Statenvertaling.nl

codex alexandrinus

1 Johannes 4 – Griekse tekst en Statenvertaling

Op deze pagina wordt de Griekse tekst van het Nieuwe Testament en de Statenvertaling parallel weergegeven. De Griekse tekst is de reconstructie van de door de vertalers gevolgde tekst. Deze tekst is gebaseerd op de Textus Receptus edities van de 16e en begin 17e eeuw. De verschillen tussen de belangrijkste edities van de Textus Receptus zijn in noten vermeld (zie bijvoorbeeld Matth. 1:11, 23 en 2:11).
(Afkortingen in de noten: St=Stephanus 1550, 1551, B=Beza 1565 t/m 1604, Elz=Elzevir 1624, 1633, Sc=Scrivener 1881, M=Meerderheidstekst, edd=edities, kt=kanttekening.)

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5
Weergave: Grieks en Statenvertaling zonder kanttekeningen
Grieks en Statenvertaling met kanttekeningen

1 Johannes 4

1 De apostel waarschuwt wederom de gelovigen voor de valse leraars. 2 Die hij beschrijft. 4 En troost hen tegen derzelver verleiding met de gave der wedergeboorte, die zij ontvangen hebben. 6 Hen vermanende standvastelijk te blijven bij de leer der apostelen. 7 Daarna komt hij weder tot de vermaningen van onderlinge liefde, die een recht kenteken is der ware wedergeboorte. 9 En stelt hun te dien einde voor het voorbeeld van God en van Zijn grotere liefde tot ons. 12 Leert dat wij daaruit door Zijn Geest verzekerd worden dat wij met God gemeenschap hebben. 14 Gelijk ook als wij belijden dat Jezus de Zaligmaker der wereld en de Zone Gods is. 16 Dat wij door de liefde in God blijven, en vrijmoedigheid hebben in den dag des oordeels. 18 Dat dezelve de vrees der verdoemenis en pijniging des gemoeds verdrijft. 20 Dat wij God niet kunnen liefhebben, indien wij onzen naaste niet liefhebben. 21 Alzo beide deze geboden tezamen ons gegeven zijn.
  
De geesten beproeven
1 Ἀγαπητοί, μὴ παντὶ πνεύματι πιστεύετε, ἀλλὰ δοκιμάζετε τὰ πνεύματα, εἰ ἐκ τοῦ Θεοῦ ἐστίν· ὅτι πολλοὶ ψευδοπροφῆται ἐξεληλύθασιν εἰς τὸν κόσμον. 1 GELIEFDEN, agelooft niet een iegelijken 1geest, bmaar 2beproeft de geesten 3of zij uit God zijn; cwant vele 4valse profeten zijn 5uitgegaan in de wereld.
a Jer. 29:8. Matth. 24:4. Ef. 5:6. Kol. 2:18. verwijsteksten
1 Dat is, leraar, die voorgeeft dat zijn leer is uit openbaring des Heiligen Geestes. Zie 1 Tim. 4:1. verwijsteksten
b Matth. 7:15, 16. 1 Kor. 14:29. 1 Thess. 5:21. verwijsteksten
2 Namelijk aan den toetssteen van Gods Woord. Zie 1 Thess. 5:21. verwijsteksten
3 Dat is, of hun leer van God is ingegeven en met Gods Woord overeenkomt.
c Matth. 24:5, 24. 2 Petr. 2:1. 2 Joh. vs. 7. verwijsteksten
4 Dat is, valse leraars. Want gelijk profeten genaamd worden, niet alleen die toekomende dingen voorzeggen, maar ook die de Schrift uitleggen, 1 Kor. 14:3, 37, zo worden ook valse profeten genaamd, niet alleen die iets voorzeggen dat niet waar is, maar ook die de Schrift verkeerdelijk uitleggen en valse leringen drijven. Zie Matth. 24:24. verwijsteksten
5 Zie 1 Joh. 2:19. verwijsteksten
   
