Statenvertaling.nl

sample header image

Genesis 38 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst


Genesis 38

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Juda trouwt een Kanaänitische vrouw, die hem drie zonen baart, vs. 1, enz. Hij geeft den eerste aan Thamar, alsook (nadat de eerste van God gedood was) den tweede; welken mede van God gedood zijnde, belooft hij haar den derde, 6. Maar zijn belofte niet houdende, zo begaat Thamar door een arglistige praktijk bloedschande met Juda, 13. En de straf daarvan om zijnentwil ontgaande, 24. Baart hem twee zonen, Perez en Zerah, in één dracht, 27.
 
Juda en Thamar
1 EN het geschiedde 1terzelfder tijd, dat Juda van zijn broederen aftoog; en hij keerde in tot een man van 2Adullam, wiens naam was Hira.
1 Dat is, in dien tijd als Jakob uit Mesopotamië wedergekeerd zijnde, woonde in het land van Kanaän. Hier worden vermeld enige dingen die voor de verkoping van Jozef, en andere die daarna geschied zijn; maar Mozes voegt ze tezamen, omdat zij één patriarch aangingen, en van zulke natuur waren, dat zij met één verhaal bekwamelijk konden afgedaan worden.
2 Adullam was een stadje omtrent Hebron gelegen, dat daarna den stam van Juda ten lote gevallen is, Joz. 12:15; 15:35.
 
2 En aJuda zag aldaar de dochter van een Kanaänitisch man, wiens naam was Sua; en 3hij nam haar en 4ging tot haar in.
a 1 Kron. 2:3.
3 Te weten tot een vrouw; tegen Gods wil, het goede voorbeeld van zijn voorvaderen, en zonder twijfel buiten of ook tegen zijns vaders raad en goedvinden. Zie gelijke huwelijken Gen. 6:2, 4; 26:34; 27:46.
4 Zie Gen. 6 op vers 4.
 
3 En zij werd bevrucht en baarde een zoon; en hij noemde zijn naam Er.
4 Daarna werd zij weder bevrucht en baarde een zoon; en zij noemde zijn naam Onan.
5 En zij voer nog voort en baarde een zoon en noemde zijn naam bSela; doch 5hij was te 6Chezib, toen zij hem baarde.
b Num. 26:20.
5 Te weten Juda.
6 De naam van een plaats of stad gelegen in het land Kanaän, en daarna in den stam van Juda, niet ver van Adullam; anders genoemd Achzib, Joz. 19:29. Richt. 1:31. Micha 1:14.
 
6 Juda nu nam een vrouw voor Er, zijn eerstgeborene, en haar naam was Thamar.
7 Maar Er, de eerstgeborene van Juda, was 7kwaad in des HEEREN ogen; daarom 8doodde hem de HEERE.
7 Dat is, hij mishaagde den Heere, zie Gen. 21 op vers 11, want hij is genegen geweest en uitgebroken tot grote en grove zonden, die Gods rechtvaardige gramschap tegen hem verwekt hebben. Vgl. Gen. 6:11; 10:9.
8 Te weten op zulke manier, dat men in zijn dood Gods rechtvaardig oordeel kon merken. Alzo vers 10.
 
8 Toen zeide Juda tot Onan: Ga in tot uws broeders huisvrouw, en 9trouw haar in uws broeders naam, en 10verwek uw broeder zaad.
9 Het Hebreeuwse woord betekent zijns broeders nagelaten vrouw te trouwen, volgens het gebruik van dien tijd, door de wet daarna bevestigd, Deut. 25:5, 6. Ruth 1:11. Matth. 22:24, enz.
10 Want de conditie van dit huwelijk was, dat de eerstgeboren zoon voor den zoon van den overledene gehouden moest worden.
 
9 Doch Onan 11wetende dat dit 12zaad voor hem niet zou zijn, zo geschiedde het, als hij tot zijns broeders huisvrouw inging, dat hij het 13verdierf tegen de aarde, om zijn broeder geen zaad te geven.
11 Zie de aant. op het voorgaande vers.
12 Dat is, zoon. Zie Gen. 4 op vers 25.
13 Of: schond, stortende dat ter aarde; alzo de Hebreeuwse woorden beide begrijpen; dat was zoveel alsof hij de vrucht (om zo te spreken) uit ’s moeders lichaam weggerukt, en vernield had.
 
