Statenvertaling.nl

sample header image

Psalm 74 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst


Psalm 74

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

De kerke Gods klaagt over de gruwelijke verwoestingen, die de vijanden overal, bijzonderlijk in den tempel en de synagogen, hadden aangericht; en Hem voordragende des vijands wreedheid en godslasteringen, het tegenwoordig gebrek van Gods gewoonlijke genadetekenen, Zijn voorgaande wonderen en weldaden, den ellendigen staat Zijner beminde en weerloze kerk en de vastigheid van Zijn verbond, bidt om verlossing, tot Zijner eer en der vijanden beschaamdheid.
 
Klaaglied over het verwoeste heiligdom
1 EEN 1onderwijzing, 2voor Asaf.
O God, waarom verstoot Gij in 3eeuwigheid? Waarom zou Uw 4toorn roken tegen de 5schapen Uwer weide?
1 Zie Ps. 32 op vers 1. verwijsteksten
2 Of: van Asaf, hetwelk men kan verstaan van Asaf zelven of zijn nakomelingen. Zie Ps. 50 op vers 1. Sommigen menen dat Asaf zelf door den profetischen geest dezen psalm gemaakt heeft van toekomende tijden, om gebruikt te worden als deze zwarigheden Gods volk zouden overkomen. verwijsteksten
3 Of: voor altoos, ganselijk, ten enenmale. Zie van het Hebreeuwse woord Ps. 13 op vers 2. verwijsteksten
4 Of: Uw neus. Vgl. 2 Sam. 22:16. Anders is rokende toorn zoveel als brandende toorn, gelijk Gods toorn dikwijls bij vuur vergeleken wordt waarvan de rook opgaat. Zie Deut. 29:20. Ps. 80:5. verwijsteksten
5 Zie Ps. 100:3. verwijsteksten
 
2 Gedenk aan Uw 6vergadering, die Gij vanouds verworven hebt; de 7roede Uwer erfenis, die Gij verlost hebt; den berg Sion, waarop Gij gewoond hebt.
6 Uw gemeente, Uw volk Israël.
7 Dat is, Israël, die Uw erfdeel is, dat Gij Uzelven als met roeden hebt toegemeten. Alzo Jer. 10:16. Vgl. Deut. 32 op vers 9. Ps. 16:5, 6. verwijsteksten
 
3 Hef Uw 8voeten op tot de 9eeuwige verwoestingen; de vijand heeft alles in het heiligdom 10verdorven.
8 Of: gangen, treden; dat is, haast U, treed hard aan, om deze langdurige verwoestingen te aanschouwen en daartegen te handelen; menselijk van God gesproken.
9 Hebr. verwoestingen der eeuwigheid, dat is, langdurig.
10 Of: geschonden. Hebr. eigenlijk: kwaad gemaakt.
 
4 Uw wederpartijders hebben in het midden van Uw 11vergaderplaatsen 12gebruld, zij hebben 13hun tekenen tot tekenen gesteld.
11 Waar men op gezette tijden vergadert om den godsdienst te verrichten en het Woord des Heeren te horen; als te dien tijde de tempel en de synagogen waren, van dewelke vers 8. verwijsteksten
12 Als leeuwen.
13 Met hun afgodische tekenen of krijgsbanieren hebben zij het overal vervuld, tot een teken dat zij meester over ons zijn.
 
5 Een ieder werd er 14bekend 15als een die de bijlen omhoog aanbrengt, in de dichtheid van een 16geboomte.
14 Hebr. Hij werd bekend; dat is, een ieder van de vijanden werd bekend, dat is, vermaard en beroemd, als hebbende een mannelijke daad bedreven. Vgl. Ps. 9:17. Spr. 31:23. verwijsteksten
15 Dat is, zij hebben niet anders gehouwen en gekerfd, dan of ze in een bos doende waren met hout houwen.
16 Of: hout. Want men kan het ook nemen van het dichtgewrochte houtwerk van het heiligdom, den zin op hetzelfde uitkomende. Dan zou de overzetting aldus staan: als de bijlen omhoog of boven aanbrengende, of: als die de bijlen omhoog aanbracht, aandreef, aanvoerde; dat is, een ieder werd bekend als op zulke wijze te werk gaande, of daardoor, dat hij zo deed; omdat als of gelijk niet altoos ziet op enige gelijkheid, maar ook somtijds op de daad en waarheid. Zie Gen. 27 op vers 12. Neh. 7 op vers 2. verwijsteksten
 
6 Alzo hebben zij nu 17derzelver graveerselen tezamen met 18houwelen en beukhamers in stukken geslagen.
17 Dat is, het gegraveerde of gesneden werk van het heiligdom (waarvan vers 3) waar de gemeente placht te vergaderen, op dewelke het woordje haar schijnt te zien. Hebr. haar openingen. Zie van ditzelve woord Ex. 28:11. verwijsteksten
18 Het Hebreeuwse woord komt van aanstoten, vallen, nedervellen, betekenende alzo een instrument waarmede men iets afscheurt of aftrekt om iets neder te vellen, als houwelen, haken, hellebaarden.
 
