Op deze pagina kunt u de Statenvertaling raadplegen in de editie van 1637 en/of 1657. De edities 1637, 1657 en de GBS-editie kunnen naar keuze parallel worden weergegeven. (Bij parallelweergave worden bij een vers eerst de kanttekeningen met verwijsteksten getoond, daarna de verklarende kanttekeningen.)
| 1 1 VOorts zijn dit de laetste woorden Davids: David, de sone van Isai, seyt; ende de Man, die hooge is op-gericht, de Gesalfde des Godts Iacobs, ende lieflick [in] Psalmen Israëls, seyt: |
| 2 De Geest des HEEREN heeft door my gesproken: ende sijn reden is op mijne tonge geweest. |
| 3 De Godt Israëls heeft geseyt, de Rotzsteen Israëls heeft tot my gesproken: [Daer sal zijn] een heerscher over de menschen, een rechtveerdige, een heerscher [in de] vreese Godts. |
| 4 Ende hy sal zijn gelijck het licht des morgens [wanneer] de Sonne opgaet: des morgens sonder wolcken, [wanneer] van den glantz na den regen, de gras-scheutkens uyt der aerden [voort-komen]. |
| 5 Hoewel mijn huys alsoo niet en is by Godt; nochtans heeft hy my een eeuwich verbont gestelt, dat in alles wel geordineert ende bewaert is: Voorseker is [daer in] al mijn heyl, ende alle lust, hoewel hy het [noch] niet en doet uytspruyten. |
| 6 Maer de [mannen] Belials, die sullen al te mael zijn als doornen, die wech-geworpen worden; om datmense metter hant niet kan vatten: |
| 7 Maer een yegelick, diese sal aentasten, versiet sich met yser ende het hout eener spiesse: ende sy sullen gantschlick met vyer verbrandt worden ter selver plaetse. |
| 8 Dit zijn de namen der helden, die David gehadt heeft: Ioscheb Baschebeth, [de sone van] Tachkemont, de voorneemste der hooftlieden. Dese was Adino de Ezniter, [die sich selde] tegen acht hondert, die [van hem] verslagen werden op een mael. |
| 9 Ende na hem was Eleazar, de sone van Dodo, sone van Ahohi: [dese was] onder de drie helden met David, doe sy de Philistijnen beschimpten, [die] aldaer ten strijde versamelt waren, ende de mannen Israëls waren opgetogen. |
| 10 Dese stont op, ende sloech onder de Philistijnen, tot dat sijne hant moede wert, ja sijne hant aen ’t sweert kleefde; Ende de HEERE wrochte een groot heyl ten selven dage: Ende het volck keerde wederom hem na, alleenlick om te plonderen. |
| 11 Na hem nu was Samma, de sone van Age, de Hararijt: doe de Philistijnen versamelt waren in een dorp, ende aldaer een stuck ackers was vol linsen, ende het volck voor het aengesichte der Philistijnen vluchtede; |
| 12 So stelde hy sich in ’t midden van dat stuck, ende verloste dat, ende sloech de Philistijnen: Ende de HEERE wrochte een groot heyl. |
| 13 Oock gingen af drie van de dertich hoofden, ende quamen in den oogst tot David, in de speloncke Adullam: Ende der Philistijnen hoop hadde sich gelegert in den dale Rephaim. |
| 14 Ende David was doe in eene vestinge: Ende de besettinge der Philistijnen was doe te Bethlehem. |
| 15 Ende David kreech lust, ende seyde: Wie sal my water te drincken geven uyt Bethlehems born-put, die in de poorte is? |
| 16 Doe braken die drie helden door het leger der Philistijnen, ende putteden water uyt Bethlehems bornput, die in de poorte is, ende droegen ’t, ende quamen tot David: Doch hy en wilde dat niet drincken, maer goot het uyt, voor den HEERE; |
| 17 Ende seyde; ’Tzy verre van my, ô HEERE, dat ick dit soude doen; Soud’ [ick drincken] het bloet der mannen, die henen gegaen zijn met perikel hares levens? Ende hy en wilde het niet drincken: Dit deden die drie helden. |
| 18 Abisai, Ioabs broeder, de sone van Zeruja, die was oock een hooft van drien: ende die hief sijne spiesse op tegen drie hondert, die [van hem] verslagen werden: ende hy hadde eenen naem onder die drie. |
| 19 En was hy niet de heerlickste van die drie? Daerom was hy hen tot eenen Overste: Maer hy en quam niet tot aen die [eerste] drie. |
| 20 Voorts Benaja, de sone van Iojada, eens dapperen mans sone, groot van daden, van Kabzeël: Die sloech twee stercke Leeuwen van Moab: Oock ginck hy af, ende sloech eenen leeuw in het midden van eenen kuyl ter sneeuw-tijt. |
| 21 Daer toe sloech hy eenen Egyptischen man, eenen man van aensien: ende in de hant des Egyptenaers was eene spiesse,maer hy ginck tot hem af met eenen staf: ende hy ruckte de spiesse uyt de hant des Egyptenaers, ende doodde hem met sijne [eygene] spiesse. |
| 22 Die dingen dede Benaja, de sone van Iojada: Dies hadde hy eenen naem onder de drie helden. |
| 23 Hy was de heerlickste van de dertich, maer tot die drie [eerste] en quam hy niet: ende David stelde hem over sijne trauwanten. |
| 24 Asahel, Ioabs broeder, was onder de dertich: Elhanan, de sone van Dodo, van Bethlehem: |
| 25 Samma de Haroditer, Elika de Haroditer. |
| 26 Helez de Paltiter, Ira, de sone van Ikes, de Thekoiter. |
| 27 Abjezer, de Anethothiter, Mebunai, de Husathiter. |
| 28 Zalmon, de Ahohiter, Maharai, de Netophathiter. |
| 29 Heleb, de sone van Baëna, de Netophathiter: Ithai, de sone van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins. |
| 30 Benaja, de Pirhathoniter, Hiddai, van de beken Gaas. |
| 31 Abi-Albon, de Arbathiter, Azmaveth, de Barhumiter. |
| 32 El Iachba de Saalboniter; van de sonen Iasens, Ionathan. |
| 33 Samma de Harariter, Ahiam de sone van Sarar, de Harariter. |
| 34 Eliphelet de sone van Ahasbai, eens Maachathiters sone: Eliam de sone Achitophels, de Giloniter. |
| 35 Hezrai de Carmeliter, Paërai, de Arbiter |
| 36 Iigal de sone Nathans, van Zoba, Bani de Gaditer. |
| 37 Zelek de Ammoniter: Naharai de Beërothiter, de wapen-drager Ioabs, des soons Zeruja. |
| 38 Ira de Iethriter, Gareb de Iethriter. |
| 39 Uria de Hethiter: seven ende dertich in alles. |