Statenvertaling.nl

sample header image

Nahum 1 – Statenvertaling editie 1637

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling raadplegen in de editie van 1637 en/of 1657. De edities 1637, 1657 en de GBS-editie kunnen naar keuze parallel worden weergegeven. (Bij parallelweergave worden bij een vers eerst de kanttekeningen met verwijsteksten getoond, daarna de verklarende kanttekeningen.)

Edities SV:    

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenZonder kanttekeningen

Nahum 1

1 DE last van Nineve. Het Boeck des Gesichtes Nahum des Elkositers.
2 Een yverich Godt ende een wreker is de HEERE, een wreker is de HEERE, ende seer grimmich: een wreker is de HEERE aen sijne wederpartijders, ende hy behoudt [den toorn] sijnen vyanden.
3 De HEERE is lanckmoedich, doch van groote cracht, ende hy en houdt [den schuldigen] geensins onschuldich: des HEEREN wech is in wervelwint, ende in storm, ende de wolcken zijn het stof sijner voeten.
4 Hy scheldet de zee, ende maecktse drooge, ende hy verdroocht alle rivieren: Basan ende Carmel quelen: oock queelt de bloeme Libanons.
5 De bergen beven voor hem, ende de heuvelen versmelten: ende de aerde lichtt haer op voor sijn aengesichte; ende de werelt, ende alle die daer in woonen.
6 Wie sal voor sijne gramschap staen? ende wie sal voor de hitticheyt sijnes toorns bestaen? sijne grimmicheyt is uytgestort als vyer, ende de rotzsteenen worden van hem vermorselt.
7 De HEERE is goet, hy is ter sterckte in den dach der benautheyt, ende hy kent die die op hem betrouwen.
8 Ende met eenen doorgaenden vloet sal hy hare plaetse te niete maken: ende duysternisse sal sijne vyanden vervolgen.
9 Wat denckt ghylieden tegen den HEERE? Hy sal selfs een voleyndinge maken: de benautheyt en sal niet twee-mael oprijsen.
10 Dewijle sy in malcanderen gevlochten zijn als doornen, ende droncken zijn gelijck sy plegen droncken te zijn, so worden sy volcomelick verteert, als een dorre stoppel.
11 Van u is een uyt gegaen, die quaet denckt, tegens den HEERE, een Belials raetsman.
12 Alsoo seyt de HEERE: Zijn sy voorspoedich, ende alsoo vele, alsoo sullen sy oock geschoren worden, ende hy sal doorgaen: ick hebbe u wel gedruckt, [maer] ick en sal u niet meer drucken:
13 Maer nu sal ick sijn jock van u breken, ende sal uwe banden verscheuren.
14 Doch tegen u heeft de HEERE bevolen, datter van uwen name niemant meer gezaeyt sal worden: uyt den huyse uwes Godts sal ick uytroeyen de gesnedene ende gegotene beelden, Ick sal u [ daer] een graf maken, als ghy sult veracht zijn geworden.
15 Siet op de bergen de voeten des genen die het goede bootschapt, die vrede doet hooren: Viert uwe vier-dagen, ô Iuda, betaelt uwe geloften, want de belials [man] en sal voortaen niet meer door u doorgaen, hy is gantsch uytgeroeyt.

Einde Nahum 1