Statenvertaling.nl

sample header image

Jeremia 10 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Jeremia 10

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

God verbiedt Zijn volk de heidense vrees voor de hemeltekenen, vss. 1, 2. Beschrijft wijdlopig en bespot de ijdelheid der afgoden en dwaasheid van den afgodischen beeldendienst, met tegenstelling van Zijn Goddelijke majesteit en macht, mitsgaders den dienst dien Jakob Hem bijzonderlijk schuldig was, 3, enz. Profeteert en beeldt af door weeklagen de verstoring van Jeruzalem en gans Juda door de Babyloniërs, 17. Waarop de profeet, in zijn en der kerke naam, God bidt om matiging dezes oordeels en straf der goddeloze vijanden, 23.
 
De HEERE en de afgoden
1 HOORT het woord dat de HEERE 1tot ulieden spreekt, o huis Israëls.
1 Of: over, van, ulieden aangaande gesproken heeft.
 
2 Zo zegt de HEERE: Leert 2den weg der heidenen niet, en ontzet u niet voor de 3tekenen des hemels, 4dewijl zich de heidenen voor dezelve ontzetten.
2 Of: in den weg der heidenen te gaan, dat is, hun afgodische wijze en manier van doen te volgen.
3 Zon, maan, sterren, enz. Zie Gen. 1 op vers 14. Die de heidenen tot afgoden maakten, en hun de regering der wereld toeschreven, en uit hun loop toekomstige dingen voorzeiden, waarin de Joden hen navolgden, als te zien is Jer. 7:18, enz. verwijsteksten
4 Anders: hoewel, niettegenstaande, enz. Insgelijks: maar laat de heidenen, enz.
 
3 Want de 5inzettingen der volken zijn ijdelheid; want ahet is 6hout dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van des werkmeesters handen met de bijl.
5 De afgoden, afgodische ordinantiën, ceremoniën.
a Jes. 44:14, enz. verwijsteksten
6 Vgl. vers 8. Of: iemand houwt een boom af uit het woud, tot een werk, enz. verwijsteksten
 
4 Men 7pronkt het op met zilver en met goud; zij bhechten 8ze met nagelen en met hamers, opdat 9het niet 10waggele.
7 Hebr. Hij maakt het schoon, fraai.
b Jes. 41:7. verwijsteksten
8 De gemaakte houten afgoden maken zij vast aan een wand of pilaar.
9 Beeld, de afgod.
10 Of: niet uitga, of: men laat het niet waggelen, dat is, men maakt het zo vast dat het buiten gevaar is van los te worden en te vallen, waarvoor deze houten god zichzelven niet bewaren kan.
 
5 Zij zijn gelijk een 11palmboom van 12dicht werk, maar ckunnen niet spreken; zij 13moeten dgedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vreest niet voor hen, want zij kunnen egeen 14kwaad doen, ook zo is er geen goeddoen bij hen.
11 Stijf of strak overeind staande, van gelijkmatig geslagen platen rechtop gemaakt, alsof zij leven hadden en spreken wilden, maar kunnen geen werk van een levend mens doen, als volgt.
12 Zie Ex. 25 op vers 31. verwijsteksten
c Ps. 115:5. verwijsteksten
13 Hebr. dragende worden zij gedragen.
d Jes. 46:1, 7. verwijsteksten
e Jes. 41:23. verwijsteksten
14 Hun vijanden niet beschadigen, noch hun vrienden helpen. Vgl. Deut. 32 op vers 31. verwijsteksten
 
6 Omdat niemand fU gelijk is, o HEERE, zo zijt Gij groot, en groot is Uw Naam in 15mogendheid.
f Ps. 86:8, 10. verwijsteksten
15 Daar integendeel alle afgoden machteloos zijn.
 
