Statenvertaling.nl

sample header image

Genesis 29 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst


Genesis 29

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Jakob nabij Haran zijnde, komt door een wonderlijke schikking Gods in kennis met Rachel, Labans dochter, vs. 1, enz. Die loopt om het haar vader te zeggen, 12. Laban loopt Jakob tegemoet, en brengt hem in huis, hoort alles wat hem bejegend was, en houdt hem bij zich, 13. Zij maken tezamen een verdrag, dat Jakob om Rachel zeven jaren dienen zal, 15. Maar als hij Rachel meent te trouwen, wordt hem Lea, Rachels oudste zuster, bijgevoegd, 21. Bekomt nochtans ook Rachel, voor den dienst van nog zeven andere jaren, 27. Rachel is lief, maar onvruchtbaar; Lea daarentegen baart Ruben, Simeon, Levi, en Juda, 31.
 
Jakob komt bij Laban
1 TOEN 1hief Jakob zijn voeten op, en ging naar het land 2der kinderen van het oosten.
1 Door deze manier van spreken wordt te kennen gegeven, dat Jakob door de voorgaande Goddelijke aanspraak getroost en versterkt zijnde, met lust en vreugde zijns weegs reisde.
2 Dat is, des volks dat tegen het oosten van Kanaän woonachtig is. Alzo Richt. 6:33. 1 Kon. 4:30. Job 1:3. Jer. 49:28.
 
2 En hij zag toe, en zie, er was een put in het veld; en zie, er waren drie kudden schapen nevens dien nederliggende, want uit dienzelven put drenkten zij de kudden; en er was een grote steen op den mond van dien put.
3 En derwaarts werden al de kudden verzameld, en zij wentelden den steen van den mond des puts en drenkten de schapen, en legden den steen weder op den mond van dien put, op zijn plaats.
4 Toen zeide Jakob tot hen: Mijn 3broeders, vanwaar zijt gij? En zij zeiden: Wij zijn van Haran.
3 Vgl. Gen. 19 de aant. op vers 7.
 
5 En hij zeide tot hen: Kent gij Laban, den 4zoon van Nahor? En zij zeiden: Wij kennen hem.
4 Dat is, zoonszoon.
 
6 Voorts zeide hij tot hen: 5Is het wel met hem? En zij zeiden: Het is wel; en zie, Rachel, zijn dochter, die komt met de schapen.
5 Hebr. Is hem vrede? of: Heeft hij vrede? Alzo Gen. 43:27. 2 Sam. 18:32. 2 Kon. 4:26, enz. Zie van het woord vrede Gen. 37 op vers 14.
 
7 En hij zeide: Zie, 6het is nog hoog dag, het is geen tijd dat het vee verzameld worde; drenkt de schapen en gaat heen, weidt ze.
6 Hebr. het is nog groot dag.
 
8 Toen zeiden zij: 7Wij kunnen niet, totdat al de kudden tezamen zullen verzameld zijn, en dat men den steen van den mond des puts afwentele, opdat wij de schapen drenken.
7 Hebr. Wij zullen niet kunnen, te weten om de zwaarte van den steen, dien wij met ons weinigen niet kunnen afnemen, en om de gewoonte die wij hebben naar elkander te wachten.
 
9 Als hij nog met hen sprak, zo kwam Rachel met de schapen die haar vader toebehoorden; want 8zij was een herderin.
8 Zie dergelijke voorbeelden Ex. 2:16. Hoogl. 1:7, 8.
 
10 En het geschiedde als Jakob Rachel zag, de dochter van Laban, zijner moeders broeder, en de schapen van Laban, zijner moeders broeder, dat Jakob toetrad en 9wentelde den steen van den mond des puts en drenkte de schapen van Laban, zijner moeders broeder.
9 Dat is, hij hielp de herders den steen afwentelen in Rachels plaats. Want alleen kon hij het niet doen. Zie vers 8.
 
11 En Jakob 10kuste Rachel; en hij hief zijn stem op en 11weende.
10 Naar het gebruik van die landen, bij wijze van groetenis; zo in het aankomen, als vers 13. Gen. 33:4. Ex. 4:27; 18:7, als in het scheiden, Ruth 1:14. 1 Sam. 20:41. 1 Kon. 19:20.
11 Te weten van blijdschap, omdat hij daar zijn nicht zo bekwamelijk en tijdiglijk ontmoette. Van dergelijk wenen zie ook Gen. 33 op vers 4.
 
