Statenvertaling.nl

sample header image

Psalm 27 – Statenvertaling editie 1637

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling raadplegen in de editie van 1637 en/of 1657. De edities 1637, 1657 en de GBS-editie kunnen naar keuze parallel worden weergegeven. (Bij parallelweergave worden bij een vers eerst de kanttekeningen met verwijsteksten getoond, daarna de verklarende kanttekeningen.)

Edities SV:    

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenZonder kanttekeningen

Psalm 27

1 [EEn Psalm] Davids. De HEERE is mijn licht, ende mijn heyl, voor wien soud’ ick vreesen? De HEERE is mijns levens kracht, voor wien soud’ ick vervaert zijn?
2 Als de boose mijne tegenpartijen ende mijne vyanden tegen my, tot my naederden, om mijn vleesch te eten, stieten sy selfs aen, ende vielen.
3 Of my schoon een leger belegerde, mijn herte en soude niet vreesen; of schoon een oorloch tegen my opstonde, so vertrouw’ ick hier op.
4 Een dinck heb ick van den HEERE begeert, dat sal ick soecken: Dat ick alle de dagen mijns levens mochte woonen in het Huys des HEEREN, om de lieflickheyt des HEEREN te aenschouwen, ende te ondersoecken in sijnen Tempel.
5 Want hy versteeckt my in sijne hutte ten dage des quaets, hy verbergt my in ’t verborgen sijner tente; hy verhoogt my op eenen rotzsteen.
6 Oock nu sal mijn hooft verhoogt worden boven mijne vyanden die rontom my zijn, ende ick sal in sijne tente offerhanden des geklancks offeren; ick sal singen, ja psalm-singen den HEERE.
7 Hoort, HEERE, mijne stemme, [als] ick roepe; ende weest my genadich, ende antwoordt my.
8 Mijn herte seyt tot u; [Ghy segt], Soeckt mijn aengesichte: Ick soeck u aengesicht, ô HEERE.
9 Verbergt u aengesichte niet voor my, en keert uwen knecht niet af in toorne; ghy zijt mijne hulpe geweest, en begeeft my niet, ende verlaet my niet, ô Godt mijns heyls.
10 Want mijn vader ende mijne moeder hebben my verlaten: maer de HEERE sal my aennemen.
11 HEERE, leert my uwen wech, ende leydt my in’t rechte pat, om mijner verspieders wille.
12 Geeft my niet over in de begeerte mijner tegenpartijders: want valsche getuygen zijn tegen my opgestaen, mitsgaders die wrevel uytblaest.
13 So ick niet en hadde gelooft, dat ick het goede des HEEREN soude sien in’t lant der levendigen; [ick ware vergaen.]
14 Wacht op den HEERE, zijt sterck, ende hy sal u herte verstercken; ja wacht op den HEERE:

Einde Psalm 27