7 aZij hebben Uw heiligdommen in het vuur 19gezet, 20ter aarde toe hebben zij de woning Uws Naams ontheiligd.
a 2 Kon. 25:9. verwijsteksten
19 Hebr. gezonden.
20 Dat is, tot den grond toe, of: zij hebben haar ontheiligd, afbrekende en slechtende die ter aarde.
 
8 Zij hebben in hun hart gezegd: Laat ons hen tezamen 21uitplunderen; zij hebben al Gods 22vergaderplaatsen in het land verbrand.
21 Of: onderdrukken. Van het Hebreeuwse woord komt een ander, dat een duif betekent, omdat zij als elks mans roof is. Anders: Hun kinderen zeggen in hun hart: Zij hebben al, enz.
22 Dat is, alle synagogen en scholen der profeten, waar Gods Woord gelezen en verklaard of geleerd werd.
 
9 Wij zien onze 23tekenen niet; er is geen 24profeet meer, noch iemand bij ons, die weet 25hoe lang.
23 De gewone en buitengewone tekenen van Gods genadige tegenwoordigheid en gunst.
24 Vgl. Ez. 7:26. Dewijl nochtans de auteur van dezen psalm een man Gods en profeet geweest is, schijnt het gevoelen dergenen zo vreemd niet te zijn, die menen dat deze psalm van Asaf of enigen anderen profeet van dien naam (gelijk dergelijke profetische voorberichten elders in Gods Woord gevonden worden) gemaakt is, aleer deze zwarigheden Gods volk zijn overkomen, en als de openbare godsdienst nog in zwang was, als afgeleid wordt uit vers 1; om Gods kerk te dienen in verscheidene volgende tijden, eensdeels in de Babylonische gevangenis, nadat Ezechiël heeft opgehouden te profeteren, anderdeels onder de gruwelijke tirannie van Antiochus, waarvan sommigen dit bijzonderlijk verstaan, dewijl de tijd der verlossing uit de Babylonische gevangenis door Jeremia uitdrukkelijk was geprofeteerd. Sommigen verstaan dat deze psalm (als ook dergelijke andere) ten tijde van Antiochus gemaakt is, van een man Gods of profeet, dat is, leraar, die wel door ingeven des Heiligen Geestes Gods volk geleerd en dezen psalm gedicht heeft, maar geen zulk profeet geweest is als de anderen, die bijzonderlijk alzo genoemd zijn, omdat zij Goddelijke openbaringen van toekomende dingen gehad hebben, van welke Maleachi de laatste geweest is. verwijsteksten
25 Dat is, hoe lang deze ellenden en verwoestingen zullen duren.
 
10 Hoe lang, o God, zal de wederpartijder smaden? Zal de vijand Uw Naam 26in eeuwigheid lasteren?
26 Dat is, altoos, steeds. Zie op vers 1. verwijsteksten
 
11 Waarom trekt Gij Uw hand, ja, Uw 27rechterhand af? Trek ze uit het midden van Uw 28boezem, 29maak een einde.
27 Met dewelke Gij ons zo krachtiglijk pleegt te beschutten en te verlossen. Menselijk van God gesproken.
28 Dat is, stel ze te werk; het tegendeel wordt gezegd van dien dien het verdriet te werken, Spr. 26:15. verwijsteksten
29 Te weten van deze verwoestingen des vijands en onze ellenden. Of: verteer, te weten deze vijanden. Anders: Steek ze ten volle uit het midden Uws boezems.
 
12 Evenwel is God mijn Koning vanouds af, Die verlossingen werkt in het midden der aarde.
13 bGij hebt door Uw sterkte de 30zee gespleten, Gij hebt de koppen der 31draken in de wateren verbroken.
b Ex. 14:21, enz. verwijsteksten
30 Versta het Rode Meer of de Schelfzee.
31 Dat is, der trotse oversten van Farao.
 
