Statenvertaling.nl

sample header image

Jeremia 30 – Statenvertaling editie 1637

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling raadplegen in de editie van 1637 en/of 1657. De edities 1637, 1657 en de GBS-editie kunnen naar keuze parallel worden weergegeven. (Bij parallelweergave worden bij een vers eerst de kanttekeningen met verwijsteksten getoond, daarna de verklarende kanttekeningen.)

Edities SV:    

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenZonder kanttekeningen

Jeremia 30

1 HEt woort, dat tot Ieremia geschiet is, van den HEERE, seggende:
2 Soo spreeckt de HEERE, de Godt Israëls, seggende; Schrijft u alle de woorden, die ick tot u gesproken hebbe, in een boeck.
3 Want siet, de dagen komen, spreeckt de HEERE, dat ick de gevanckenisse mijns volcx, Israëls ende Iuda, wenden sal, seyt de HEERE: ende ick salse wederbrengen in het lant dat ick haren vaderen gegeven hebbe, ende sy sullen ’t erflick besitten.
4 Ende dit zijn de woorden die de HEERE gesproken heeft van Israël ende van Iuda.
5 Want soo seyt de HEERE; Wy hooren eene stemme der verschrickinge: daer is vreese ende geen vrede.
6 Vraget doch ende siet, of een manspersoon baert? Waerom sie ick [dan] eens yegelijcken mans handen op sijne lendenen, als eener barender [vrouwe]? ende alle aengesichten verandert in bleeckheyt?
7 ô Wee! want die dach is soo groot, dat sijns gelijcken niet geweest en is: ende het is een tijt van benaeutheyt voor Iacob; noch sal hy daer uyt verlost worden.
8 Want het sal te dien dage geschieden, spreeckt de HEERE der heyrscharen, [dat] ick sijn jock van uwen halse verbreken, ende uwe banden verscheuren sal: ende vreemde sullen sich niet meer van hem doen dienen.
9 Maer sy sullen dienen den HEERE haren Godt: ende haren Coninck David, dien ick hen verwecken sal.
10 Ghy dan, en vreest niet, ô mijn knecht Iacob, spreeckt de HEERE, en ontsett u niet Israël; want siet, Ick sal u uyt verre [landen] verlossen, ende u zaet uyt den lande harer gevanckenisse: ende Iacob sal wederkomen, ende stille ende gerust zijn, ende daer en sal niemant zijn die [hem] verschricke.
11 Want ick ben met u, spreeckt de HEERE, om u te verlossen: want ick sal eene voleyndinge maken met alle de heydenen, daer henen ick u verstroyt hebbe; maer met u en sal ick geene voleyndinge maken: maer ick sal u castijden met mate, ende u niet gantsch onschuldich houden.
12 Want soo seyt de HEERE, Uwe breucke is dootlick: uwe plage is smertelick.
13 Daer en is niemant die uwe sake oordeelt, aengaende het geswel: ghy en hebt geen heel-plaesters.
14 Alle uwe liefhebbers hebben u vergeten, sy en vragen niet nae u: want ick heb u geslagen [met] eens vyants plage, [met] de castijdinge eens wreeden: om de grootheyt uwer ongerechticheyt; [om dat] uwe sonden machtich veel zijn.
15 Wat krijt ghy over uwe breucke, [dat] uwe smerte dootlick is? om de grootheyt uwer ongerechticheyt; [omdat] uwe sonden machtich veel zijn, heb ick u dese dingen gedaen.
16 Daerom, alle die u opeten, sullen opgegeten worden, ende alle uwe wederpartijders, sy alle, sullen gaen in gevanckenisse: ende die u berooven, sullen ter beroovinge zijn, ende alle die u plunderen, sal ick ter plunderinge overgeven.
17 Want ick sal u de gesontheyt doen rijsen, ende u van uwe plagen genesen, spreeckt de HEERE: om dat sy u noemen, De verdrevene; ’T is Zion [seggen sy], niemant en vraegt nae haer.
18 Soo seyt de HEERE; Siet ick sal de gevanckenisse der Tenten Iacobs wenden, ende my over hare wooningen ontfermen: ende de Stadt sal herbouwt worden op haren hoop, ende het Palleys sal liggen nae sijne wijse.
19 Ende van hen sal dancksegginge uytgaen, ende eene stemme der spelenden: ende ick salse vermeerderen, ende sy en sullen niet vermindert worden, ende ick salse vereerlicken, ende sy en sullen niet geringe worden.
20 Ende sijne sonen sullen zijn als eertijts, ende sijne gemeynte sal voor mijn aengesichte bevestigt worden: ende ick sal besoeckinge doen over alle sijne onderdruckers.
21 Ende sijn Heerlicke sal uyt hem zijn, ende sijn Heerscher uyt het midden van hem voortkomen; ende ick sal hem doen naederen, ende hy sal tot my genaken: want wie is hy die met sijn herte borge worde, om tot my te genaken, spreeckt de HEERE?
22 Ende ghy sullet my tot een volck zijn: ende ick sal u tot eenen Godt zijn:
23 Siet, een onweder des HEEREN, eene grimmicheyt, is uytgegaen, een aenhoudend’ onweder: het sal blijven op den cop der godtloosen.
24 De hitticheyt van des HEEREN toorn en sal haer niet afwenden, tot dat hy gedaen, ende tot dat hy daer gestelt sal hebben de gedachten sijns herten: in’t laetste der dagen sult ghy daer op letten.

Einde Jeremia 30