Statenvertaling.nl

sample header image

Handelingen 13 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst


Handelingen 13

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Uitzending van Bárnabas en Saulus
1 EN er waren ate Antiochíë in de gemeente die daar was, enige profeten en leraars, namelijk Bárnabas, en Simeon genaamd Niger, en Lucius van Cyréne, en Mánahen, die met Herodes, den viervorst, opgevoed was, en Saulus. a Hand. 14:26. verwijsteksten
2 En als zij den Heere dienden en vastten, zeide de Heilige Geest: bZondert Mij af beide Bárnabas en Saulus tot het werk waartoe Ik hen cgeroepen heb. b Hand. 9:15; 22:21. Rom. 1:1. Gal. 1:15; 2:8. Ef. 3:8. 1 Tim. 2:7. 2 Tim. 1:11. c Matth. 9:38. Rom. 10:15. Hebr. 5:4. verwijsteksten
3 dToen vastten en baden zij, en hun ede handen opgelegd hebbende, lieten zij hen gaan. d Hand. 6:6; 8:15; 19:6. e Hand. 14:26. verwijsteksten
 
Op Cyprus. Elymas, de tovenaar
4 Dezen dan, uitgezonden zijnde van den Heiligen Geest, kwamen af tot Seleucië, en vandaar scheepten zij af naar Cyprus.
5 En gekomen zijnde te Sálamis, verkondigden zij het Woord Gods in de synagogen der Joden; en zij hadden ook fJohannes tot een dienaar. f Hand. 12:25. verwijsteksten
6 En als zij het eiland doorgegaan waren tot Pafos toe, vonden zij geen zekeren tovenaar, een valsen profeet, een Jood, wiens naam was Barjézus; g Hand. 8:9; 19:13. verwijsteksten
7 Welke was bij den stadhouder Sergius Paulus, een verstandigen man. Deze, Bárnabas en Saulus tot zich geroepen hebbende, zocht zeer het Woord Gods te horen.
8 hMaar Elymas, de tovenaar (want alzo wordt zijn naam overgezet), wederstond hen, zoekende den stadhouder van het geloof af te keren. h Ex. 7:11. 2 Tim. 3:8. verwijsteksten
9 Doch Saulus (die ook Paulus genaamd is), vervuld met den Heiligen Geest, en de ogen op hem houdende, zeide:
10 O gij kind des duivels, vol van alle bedrog en van alle arglistigheid, vijand van alle gerechtigheid, zult gij niet ophouden te verkeren de rechte wegen des Heeren?
11 En nu, zie, de hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn en de zon niet zien voor een tijd. En van stonden aan viel op hem donkerheid en duisternis, en rondom gaande zocht hij, die hem met de hand mochten leiden.
12 Als de stadhouder zag hetgeen geschied was, toen geloofde hij, verslagen zijnde over de leer des Heeren.
 