14 Gij hebt de 32koppen 33des leviathans verpletterd; Gij hebt hem tot spijze gegeven 34aan het volk in dorre plaatsen.
32 Dat is, den groten kop, die in plaats van velen is; gelijk de olifant behemoth, dat is, beesten, genoemd wordt, omdat het een zeer groot beest is, Job 40:10, enz. Of versta door de koppen Farao’s oversten. verwijsteksten
33 Dat is, van het grote vreselijke zeegedierte of van de zeedraak, waarbij Farao hier vergeleken wordt en andere grote tirannen, Jes. 27:1. Vgl. ook Ez. 29:3, 4, 5; 32:2. Zie van leviathan Job 40:20, enz. verwijsteksten
34 Dat is, de vogels en wilde dieren, die de dode lichamen der verdronken Egyptenaars, aan land of aan den oever gedreven zijnde (Ex. 14:30), hebben opgegeten. Alzo worden mieren, sprinkhanen, konijntjes, enz., een volk en natie genoemd, Spr. 30:25, 26. Joël 1:6. Anders kan men het ook alzo verstaan, dat God Zijn volk den roof der Egyptenaars in de woestijn tot hun onderhoud gegeven heeft. Vgl. Num. 14:9 en Deut. 31:17 met de aantt. verwijsteksten
 
15 cGij hebt een fontein en beek 35gekliefd, dGij hebt 36sterke 37rivieren uitgedroogd.
c Ex. 17:5, 6. Num. 20:11. Ps. 105:41. Jes. 48:21. verwijsteksten
35 Dat is, den rotssteen gekliefd, dat er een fontein en beek uit voortkwam.
d Joz. 3:13, enz. verwijsteksten
36 Hebr. rivieren der sterkte.
37 Als de wateren der Jordaan, waar de kinderen Israëls op het droge zijn doorgegaan. Hij wil zeggen: Gij brengt water voort waar het niet is, en droogt het weg waar het is.
 
16 De dag is Uwe, ook is de nacht Uwe; eGij hebt het 38licht en de zon bereid.
e Gen. 1:14, enz. verwijsteksten
38 Dat is, een lichtgevend lichaam, waardoor men hier de maan en sterren kan verstaan, om des nachts te lichten, gelijk de zon bij dag. Zie Gen. 1:16. Ps. 136:7, 8, en vgl. Job 31:26, alwaar door het licht de zon schijnt verstaan te worden, maar de maan uitdrukkelijk genoemd wordt. verwijsteksten
 
17 Gij hebt al de palen der aarde gesteld; zomer en winter, die hebt Gij geformeerd.
18 Gedenk hieraan; 39de vijand heeft den HEERE gesmaad, en een dwaas volk heeft Uw Naam gelasterd.
39 Anders: de vijand heeft gesmaad of gehoond, o HEERE, enz.
 
19 Geef 40aan het wild gedierte de 41ziel Uwer tortelduif niet over; vergeet den hoop 42Uwer ellendigen niet 43in eeuwigheid.
40 Of: dezen wilden hoop. Zie van het Hebreeuwse woord Ps. 68 op vers 11. verwijsteksten
41 Dat is, het leven Uwer kerk; die zo machteloos en weerloos is om dezen wreden hoop tegen te staan als een tortelduif is tegen het geweld van wild gedierte; behelpende zich voorts in stilte met wenen en klagen tot God, en blijvende geestelijk en inwendiglijk schoon, eenvoudig, zachtmoedig en haar God getrouw. In welk opzicht de gelijkenis van duiven dikwijls in de Heilige Schrift gebruikt wordt. Zie Ps. 55:7; 56:1; 68:14. Hoogl. 1:15; 2:14; 4:1; 5:12; 6:9. Jes. 38:14; 59:11. Ez. 7:16. Hos. 11:11. Matth. 10:16. verwijsteksten
42 Die U toebehoren en om Uws Naams wil lijden. Vgl. Ps. 69:27, 34; 72:2. verwijsteksten
43 Dat is, voor altoos. Als vers 1. verwijsteksten
 
20 Aanschouw het 44verbond, want de 45duistere plaatsen des lands zijn vol woningen van geweld.
44 Dat Gij met Abraham en zijn zaad gemaakt hebt, gegrond in den Messias.
45 Dat is, alle hoeken des lands zijn gelijk moordkuilen, waaruit de vijand alle geweld bedrijft.
 
21 Laat den verdrukte niet beschaamd wederkeren, laat den ellendige en nooddruftige Uw Naam prijzen.
22 Sta op, o God, 46twist Uw twistzaak; gedenk der 47smaadheid die U van den dwaze wedervaart den gansen dag.
46 Zie Ps. 35:1. verwijsteksten
47 Hebr. Uwer smaadheid, van een dwaze.
 
23 Vergeet niet 48het geroep Uwer wederpartijders; het getier dergenen die tegen U opstaan, 49klimt geduriglijk op.
48 Hebr. de stem.
49 Dat is, neemt steeds toe. Vgl. 1 Kon. 22:35. Of: klimt op naar den hemel tot U; als Jona 1:2. verwijsteksten

Einde Psalm 74