Johannes 20 – Statenvertaling met kanttekeningen

Statenvertaling.nl

sample header image

Johannes 20 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Johannes 20

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

De opstanding
1 ENa op den eersten dag der week ging Maria Magdaléna vroeg, als het nog duister was, naar het graf, en zag den steen van het graf weggenomen. a Matth. 28:1. Mark. 16:1. Luk. 24:1. verwijsteksten
2 Zij liep dan en kwam tot Simon Petrus en tot den anderen discipel, bwelken Jezus liefhad, en zeide tot hen: Zij hebben den Heere weggenomen uit het graf, en wij weten niet waar zij Hem gelegd hebben. b Joh. 13:23; 21:7, 20. verwijsteksten
3 cPetrus dan ging uit, en de andere discipel, en zij kwamen tot het graf. c Luk. 24:12. verwijsteksten
4 En deze twee liepen tegelijk; en de andere discipel liep vooruit, sneller dan Petrus, en kwam eerst tot het graf.
5 En als hij nederbukte, zag hij dde doeken liggen; nochtans ging hij daar niet in. d Joh. 19:40. verwijsteksten
6 Simon Petrus dan kwam en volgde hem, en ging in het graf, en zag de doeken liggen;
7 En eden zweetdoek, die op Zijn hoofd geweest was, zag hij niet bij de doeken liggen, maar in het bijzonder in een andere plaats samengerold. e Joh. 11:44. verwijsteksten
8 Toen ging dan ook de andere discipel daarin, die eerst tot het graf gekomen was, en zag het en geloofde.
9 Want zij wisten nog fde Schrift niet, dat Hij van de doden moest opstaan. f Ps. 16:10. Hand. 2:25, 31; 13:35. verwijsteksten
10 De discipelen dan gingen wederom naar huis.
 
De verschijning aan Maria Magdaléna
11 gEn Maria stond buiten bij het graf, wenende. Als zij dan weende, bukte zij in het graf, g Matth. 28:1. Mark. 16:5. Luk. 24:4. verwijsteksten
12 En zag twee engelen in witte klederen zitten, een aan het hoofd en een aan de voeten, waar het lichaam van Jezus gelegen had.
13 En die zeiden tot haar: Vrouw, wat weent gij? Zij zeide tot hen: Omdat zij mijn Heere weggenomen hebben, en ik weet niet waar zij Hem gelegd hebben.
14 hEn als zij dit gezegd had, keerde zij zich achterwaarts, en zag Jezus staan, en zij wist niet dat het Jezus was. h Matth. 28:9. Mark. 16:9. verwijsteksten
15 Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat weent gij? Wien zoekt gij? Zij, menende dat het de hovenier was, zeide tot Hem: Heere, zo gij Hem weggedragen hebt, zeg mij waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen.
16 Jezus zeide tot haar: Maria. Zij zich omkerende, zeide tot Hem: Rabbouni, hetwelk is gezegd: Meester.
17 Jezus zeide tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader; maar ga heen itot Mijn broeders, en zeg hun: kIk vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God. i Ps. 22:23. Matth. 28:10. Hebr. 2:11. k Joh. 16:28. verwijsteksten
18 lMaria Magdaléna ging en boodschapte den discipelen dat zij den Heere gezien had, en dat Hij haar dit gezegd had. l Matth. 28:8. Mark. 16:10. Luk. 24:9. verwijsteksten
 
De verschijning aan de discipelen
19 mAls het dan avond was op denzelven eersten dag der week, en als de deuren gesloten waren waar de discipelen vergaderd waren, om de vreze der Joden, kwam Jezus en stond in het midden en zeide tot hen: Vrede zij ulieden. m Mark. 16:14. Luk. 24:36. 1 Kor. 15:5. verwijsteksten
20 En dit gezegd hebbende, toonde Hij hun Zijn handen en Zijn zijde. nDe discipelen dan werden verblijd als zij den Heere zagen. n Joh. 16:22. verwijsteksten
21 Jezus dan zeide wederom tot hen: Vrede zij ulieden; ogelijkerwijs Mij de Vader gezonden heeft, zend Ik ook ulieden. o Jes. 61:1. Matth. 28:19. Mark. 16:15. Luk. 4:18. Joh. 17:18. verwijsteksten
22 En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zeide tot hen: Ontvangt den Heiligen Geest.
23 pZo gij iemands zonden vergeeft, dien worden ze vergeven; zo gij iemands zonden houdt, dien zijn ze gehouden. p Matth. 16:19; 18:18. verwijsteksten
 
Jezus en Thomas
24 En Thomas, een van de twaalve, gezegd Dídymus, was met hen niet toen Jezus daar kwam.
25 De andere discipelen dan zeiden tot hem: Wij hebben den Heere gezien. Doch hij zeide tot hen: Indien ik in Zijn handen niet zie het teken der nagelen, en mijn vinger steek in het teken der nagelen, en steek mijn hand in Zijn zijde, ik zal geenszins geloven.
26 En na acht dagen waren Zijn discipelen wederom binnen, en Thomas met hen; en Jezus kwam als de deuren gesloten waren, en stond in het midden, en zeide: Vrede zij ulieden.
27 Daarna zeide Hij tot Thomas: Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen, qen breng uw hand en steek ze in Mijn zijde; en zijt niet ongelovig, maar gelovig. q 1 Joh. 1:1. verwijsteksten
28 En Thomas antwoordde en zeide tot Hem: Mijn Heere en mijn God.
29 Jezus zeide tot hem: Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt gij geloofd; rzalig zijn zij die niet zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben. r 1 Petr. 1:8. verwijsteksten
30 Jezus dan heeft nog wel svele andere tekenen in de tegenwoordigheid Zijner discipelen gedaan, die niet zijn geschreven in dit boek; s Joh. 21:25. verwijsteksten
31 Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft dat Jezus is de Christus, de Zone Gods, en opdat gij gelovende het leven hebt in Zijn Naam.

Einde Johannes 20