7 gWie zou U niet vrezen, Gij Koning der 16heidenen? Want het 17komt U toe; omdat toch onder alle 18wijzen der heidenen en in hun 19ganse koninkrijk niemand U gelijk is.
g Openb. 15:4. verwijsteksten
16 Zelfs regerende over die volken die U niet kennen, maar de afgoden dienen.
17 Of: past U, dat men U vreze.
18 Die zich meest op wijsheid plegen te beroemen en toch enkel dwazen zijn, als in het volgende vers bewezen wordt.
19 Dat is, al hun koninkrijken, die tezamen een afgodisch heidens koninkrijk uitmaken.
 
8 20In één ding zijn zij toch h21onvernuftig en zot: een 22hout is een onderwijs der ijdelheden.
20 Of: Tezamen, allen ineen gerekend.
h Jes. 41:29. Hab. 2:18. Zach. 10:2. verwijsteksten
21 Als onvernuftige beesten; alzo vss. 14, 21. Zie Ps. 49 op vers 11. verwijsteksten
22 Door de afgodische beelden en hun dienst worden de mensen tot enkel ijdelheid gevoerd, het zijn niets dan leermeesters van enkel ijdelheid. Zie 2 Kon. 17 op vers 15, en van het gebruik van het Hebreeuwse woord, dat onderwijs en tucht betekent, Spr. 16 op vers 22. verwijsteksten
 
9 23Uitgerekt zilver wordt van 24Tarsis gebracht, en goud van 25Ufaz, tot een werk van den werkmeester en van de handen van den goudsmid; hemelsblauw en purper is 26hun kleding, een werk der 27wijzen zijn 28zij altezamen.
23 In platen.
24 Over den oceaan. Zie 1 Kon. 10 op vers 22. verwijsteksten
25 Dit houdt men een te wezen met Ofir, waarvan zie 1 Kon. 9 op vers 28. Anderen houden het voor Fez. verwijsteksten
26 Der afgodische beelden.
27 Dat is, ervaren, kunstige werklieden. Vgl. Ex. 31:6. Jer. 9 op vers 17. verwijsteksten
28 De afgoden.
 
10 Maar de HEERE God is 29de Waarheid, Hij is de 30levende God en een 31eeuwig Koning; van Zijn verbolgenheid beeft de aarde, en de heidenen kunnen Zijn gramschap niet verdragen.
29 Anders: de Heere is waarachtig God; of: in waarheid, dat is, waarlijk, waarachtiglijk.
30 Die allereigenlijkst gezegd mag worden te leven, als hebbende van eeuwigheid tot eeuwigheid Zijn onbegrijpelijk, Goddelijk leven en Wezen in en van Zichzelven, en levendmakende wien en wat Hij wil, als zijnde de Fontein en Auteur des levens. Zie Joh. 5:21, 26, enz. Daarom behoort Hij alleen als God gekend en geëerd te worden. verwijsteksten
31 Hebr. Koning der eeuwigheid. Vgl. 1 Tim. 1:17. verwijsteksten
 
11 32(Aldus zult gijlieden tot hen zeggen: De goden, die den hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde en van onder dezen hemel.)
32 Dit vers is gesteld in de Chaldeeuwse of Babylonische spraak, om den vromen Joden te leren hoe zij, in de gevangenis van Babel zijnde, hun geloof van den waren God zouden belijden en de afgodendienaars tegenspreken.
 
12 33Die de iaarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld 34bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel kuitgebreid door Zijn verstand;
33 Onze God, Dien wij dienen, van Welken vers 10 gesproken is. verwijsteksten
i Gen. 1:1. Jer. 51:15. verwijsteksten
34 Of: bevestigd, gevestigd.
k Job 9:8. Ps. 104:2. Jes. 40:22; 44:24; 51:13. verwijsteksten
 
13 Als Hij Zijn 35stem geeft, zo is er een 36gedruis van wateren in den 37hemel, en Hij doet de ldampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen 38met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn 39schatkameren.
35 Versta den donder, als Ps. 29:3, enz., of: Gods bevel, als sommigen. verwijsteksten
36 Of: veelheid, menigte.
37 Dat is, de lucht.
l Ps. 135:7. verwijsteksten
38 Zie Job 37:11; 38:25. Of: tot regen, voor den regen. verwijsteksten
39 Zie Job 38 op vers 22. Ps. 135:7. verwijsteksten
 
