Statenvertaling.nl

sample header image

Handelingen 10 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Handelingen 10

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

De hoofdman Cornelius
1 EN er was een zeker man te Cesaréa, met name Cornelius, een hoofdman over honderd, uit de bende genaamd de Italiaanse,
2 Godzalig en vrezende God, met geheel zijn huis, en doende vele aalmoezen aan het volk, en God geduriglijk biddende.
3 Deze zag in een gezicht klaarlijk, omtrent de negende ure des daags, een engel Gods tot hem inkomen, en tot hem zeggende: Cornelius.
4 En hij de ogen op hem houdende, en zeer bevreesd geworden zijnde, zeide: Wat is het, Heere? En hij zeide tot hem: Uw gebeden en uw aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God.
5 En nu, zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd wordt Petrus.
6 Deze ligt te huis bij enen Simon, lederbereider, die zijn huis heeft bij de zee; deze zal u zeggen wat gij doen moet.
7 En als de engel die tot Cornelius sprak, weggegaan was, riep hij twee van zijn huisknechten, en een godzaligen krijgsknecht van degenen die gedurig bij hem waren;
8 En als hij hun alles verhaald had, zond hij hen naar Joppe.
9 En des anderen daags, terwijl dezen reisden en nabij de stad kwamen, aklom Petrus op het dak om te bidden, omtrent de zesde ure. a 2 Kon. 4:33. Matth. 6:6. verwijsteksten
10 En hij werd hongerig en begeerde te eten. En terwijl zij het bereidden, viel over hem een vertrekking van zinnen.
11 En hij zag den hemel geopend, en een zeker vat tot hem nederdalen, gelijk een groot linnen laken, aan de vier hoeken gebonden, en nedergelaten op de aarde;
12 In hetwelk waren al de viervoetige dieren der aarde, en de wilde en de kruipende dieren, en de vogelen des hemels.
13 En er geschiedde een stem tot hem: Sta op, Petrus, slacht en eet.
14 Maar Petrus zeide: Geenszins, Heere, want bik heb nooit gegeten iets dat gemeen of onrein was. b Lev. 11:4. Deut. 14:7. verwijsteksten
15 En een stem geschiedde wederom ten tweeden male tot hem: cHetgeen God gereinigd heeft, zult gij niet gemeen maken. c Matth. 15:11. Rom. 14:17, 20. 1 Tim. 4:4. Tit. 1:15. verwijsteksten
16 En dit geschiedde tot driemaal; en het vat werd wederom opgenomen in den hemel.
17 En alzo Petrus in zichzelven twijfelde wat toch het gezicht mocht zijn dat hij gezien had, zie, de mannen die van Cornelius afgezonden waren, gevraagd hebbende naar het huis van Simon, stonden aan de poort.
18 En iemand geroepen hebbende, vraagden zij of Simon, toegenaamd Petrus, daar te huis lag.
19 En als Petrus over dat gezicht dacht, zeide de Geest tot hem: Zie, drie mannen zoeken u;
20 dDaarom, sta op, ga af, en reis met hen, niet twijfelende; want Ik heb hen gezonden. d Hand. 15:7. verwijsteksten
21 En Petrus ging af tot de mannen die van Cornelius tot hem gezonden waren, en zeide: Zie, ik ben het dien gij zoekt; wat is de oorzaak waarom gij hier zijt?
22 En zij zeiden: Cornelius, een hoofdman over honderd, een rechtvaardig man, en vrezende God, en die goede getuigenis heeft van het ganse volk der Joden, is door Goddelijke openbaring vermaand van een heiligen engel, dat hij u zou ontbieden te zijnen huize, en dat hij van u woorden der zaligheid zou horen.
23 Als hij hen dan ingeroepen had, ontving hij hen in huis. Doch des anderen daags ging Petrus met hen heen, en sommigen der broederen, die van Joppe waren, gingen met hem.
24 En des anderen daags kwamen zij te Cesaréa. En Cornelius verwachtte hen, samengeroepen hebbende die van zijn maagschap en bijzonderste vrienden.
25 En als het geschiedde dat Petrus inkwam, ging hem Cornelius tegemoet, en vallende aan zijn voeten, aanbad hij.
26 Maar Petrus richtte hem op, zeggende: eSta op, ik ben ook zelf een mens. e Hand. 14:14. Openb. 19:10; 22:9. verwijsteksten
27 En met hem sprekende, ging hij in, en vond er velen die samengekomen waren.