12 En Jakob gaf Rachel te kennen, dat hij haars vaders 12broeder was en dat hij de zoon van Rebekka was. Toen liep zij heen en gaf het haar vader te kennen.
12 Zie Gen. 13:8.
 
13 En het geschiedde 13als Laban die tijding hoorde van Jakob, zijner zusters zoon, zo liep hij hem tegemoet en omhelsde hem en kuste hem, en bracht hem tot zijn huis. En hij vertelde Laban 14al deze dingen.
13 Hebr. als Laban de horing Jakobs hoorde.
14 Te weten de oorzaak van zijn reis, en wat hem op den weg bejegend was, hetwelk alles Laban diende te weten, om alle kwaad vermoeden voor te komen van zo een schielijke en geringe aankomst, in vergelijking van Eliëzers aankomst, Genesis 24.
 
14 Toen zeide hem Laban: Voorwaar, gij zijt 15mijn gebeente en mijn vlees. En hij bleef bij hem 16een volle maand.
15 Dat is, mijn verwant, mijn maagschap. Zie gelijke manier van spreken Gen. 2:23. Richt. 9:2. 2 Sam. 19:12, 13. 1 Kron. 11:1, alsook in het geestelijke Ef. 5:30.
16 Hebr. een maand der dagen, dat is, een volle maand, of zoveel dagen als er in een maand gaan. Alzo is een jaar der dagen, Gen. 41:1, te zeggen: een geheel jaar.
 
Rachel en Lea
15 Daarna zeide Laban tot Jakob: Omdat gij mijn broeder zijt, zoudt gij mij deswege om niet dienen? Verklaar mij, wat zal uw loon zijn?
16 En Laban had twee dochters: de naam der 17grootste was Lea, en de naam der 18kleinste was Rachel.
17 Dat is, der oudste.
18 Dat is, der jongste.
 
17 Doch Lea had 19tedere ogen; maar Rachel was schoon van gedaante en schoon van aangezicht.
19 Dat is, zwakke en gebrekkelijke.
 
18 En Jakob had Rachel lief; en hij zeide: aIk zal u 20zeven jaren dienen om Rachel, uw kleinste dochter.
a Hos. 12:13.
20 Jakob biedt een langen tijd te dienen; zowel omdat de gierigheid van zijn oom hem niet onbekend was, als omdat hij Rachel zeer beminnende, begeerde aldus meteen den bruidsschat te betalen dien de bruidegoms in dien tijd geven moesten; gelijk blijkt uit Ex. 22:17. 1 Sam. 18:25.
 
19 Toen zeide Laban: 21Het is beter dat ik haar aan u geve dan dat ik haar aan een anderen man geve; blijf bij mij.
21 Een twijfelachtig en listig antwoord, gelijk de uitkomst wel geleerd heeft.
 
20 Alzo diende Jakob om Rachel zeven jaren; en die waren in zijn ogen 22als enige dagen, omdat hij haar liefhad.
22 Hebr. een dagen. Zie deze manier van spreken ook Gen. 27:44. De zin dezer woorden is, dat Jakob deze tijd zeer kort viel.
 
21 Toen zeide Jakob tot Laban: Geef 23mijn huisvrouw, want 24mijn dagen zijn vervuld, 25dat ik tot haar inga.
23 Dat is, mijn ondertrouwde vrouw, uit kracht van het verdrag des huwelijks. Zie dergelijke manier van spreken Matth. 1:18, 19. Luk. 2:5.
24 Te weten de besproken jaren van mijn dienst.
25 Zie Gen. 6 op vers 4 en Gen. 16:2.
 
22 Zo verzamelde Laban 26al de mannen dier plaats, en maakte een maaltijd.
26 Dat is, zeer vele, te weten al zijn vrienden en goede bekenden, naburen, en de aanzienlijksten der stad, volgens de gewoonte; zie Richt. 14:10, 11. Joh. 2:1, 2, enz. En dezen noodde hij in des te meerderen getale, opdat Jakob te minder zou durven veranderen den snoden vond, dien hij bedacht had om hem te bedriegen.
 
23 En het geschiedde des avonds, dat hij zijn dochter Lea nam 27en bracht haar tot hem; en hij ging tot haar in.
27 Het schijnt uit deze plaats dat het in die tijden gebruikelijk was, dat men de bruid tot den bruidegom in de slaapkamer bracht, bedekt zijnde met een doek of sluier, om harer beschaamdheid wil; maar onder dezen schijn is Jakob bedrogen.
 
