij zeide tot hen: Gij Israëlitische mannen, ziet voor u, wat gij doen zult aangaande deze mensen.
36 mWant vóór deze dagen stond Theudas op, zeggende dat hij wat was, dien een getal van omtrent vierhonderd mannen aanhing; welke is omgebracht, en allen die hem gehoor gaven, zijn verstrooid en tot niet geworden. m Hand. 21:38. verwijsteksten
37 Na hem stond op Judas, de Galileeër, in de dagen der beschrijving, en maakte veel volk afvallig achter zich; en deze is ook vergaan, en allen die hem gehoor gaven, zijn verstrooid geworden.
38 En nu zeg ik ulieden: Houdt af van deze mensen en laat hen gaan; nwant indien deze raad of dit werk uit mensen is, zo zal het gebroken worden. n Spr. 21:30. Jes. 8:10. Matth. 15:13. verwijsteksten
39 Maar indien het uit God is, zo kunt gij dat niet breken; opdat gij niet misschien bevonden wordt ook otegen God te strijden. o Hand. 9:5; 23:9. verwijsteksten
40 En zij gaven hem gehoor; en als zij de apostelen tot zich geroepen hadden, geselden zij hen, en geboden hun dat zij niet zouden spreken in den Naam van Jezus, en lieten hen gaan.
41 Zij dan gingen heen van het aangezicht des Raads, pverblijd zijnde dat zij waren waardig geacht geweest om Zijns Naams wil smaadheid te lijden. p Matth. 5:12. verwijsteksten
42 En zij hielden niet op allen dag in den tempel en bij de huizen te leren en Jezus Christus te verkondigen.

Einde Handelingen 5