28 En hij zeide tot hen: fGij weet hoe het een Joodsen man ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaan tot een vreemde; gdoch God heeft mij getoond dat ik geen mens zou gemeen of onrein heten. f Ex. 23:32; 34:15. Deut. 7:2. Joh. 4:9; 18:28. Hand. 11:3. g Hand. 15:8. Ef. 3:6. verwijsteksten
29 Daarom ben ik ook zonder tegenspreken gekomen, ontboden zijnde. Zo vraag ik dan om wat reden gijlieden mij hebt ontboden.
30 En Cornelius zeide: Over vier dagen was ik vastende tot deze ure toe, en te negender ure bad ik in mijn huis.
31 En zie, een man stond voor mij hin een blinkend kleed, en zeide: Cornelius, uw gebed is verhoord en uw aalmoezen zijn voor God gedacht geworden. h Matth. 28:3. Mark. 16:5. Luk. 24:4. verwijsteksten
32 Zend dan naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd wordt Petrus; deze ligt te huis in het huis van Simon, den lederbereider, aan de zee; welke hier gekomen zijnde, tot u spreken zal.
33 Zo heb ik dan van stonden aan tot u gezonden, en gij hebt wel gedaan dat gij hier gekomen zijt. Wij zijn dan allen nu hier tegenwoordig voor God, om te horen al hetgeen u van God bevolen is.
34 En Petrus den mond opendoende, zeide: Ik verneem in der waarheid, idat God geen aannemer des persoons is; i Deut. 10:17. 2 Kron. 19:7. Job 34:19. Rom. 2:11. Gal. 2:6. Ef. 6:9. Kol. 3:25. 1 Petr. 1:17. verwijsteksten
35 kMaar in allen volke is die Hem vreest en gerechtigheid werkt, Hem aangenaam. k Jes. 56:6. verwijsteksten
36 Dit is het woord dat Hij gezonden heeft den kinderen Israëls, lverkondigende vrede door Jezus Christus: Deze is een Heere van allen. l Jes. 9:5; 52:7. Joh. 16:33. Rom. 5:1. Kol. 1:20. verwijsteksten
37 Gijlieden weet de zaak die geschied is door geheel Judéa, mbeginnende van Galiléa, na den doop welken Johannes gepredikt heeft, m Jes. 8:23; 9:1. Matth. 4:12. Mark. 1:14, 38, 39. Luk. 4:14. verwijsteksten
38 Belangende Jezus van Nazareth, nhoe Hem God gezalfd heeft met den Heiligen Geest en met kracht; Welke het land doorgegaan is, goeddoende, en genezende allen die van den duivel overweldigd waren; want God was met Hem. n Ps. 45:8. Jes. 61:1. Luk. 4:18. verwijsteksten
39 En wij zijn getuigen van al hetgeen Hij gedaan heeft, beide in het Joodse land en te Jeruzalem; Welken zij gedood hebben, Hem hangende aan een hout.
40 oDezen heeft God opgewekt ten derden dage, en gegeven dat Hij openbaar zou worden, o Mark. 16:14. Luk. 24:34. Joh. 20:19. Hand. 2:24. 1 Kor. 15:5. verwijsteksten
41 Niet al den volke, maar den getuigen die van God tevoren verkoren waren, ons namelijk, die met Hem gegeten en gedronken hebben, nadat Hij uit de doden opgestaan was;
42 pEn heeft ons geboden den volke te prediken, en te betuigen dat Hij is Degene Die qvan God verordineerd is tot een Rechter van levenden en doden. p Matth. 28:19. Mark. 16:15. Joh. 15:16. q Hand. 17:31. verwijsteksten
43 rDezen geven getuigenis al de profeten, sdat een iegelijk die in Hem gelooft, vergeving der zonden ontvangen zal door Zijn Naam. r Gen. 3:15; 22:18; 26:4; 49:10. Deut. 18:15. Ps. 132:11. Jes. 4:2; 7:14; 9:5; 40:10. Jer. 23:5; 33:14. Ez. 34:23; 37:24. Dan. 9:24. Micha 7:20. s Hand. 15:9. verwijsteksten
 
De Heilige Geest daalt op heidenen
44 tAls Petrus nog deze woorden sprak, viel de Heilige Geest op allen die het Woord hoorden. t Hand. 8:17. verwijsteksten
45 En de gelovigen die uit de besnijdenis waren, zovelen als er met Petrus waren gekomen, ontzetten zich dat de gave des Heiligen Geestes ook op de heidenen uitgestort werd;
46 vWant zij hoorden hen spreken met vreemde talen, en God grootmaken. Toen antwoordde Petrus: v Mark. 16:17. Hand. 2:4. verwijsteksten
47 xKan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, welke den Heiligen Geest ontvangen hebben gelijk als ook wij? x Hand. 8:36; 11:17. verwijsteksten
48 En hij beval dat zij zouden gedoopt worden in den Naam des Heeren. Toen baden zij hem dat hij enige dagen bij hen wilde blijven.

Einde Handelingen 10