10 En het was kwaad 14in des HEEREN ogen, wat hij deed; daarom doodde Hij hem ook.
14 Dat is, in Gods oordeel. Zie Job 11 op vers 4.
 
11 Toen zeide Juda tot Thamar, zijn schoondochter: 15Blijf weduwe in uws vaders huis, 16totdat mijn zoon Sela groot wordt; 17want 18hij zeide: Dat niet misschien deze ook sterve, gelijk zijn broeders. Zo ging Thamar heen en bleef in haars vaders huis.
15 Of: zit of blijf zitten. Alzo in het volgende.
16 Zich gelatende alsof hij dezen haar dan ten huwelijk geven wilde; maar uit het volgende blijkt, dat hij het niet in den zin had.
17 Anders: maar.
18 Te weten bij zichzelven, dat is, hij dacht. Zie Gen. 20:11.
 
12 19Als nu vele dagen verlopen waren, stierf de dochter van Sua, huisvrouw van Juda; daarna 20troostte zich Juda en ging op tot 21zijn schaapscheerders naar 22Timna toe, hij en Hira, zijn vriend, de Adullamiet.
19 Hebr. Als de dagen vermenigvuldigd waren, dat is, als er een goede tijd gepasseerd, en nochtans Sela aan Thamar niet gegeven was.
20 Dat is, hij legde zijn rouw af. Vgl. Gen. 37:35.
21 Want in de scheringen was het gebruik gastmalen te houden, en met de vrienden vrolijk te zijn, 1 Sam. 25:36.
22 Een stad niet ver van Adullam gelegen, naderhand den stam van Juda ten deel gevallen, Joz. 15:57. Men leest ook van een Timna gelegen in Dan, Joz.19:43.
 
13 En men gaf Thamar te kennen, zeggende: Zie, uw schoonvader gaat op naar Timna om zijn schapen te scheren.
14 Toen legde zij de klederen van 23haar weduwschap van zich af, en zij 24bedekte zich met een sluier en bewond zich en zette zich aan den ingang der 25twee fonteinen, die op den weg naar Timna is; want zij zag dat Sela groot geworden was, en zij hem niet ter vrouw was gegeven.
23 Want de weduwen waren slechter en nederiger gekleed dan andere vrouwen.
24 Thamar om een oneerbare vrouw te gelijken, versiert zich met een sluier, bewindt en verhult haar aangezicht, en zit op een openbaren weg, opdat zij onbekend blijvende, haar schoonvader zou kunnen bedriegen. Vgl. Spr. 7:12; 9:14. Ez. 16:24, 25.
25 Of: Enaïm, hetwelk sommigen houden voor den naam van een zekere plaats. Sommigen zetten het over een scheidsweg, genoemd, naar hun gevoelen, deur der ogen, omdat op een kruisweg de ogen als opengedaan worden om herwaarts of derwaarts te zien.
 
15 Als Juda haar zag, zo hield hij haar voor een hoer, overmits zij haar aangezicht bedekt had.
16 En hij week tot haar naar den 26weg en zeide: Kom toch, laat mij tot u ingaan; want hij wist niet dat zij zijn schoondochter was. En zij zeide: 27Wat zult gij mij geven, dat gij tot mij ingaat?
26 Te weten naar den weg waar zij zat.
27 Zij eist hoerenloon, niet uit begeerte van gewin, maar om hem namaals daarvan te overtuigen, als blijkt vers 25. En Juda was zo verrukt door de hitte van vleselijken lust, dat hij de stem van zijn schoondochter niet kende.
 
17 En hij zeide: Ik zal u een geitenbok van de kudde zenden. En zij zeide: 28Zo gij pand zult geven, totdat gij het zendt.
28 Versta hierop: Ik zal u ter wille wezen, indien gij, enz. Anders: Zult gij pand geven totdat gij het zendt?
 
18 Toen zeide hij: Wat pand is het, dat ik u geven zal? En zij zeide: Uw zegelring en uw 29snoer en uw staf, die in uw hand is; hetwelk hij haar gaf, en ging tot haar in, en zij ontving bij hem.
29 Anders: zweetdoek, snuitdoek. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk gedraaid of getwijnd garen, en wordt genomen voor snoeren en doeken van zulk garen gemaakt.
 