In Pisídisch Antiochíë
13 En Paulus en die met hem waren, van Pafos afgevaren zijnde, kwamen te Perge, een stad in Pamfylië. iMaar Johannes van hen scheidende, keerde weder naar Jeruzalem. i Hand. 15:38. verwijsteksten
14 En zij van Perge het land doorgaande, kwamen te Antiochíë, een stad in Pisídië; en gegaan zijnde in de synagoge op den dag des sabbats, zaten zij neder.
15 En na het lezen der Wet en der Profeten zonden de oversten der synagoge tot hen, zeggende: Mannen broeders, indien er enig woord van vertroosting tot het volk in u is, zo spreekt.
16 En Paulus stond op en kwenkte met de hand en zeide: Gij Israëlitische mannen en gij die God vreest, hoort toe. k Hand. 12:17; 19:33; 21:40. verwijsteksten
17 De God van dit volk Israël heeft onze vaderen luitverkoren, en het volk verhoogd, als zij vreemdelingen waren in het land van Egypte, en heeft hen met een hogen arm daaruit geleid; l Ex. 1:1. verwijsteksten
18 mEn heeft omtrent den tijd van veertig jaren hun zeden verdragen in de woestijn; m Ex. 16:35. Num. 14:34. Ps. 95:10. verwijsteksten
19 En zeven volken uitgeroeid hebbende in het land Kanaän, heeft hun ndoor het lot het land derzelve uitgedeeld. n Joz. 14:2. verwijsteksten
20 En daarna, omtrent vierhonderd en vijftig jaren, gaf Hij hun orichters, tot op Samuël, den profeet. o Richt. 2:16; 3:9. verwijsteksten
21 pEn van toen aan begeerden zij een koning; en God gaf hun qSaul, den zoon van Kis, een man uit den stam van Benjamin, veertig jaren. p 1 Sam. 8:5. Hos. 13:11. q 1 Sam. 9:15; 10:1. verwijsteksten
22 En dezen afgezet hebbende, verwekte Hij hun rDavid tot een koning; denwelken Hij ook getuigenis gaf, en zeide: sIk heb gevonden David, den zoon van Isaï, een man naar Mijn hart, die al Mijn wil zal doen. r 1 Sam. 16:12. s 1 Sam. 13:14. Ps. 89:21. Hand. 7:45. verwijsteksten
23 Van het zaad dezes heeft God Israël, naar de belofte, verwekt den Zaligmaker Jezus,
24 tAls Johannes eerst al den volke Israëls voor Zijn aankomst gepredikt had den doop der bekering. t Matth. 3:1. Mark. 1:2. Luk. 3:2. Joh. 3:23. verwijsteksten
25 Doch als Johannes den loop vervulde, zeide hij: Wie meent gijlieden dat ik ben? vIk ben de Christus niet; maar zie, Hij komt na mij, xWien ik niet waardig ben de schoenen Zijner voeten te ontbinden. v Joh. 1:20. x Matth. 3:11. verwijsteksten
26 Mannen broeders, kinderen van het geslacht Abrahams, en die onder u God vrezen, ytot u is het woord dezer zaligheid gezonden. y vers 46. Matth. 10:6. Hand. 3:26. verwijsteksten
27 Want die te Jeruzalem wonen, en hun oversten, zDezen niet kennende, hebben ook de stemmen der profeten, die op elken sabbatdag gelezen worden, Hem veroordelende, vervuld; z Joh. 16:3. Hand. 3:17. 1 Kor. 2:8. 1 Tim. 1:13. verwijsteksten
28 aEn geen oorzaak des doods vindende, hebben zij van Pilatus begeerd dat Hij zou gedood worden. a Matth. 27:20. Mark. 15:11. Luk. 23:18. Joh. 19:6. verwijsteksten
29 En als zij alles volbracht hadden wat van Hem geschreven was, namen zij Hem af van het hout en legden Hem in het graf.
30 bMaar God heeft Hem uit de doden opgewekt; b Matth. 28:6. Mark. 16:6. Luk. 24:6. verwijsteksten
31 cWelke gezien is geweest, vele dagen lang, van degenen die met Hem opgekomen waren van Galiléa tot Jeruzalem, die Zijn getuigen zijn bij het volk. c Mark. 16:14. Joh. 20:19; 21:1. Hand. 1:3. 1 Kor. 15:5. verwijsteksten
32 En wij verkondigen u dde belofte die tot de vaderen geschied is, dat namelijk God dezelve vervuld heeft aan ons, hun kinderen, als Hij Jezus verwekt heeft; d Gen. 3:15; 22:18; 26:4; 49:10. Deut. 18:15. 2 Sam. 7:12. Ps. 132:11. Jes. 4:2; 7:14; 9:5; 40:10. Jer. 23:5; 33:14. Ez. 34:23; 37:24. Dan. 9:24, 25. verwijsteksten
33 Gelijk ook in den tweeden psalm geschreven staat: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.
34 En dat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, alzo dat Hij niet meer zal tot verderving keren, heeft Hij aldus gezegd: eIk zal ulieden de weldadigheden Davids geven, die getrouw zijn. e Jes. 55:3. verwijsteksten
35 Waarom hij ook in een anderen psalm zegt: fGij zult Uw Heilige niet overgeven om verderving te zien. f Ps. 16:10. Hand. 2:27. verwijsteksten
36 gWant David, als hij in zijn tijd den raad Gods gediend had, is ontslapen, en is bij zijn vaderen gelegd, en heeft wel verderving gezien; g 1 Kon. 2:10. Hand. 2:29. verwijsteksten
37 Maar Hij Dien God opgewekt heeft, heeft geen verderving gezien.
38 Zo zij u dan bekend, mannen broeders, hdat door Dezen u vergeving der zonden verkondigd wordt; h Luk. 24:47. 1 Joh. 2:12. verwijsteksten
39 iEn dat van alles, waarvan gij niet kondet gerechtvaardigd worden door de wet van Mozes, door Dezen keen iegelijk die gelooft, gerechtvaardigd wordt. i Rom. 3:28; 8:3. Gal. 2:16. Hebr. 7:19. k Rom. 10:4. verwijsteksten
40 Ziet dan toe, dat over ulieden niet kome hetgeen gezegd is in de Profeten:
41 lZiet, gij verachters, en verwondert u, en verdwijnt; want Ik werk een werk in uw dagen, een werk hetwelk gij niet zult geloven, zo het u iemand verhaalt. l Jes. 28:14. Hab. 1:5. verwijsteksten
42 En als de Joden uitgegaan waren uit de synagoge, baden de heidenen dat tegen den naasten sabbat hun dezelfde woorden zouden gesproken worden.
43 En als de synagoge gescheiden was, volgden velen van de Joden en van de godsdienstige Jodengenoten Paulus en Bárnabas; welke tot hen spraken men hen vermaanden te blijven bij de genade Gods. m Hand. 11:23; 14:22. verwijsteksten
44 En op den volgenden sabbat kwam bijna de gehele stad tezamen om het Woord Gods te horen.
45 Doch de Joden de scharen ziende, werden met nijdigheid vervuld, en wederspraken hetgeen van Paulus gezegd werd, wedersprekende en lasterende.
46 Maar Paulus en Bárnabas vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: nHet was nodig dat eerst tot u het Woord Gods gesproken zou worden; odoch nademaal gij hetzelve verstoot, en uzelven des eeuwigen levens niet waardig oordeelt, zie, wij keren ons tot de heidenen. n vers 26. Matth. 10:6. Hand. 3:26. o Ex. 32:10. Jes. 55:5. Matth. 8:12; 21:43. Rom. 10:19. verwijsteksten
47 Want alzo heeft ons de Heere geboden, zeggende: pIk heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste der aarde. p Jes. 42:6; 49:6. Luk. 2:32. verwijsteksten
48 Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich en prezen het Woord des Heeren; en er geloofden zovelen als er geordineerd waren tot het eeuwige leven.
49 En het Woord des Heeren werd door het gehele land uitgebreid.
50 Maar de Joden maakten op de godsdienstige en eerlijke vrouwen en de voornaamsten van de stad, qen verwekten vervolging tegen Paulus en Bárnabas, en wierpen hen uit hun landpalen. q 2 Tim. 3:11. verwijsteksten
51 Doch zij schudden het stof van hun voeten af tegen dezelve, en kwamen te Ikónium.
52 En de discipelen werden vervuld met blijdschap en met den Heiligen Geest.

Einde Handelingen 13