Statenvertaling.nl

sample header image

Romeinen 2 – Statenvertaling editie 1637

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling raadplegen in de editie van 1637 en/of 1657. De edities 1637, 1657 en de GBS-editie kunnen naar keuze parallel worden weergegeven. (Bij parallelweergave worden bij een vers eerst de kanttekeningen met verwijsteksten getoond, daarna de verklarende kanttekeningen.)

Edities SV:    

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenZonder kanttekeningen

Romeinen 2

1 DAerom en zijt ghy niet te verontschuldigen, O mensche, wie ghy zijt, die [andere] oordeelt. Want daer in ghy eenen anderen oordeelt, veroordeelt ghy u selven: want ghy die [andere] oordeelt, doet deselve dingen.
2 Ende wy weten dat het oordeel Godts na waerheyt is, over de gene die sulcke dingen doen.
3 Ende denckt ghy dit, O mensche, die oordeelt de gene die sulcke dingen doen, ende deselve doet, dat ghy het oordeel Godts sult ontvlieden?
4 Of veracht ghy den rijckdom sijner goedertierenheyt, ende verdraeghsaemheyt, ende lanckmoedicheyt, niet wetende dat de goedertierenheyt Godts, u tot bekeeringe leydt?
5 Maer na uwe hardicheyt, ende onbekeerlijck herte vergadert ghy u selven toorne als eenen schat, inden dagh des toorns ende der openbaringe van het rechtveerdigh oordeel Godts:
6 Welcke een yegelijck vergelden sal na sijne wercken:
7 Den genen wel, die met volherdinge in goedt-doen, heerlickheyt, ende eere, ende onverderfelicheyt soecken, het eeuwige leven:
8 Maer den genen die twistgierich zijn, ende die der waerheyt ongehoorsaem, doch der ongerechticheyt gehoorsaem zijn, [sal] verbolgenheyt ende toorne [vergolden worden].
9 Verdruckinge ende benautheyt over alle ziele des menschen die het quaet werckt, eerst des Ioden, ende [oock] des Griecken:
10 Maer heerlickheyt, ende eere, ende vrede een yegelijck die het goede werckt, eerst den Iode, ende [oock] den Grieck.
11 Want daer en is geen aenneminge des persoons by Godt.
12 Want so vele als’er sonder wet gesondight hebben, sullen oock sonder wet verloren gaen: ende so vele alser onder de wet gesondight hebben, sullen door de wet geoordeelt worden.
13 ( Want de hoorders der wet en zijn niet rechtveerdigh voor Godt, maer de doenders der wet sullen gerechtveerdight worden.
14 Want wanneer de Heydenen die de wet niet en hebben, van nature de dingen doen die der wet zijn, dese de wet niet hebbende, zijn haer selven een wet.
15 [Als] die betoonen het werck der wet geschreven in hare herten, hare conscientie mede getuygende, ende de gedachten onder malkanderen [haer] beschuldigende, ofte oock ontschuldigende.)
16 In den dagh wanneer Godt de verborgene dingen der menschen sal oordeelen door Iesum Christum, na mijn Euangelium.
17 Siet, ghy wort een Iode genaemt, ende rust op de wet, ende roemt op Godt,
18 Ende ghy weet [sijnen] wille, ende beproeft de dingen die [daer van] verschillen, zijnde onderwesen uyt de wet.
19 Ende ghy betrouwt u selven te zijn een leydsman der blinde, een licht der gene die in duysternisse zijn:
20 Een onderrichter der onwyse, [ende] een leer-meester der onwetende, hebbende de gedaente der kennisse ende der waerheyt in de wet.
21 Die dan eenen anderen leert, en leert ghy u selven niet? Die predickt datmen niet stelen en sal, steelt ghy?
22 Die seght datmen geen overspel doen en sal, doet ghy overspel? Die van de afgoden een grouwel hebt, berooft ghy het heylige?
23 Die op de wet roemt, onteert ghy Godt door de overtredinge der wet?
24 Want de name Godts wort om uwent wille gelastert onder de Heydenen: gelijck geschreven is.
25 Want de besnijdenisse is wel nut, indien ghy de wet doet: maer indien ghy een overtreder der wet zijt, so is uwe besnijdenisse voorhuyt geworden.
26 Indien dan de voorhuyt de rechten der wet bewaert, en sal niet sijne voorhuyt tot een besnijdenisse gerekent worden?
27 Ende [en] sal de voorhuyt die uyt de nature is, als sy de wet volbrenght, u [niet] oordeelen die door de letter ende besnijdenisse een overtreder der wet zijt?
28 Want die en is niet een Iode, die’t in’t openbaer is: noch die en is niet de besnijdenisse, die’t in ’t openbaer in het vleesch is:
29 Maer die is een Iode, die’t in’t verborgen is, ende de besnijdenisse des herten, inden geest, niet [inde] letter [is de besnijdenisse]: wiens lof niet en is uyt de menschen, maer uyt Godt.

Einde Romeinen 2