14 m40Een ieder mens is onvernuftig geworden, 41zodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het 42gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is 43leugen, en er is geen 44geest in 45hen.
m Jer. 51:17, 18. verwijsteksten
40 Versta: alle kunstige werkmeesters der afgodische beelden zijn zo dom en onvernuftig geworden als beesten.
41 Of: van, door of in, vanwege hun kunst van beelden te maken, waarin zij een groten roem meenden te behalen. Vgl. Rom. 1:22. verwijsteksten
42 Of: gegraven.
43 Of: valsheid, het is enkel bedrog.
44 Dat is, adem, geblaas. Zie Job 9 op vers 18. verwijsteksten
45 De gesneden en gegoten beelden.
 
15 IJdelheid zijn zij, 46een werk van verleidingen; ten tijde 47hunner bezoeking zullen zij vergaan.
46 Dat is, enkel verleidend werk.
47 Als God de afgoden en afgodendienaars tezamen zal straffen en verdelgen.
 
16 nJakobs 48Deel is niet gelijk 49die; 50want Hij is de Formeerder van alles, en Israël is ode 51roede Zijner erfenis; HEERE der 52heirscharen is Zijn Naam.
n Jer. 51:19. verwijsteksten
48 Alzo noemt Zich de Heere, omdat Hij een God, Bondgenoot en Heiland, en dienvolgens als een onwaardeerlijk Erfdeel Zijns volks geworden is in den Messias, Wiens mede-erfgenamen zij zijn, Rom. 8:17. Vgl. Ps. 16 op vers 5. verwijsteksten
49 Te weten afgoden.
50 Of: maar.
o Ps. 74:2. verwijsteksten
51 Zie Ps. 74 op vers 2. verwijsteksten
52 Zie 1 Kon. 18 op vers 15. verwijsteksten
 
De komende verwoesting
17 53Raap uw 54kramerij weg uit het land, gij inwoneres der vesting.
53 Hebr. eigenlijk: Verzamel, en voorts: Neem, of raap weg. Zie Ps. 26 op vers 9. De woorden staan hier in het vrouwelijk geslacht, waaruit door velen afgeleid wordt, dat God hier de dochter Sions of Jeruzalem aanspreekt, dat zij (zonder zich op de vastigheid der stad te verlaten) haar goed zouden pakken en vluchten, vanwege den nakenden overval der Babyloniërs, waarvan in het volgende, en klaarlijk vers 22. Vgl. Jer. 6:1; 8:14. Ez. 12:3, 4, enz. Sommigen verstaan het van Babel. verwijsteksten
54 Of: koopmanschap.
 
18 Want zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal de inwoners des lands op ditmaal 55wegslingeren, en zal hen pbenauwen, opdat zij het 56vinden.
55 Door de Babyloniërs als met een slinger uit het land werpen.
p Jer. 6:24. verwijsteksten
56 Dat is, welverdiende straffen ontvangen, of de waarheid Mijner profetieën metterdaad bevinden.
 
19 57O wee mij over mijn 58breuk, mijn plaag is smartelijk; en ik 59had gezegd: 60Dit is immers een krankheid die ik wel dragen zal.
57 Woorden van het land of het volk van Jeruzalem, enz., als Jer. 4:31. Of van den profeet, sprekende in den persoon des volks, alsof het zijn eigen lijden ware, dat hij gevoelt en draagt. Vgl. Jer. 14:17. verwijsteksten
58 Als Jer. 4:6; 14:17. verwijsteksten
59 Te weten bij mijzelven, dat is, gedacht dat het zo zwaar niet vallen zou of ik zou het kunnen dragen en overkomen, maar het valt geheel anders dan ik mij had ingebeeld.
60 Anders: Gewisselijk, dit is een krankte, nochtans moet ik ze dragen, alsof hij zeide: Dit is wel terecht een zware krankte, veel zwaarder dan ik gemeend had, evenwel moet ik eraan.
 