19 En zij maakte zich op en ging heen, en legde haar sluier van zich af; en zij trok aan de klederen van haar weduwschap.
20 En Juda zond den geitenbok door de hand van zijn vriend, den Adullamiet, om het pand uit de hand der vrouw te nemen; maar hij vond haar niet.
21 En hij vraagde aan de lieden van 30haar plaats, zeggende: Waar is de hoer, die bij deze 31twee fonteinen aan den weg was? En zij zeiden: Hier is geen hoer geweest.
30 Dat is, van de plaats waaromtrent Thamar gezeten had.
31 Hebr. Enaïm; zie vers 14.
 
22 En hij keerde weder tot Juda en zeide: Ik heb haar niet gevonden; en ook zeiden de lieden van die plaats: Hier is geen hoer geweest.
23 Toen zeide Juda: Zij neme het voor zich, opdat wij misschien 32niet tot verachting worden; zie, ik heb dezen bok gezonden, maar gij hebt haar niet gevonden.
32 Dat is, opdat wij naar ons goed veel vernemende onze hoererij niet ontdekken, hetwelk ons tot schande zou dienen. Merk dat bij de heidenen en afgodendienaren, hoedanig de Adullamieten waren, de hoererij voor schande gerekend is geweest.
 
24 En het geschiedde omtrent na drie maanden, dat men Juda te kennen gaf, zeggende: Thamar, uw schoondochter, heeft gehoereerd, en ook, zie, zij is zwanger van hoererij. Toen zeide Juda: 33Brengt haar hervoor, 34dat zij verbrand worde.
33 Te weten aan de stadspoort, opdat men haar voor de overheid haar proces make, als een overspeelster, overmits zij aan mijn zoon Sela beloofd is.
34 Zo was dan het overspel te dien tijde, ook vóór de wet, gehouden voor een doodswaardige misdaad. Zie Gen. 20 op vers 3, insgelijks vss. 7, 9.
 
25 Als zij voorgebracht werd, schikte zij tot haar schoonvader, om te zeggen: Bij den man wiens deze dingen zijn, ben ik zwanger; en zij zeide: Beken toch, wiens deze zegelring en deze snoeren en deze staf zijn.
26 En Juda kende ze en zeide: 35Zij is rechtvaardiger dan ik, daarom, omdat ik haar aan mijn zoon Sela niet gegeven heb. En 36hij 37bekende haar voortaan niet meer.
35 Zijn consciëntie wroegt hem, niet alleen omdat hij zijn belofte aan Thamar niet gehouden had (welke reden hier in dit vers vermeld wordt), maar ook omdat hij wetens hoererij, en onwetens bloedschande begaan had.
36 Hebr. hij voer niet voort om haar te bekennen.
37 Zie deze manier van spreken Gen. 4 op vers 1.
 
27 En het geschiedde ten tijde als zij baren zou, zie, czo waren tweelingen in haar buik.
c 1 Kron. 2:4.
 
28 En het geschiedde als zij baarde, dat een de hand uitgaf; en de vroedvrouw nam die, en zij bond een 38scharlaken draad om zijn hand, zeggende: 39Deze komt eerst uit.
38 Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk zulke stof, die in de scharlaken verf tweemaal ingedoopt is. Zie Ex. 25:4. Lev. 14:4 en de aant.
39 Omdat zij meende dat deze eerst zou voortkomen en alzo de eerstgeborene zijn.
 
29 Maar het geschiedde als hij zijn hand weder intoog, zie, zo kwam zijn broeder uit; en zij zeide: 40Hoe zijt gij doorgebroken? 41Op u is de breuk. En men noemde zijn naam 42dPerez.
40 Dat is, hoe zijt gij voor uw broeder, die vóór u was, doorgedrongen, om ter wereld te komen?
41 Dat is, zij is u toe te schrijven; of: gij hebt ze gemaakt om uw broeder het voordeel der eerstgeboorte, dat hij scheen te hebben, af te nemen. Anders: Hoe hebt gij de scheur over u gescheurd?
42 Hebr. Perets, dat is, doorbreking, scheuring.
d Matth. 1:3.
 
30 En daarna kwam zijn broeder uit, om wiens hand de scharlaken draad was; en men noemde zijn naam 43Zerah.
43 Dat is, opgang, oprijzing, omdat hij zich eerst had laten zien, toen hij in de geboorte was.

Einde Genesis 38