24 En Laban gaf haar Zilpa, zijn dienstmaagd, aan Lea, zijn dochter, 28tot een dienstmaagd.
28 Dit woordje wordt hier ingevoegd uit vers 29. Het was in die tijden een gebruik dat de ouders hun dochters ten huwelijk uitgevende, een dienstmaagd of andere vrouwspersoon medegaven. Zie Gen. 24:59.
 
25 En het geschiedde des morgens, en zie, het was Lea. Daarom zeide hij tot Laban: Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt? Heb ik niet bij u gediend om Rachel? Waarom hebt gij mij dan bedrogen?
26 En Laban zeide: 29Men doet alzo niet te dezer onzer plaatse, dat men 30de kleinste uitgeeft vóór de eerstgeborene.
29 Indien dit zo was, zo behoorde Laban dit Jakob tevoren gezegd, en hem zo lelijk niet bedrogen of misleid te hebben.
30 Hebr. de kleine, dat is, de jongste.
 
27 31Vervul de week van deze; 32dan zullen wij u ook die geven voor den dienst dien gij nog andere zeven jaren bij mij dienen zult.
31 Dat is, houd deze zeven dagen van het begonnen bruiloftsfeest met Lea uit. Zie dergelijk voorbeeld van zevendaagse bruiloft Richt. 14:12, 15, 17. Sommigen nemen deze week voor een jaarweek.
32 Te weten na het einde van deze week, gelijk volgt vers 28.
 
28 En Jakob deed alzo; en hij vervulde de week van deze. Toen 33gaf hij hem Rachel, zijn dochter, hem tot een vrouw.
33 Hoewel het schijnt dat deze vrijheid van twee zusters aan één man uit te geven, door menselijke wetten nog niet verboden was, nochtans streed zij tegen de natuur en tegen de wet daarna door Mozes gegeven, Lev. 18:18.
 
29 En Laban gaf aan zijn dochter Rachel zijn dienstmaagd Bilha, haar tot een dienstmaagd.
30 En 34hij ging ook in tot Rachel, en had ook Rachel liever dan Lea; en hij diende bij hem nog andere zeven jaren.
34 Jakob laat zich overreden twee vrouwen tegelijk te nemen, hetwelk wel was naar het gebruik van dien tijd, maar niet naar de instelling Gods, Gen. 2:24. Mal. 2:15. Zie ook de aant. op Gen. 4:19.
 
31 Toen nu de HEERE zag dat Lea 35gehaat was, 36opende Hij haar baarmoeder; maar Rachel was onvruchtbaar.
35 Dat is, dat zij haar man zo lief en aangenaam niet was als Rachel, zie vers 20. Het woord haten wordt somtijds gebruikt voor minder liefhebben. Zie Deut. 21:15. Matth. 6:24. Luk. 14:26.
36 Dat is, Hij maakte haar vruchtbaar. Zie Gen. 20 op vers 18.
 
32 En Lea werd bevrucht en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam 37Ruben; want zij zeide: Omdat de HEERE mijn verdrukking heeft aangezien, daarom zal mijn man mij nu 38liefhebben.
37 Dat is, zie een zoon of een zoon des aanziens, alsof zij zeide: Zie hoe mij nu God een zoon gegeven heeft in mijn verdrukking; dewijl haar man haar zo lief niet had als haar zuster.
38 Dat is, liever dan tevoren.
 
33 En zij werd weder bevrucht en baarde een zoon, en zeide: Dewijl de HEERE gehoord heeft dat ik gehaat was, zo heeft Hij mij ook dezen gegeven. En zij noemde zijn naam 39Simeon.
39 Hebr. Schimon. Deze naam komt van een woord hetwelk betekent horen of verhoren. Want God verhoorde haar gebed en zuchten.
 
34 En zij werd nog bevrucht en baarde een zoon, en zeide: Nu zal zich ditmaal mijn man bij mij voegen, dewijl ik hem drie zonen gebaard heb. Daarom noemde 40hij zijn naam 41Levi.
40 Te weten Jakob.
41 Dat is, toegevoegd, of bijvoeging, of mijn bijvoeging. De oorzaak van dezen naam staat in den tekst.
 
35 En zij werd weder bevrucht en baarde een zoon, en zeide: Ditmaal zal ik den HEERE 42loven. Daarom noemde zij zijn naam 43Juda. En zij 44hield op van baren.
42 Hiervan komt de naam Jehudah, dat is, lof, dankzegging, belijdenis, bekentenis.
43 Hebr. Jehudah.
44 Hebr. zij stond van baren; alzo Gen. 30:9.

Einde Genesis 29