20 Mijn tent is verstoord en al mijn zelen zijn verscheurd; mijn 61kinderen zijn van mij uitgegaan en zij zijn er niet; er is niemand meer die mijn tent uitspant en mijn gordijnen opricht.
61 Dat is, burgers van de stad Jeruzalem, in welker naam deze klacht gedaan wordt.
 
21 Want de 62herders zijn 63onvernuftig geworden en hebben den HEERE niet gezocht; daarom hebben zij niet 64verstandiglijk gehandeld en hun ganse 65weide is verstrooid.
62 Kerkelijke en politieke voorstanders.
63 Als vss. 8, 14. verwijsteksten
64 Anders: zijn zij niet gelukkig of voorspoedig geweest.
65 Dat is, kudde hunner weide, de gemeente.
 
22 Zie, er komt een stem des geruchts en een groot beven uit het land van het qnoorden; dat men de steden van Juda zal stellen tot een verwoesting, een woning der rdraken.
q Jer. 1:14; 4:6. verwijsteksten
r Jer. 9:11. verwijsteksten
 
23 Ik weet, o HEERE, sdat bij den mens zijn 66weg niet is; het is niet bij een man die wandelt, dat hij zijn 67gang richte.
s Spr. 16:1; 20:24. verwijsteksten
66 Dat is, zijn voornemen en doen niet in zijn macht is. Zie Gen. 6 op vers 12. verwijsteksten
67 Of: trede, stap. Dienvolgens (wil de profeet zeggen) verzaken ik en alle gelovigen al onze eigen wijsheid en krachten, bevelende al ons voornemen en doen in dezen nood aan Uw Vaderlijke regering; biddende, dewijl Gij dit land door den koning van Babel wilt straffen, en hij met al zijn voornemen en doen onder Uw regering ook besloten is, dat Gij hem perk en maat wilt stellen, en Uw toorn met barmhartigheid over Uw volk matigen, volgens Uw genadige verbondsbeloften. Vgl. Jer. 4 op vers 27. Hierop slaat dit en het volgende vers. verwijsteksten
 
24 t68Kastijd mij, HEERE, doch vmet 69mate; niet in Uw toorn, opdat Gij mij niet 70tenietmaakt.
t Ps. 6:2; 38:2. verwijsteksten
68 Zie Ps. 6 op vers 2. verwijsteksten
v Jer. 30:11; 46:28. verwijsteksten
69 Hebr. eigenlijk: met oordeel, dat is hier, met reden en onderscheid, of: op een redelijke of matige wijze, zoals Gij Uw kinderen beloofd hebt, wat Gij ook volgens Uw gerechtigheid houden zult. Zie Jer. 30:11; 46:28, en vgl. Jes. 30:18. Ez. 34:16. Het tegendeel is de vernietiging, waarvan in het volgende. verwijsteksten
70 Hebr. vermindert, klein, weinig of gering maakt, dat is, niet verbrijzelt of vergruist, of zo klein maakt dat ik geen volk meer zij; hetwelk een gevolg is van de uitstorting des Goddelijken toorns, waarvan in het volgende vers. Dit wordt gesteld tegen de matige kastijding.
 
25 x71Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U 72niet kennen, en over de geslachten die Uw Naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob yopgegeten, ja, zij hebben hem opgegeten, en hem zverteerd, en zijn woning verwoest.
x Ps. 79:6. verwijsteksten
71 Alsof hij zeide: Wilt Gij immers Uw vollen toorn uitstorten, doe het toch niet over Uw eigen volk, maar liever over Uw en Uws volks vijanden.
72 Zie Job 18 op vers 21. Ps. 79 op vers 6. verwijsteksten
y Jer. 8:16. verwijsteksten
z Jer. 9:16. verwijsteksten

Einde Jeremia 10