2 ἐν τούτῳ γινώσκετε τὸ πνεῦμα τοῦ Θεοῦ· πᾶν πνεῦμα ὃ ὁμολογεῖ Ἰησοῦν Χριστὸν ἐν σαρκὶ ἐληλυθότα ἐκ τοῦ Θεοῦ ἐστί· 2 Hieraan 6kent gij 7den geest Gods: Alle 8geest die 9belijdt 10dat Jezus Christus 11in het vlees gekomen is, 12die is uit God;
6 Of: Kent hieraan den geest Gods; gebiedenderwijze.
7 De leer die door Gods Geest ingegeven is. Of: een rechte leraar, die door Gods Geest gedreven wordt.
8 Dat is, leraar. Zie vers 1. verwijsteksten
9 Dat is, openlijk leert en bekent.
10 Gr. Jezus Christus in het vlees gekomen zijnde. Zie vers 3. 2 Joh. vs. 7. verwijsteksten
11 Dat is, de menselijke natuur heeft aangenomen, om ons als de enige Middelaar in dezelve met God te verzoenen. Zie Joh. 1:14. Rom. 1:3. Dit is het voornaamste hoofdstuk der christelijke religie, en als een hoofdsom derzelve. Zie Matth. 16:16. Mark. 8:29. Joh. 20:31. Rom. 1:3, 4. Daaruit blijkt dat Hij de Zone Gods geweest is eer Hij de menselijke natuur heeft aangenomen. verwijsteksten
12 Die is een oprechte leraar, die de Goddelijke waarheid en leer voorstelt.
   
3 καὶ πᾶν πνεῦμα ὃ μὴ ὁμολογεῖ τὸν Ἰησοῦν Χριστὸν ἐν σαρκὶ ἐληλυθότα, ἐκ τοῦ Θεοῦ οὐκ ἔστι· καὶ τοῦτό ἐστι τὸ τοῦ ἀντιχρίστου, ὃ ἀκηκόατε ὅτι ἔρχεται, καὶ νῦν ἐν τῷ κόσμῳ ἐστὶν ἤδη. 3 En alle geest die niet belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God niet; dmaar dit is 13de geest van den antichrist, ewelken geest gij gehoord hebt dat komen zal, en fis nu alrede in de wereld.
d 1 Joh. 2:22. verwijsteksten
13 Dat is, de leer van den antichrist, die strijdt tegen de waarheid van den Persoon en het ambt van Christus.
e 1 Joh. 2:18. verwijsteksten
f 2 Thess. 2:7. verwijsteksten
   
4 ὑμεῖς ἐκ τοῦ Θεοῦ ἐστέ, τεκνία, καὶ νενικήκατε αὐτούς· ὅτι μείζων ἐστὶν ὁ ἐν ὑμῖν ἢ ὁ ἐν τῷ κόσμῳ. 4 Kinderkens, gij zijt 14uit God, en hebt 15hen 16overwonnen; want 17Hij is 18meerder 19Die in u is, dan die 20in de wereld is.
14 Door den Geest Gods wedergeboren en daardoor met de kennis der ware en Goddelijke leer verlicht.
15 Namelijk de valse leraars.
16 Namelijk door uw standvastigheid in de ware leer, van welke zij u niet hebben kunnen aftrekken of verleiden. Zie Matth. 24:24. verwijsteksten
17 Namelijk de Geest Gods.
18 Dat is, machtiger, gelijk Joh. 10:29. 1 Joh. 3:20. Namelijk om u bij de waarheid te behouden en tegen de verleidingen te versterken. verwijsteksten
19 Dat is, Dien God u gegeven heeft, en Die in u blijft. Zie 1 Joh. 3:9. verwijsteksten
20 Namelijk de duivel of de geest der dwaling, vers 6, die in de wereldse en onherboren mensen is, hoedanigen de valse leraars zijn, gelijk in het volgende vers gezegd wordt. verwijsteksten
   
5 αὐτοὶ ἐκ τοῦ κόσμου εἰσί· διὰ τοῦτο ἐκ τοῦ κόσμου λαλοῦσι, καὶ ὁ κόσμος αὐτῶν ἀκούει. 5 21Zij zijn uit de wereld; daarom spreken zij 22uit de wereld, en 23de wereld 24hoort hen.
21 Namelijk de valse leraars.
22 Dat is, dingen die uit de wereld zijn, en die met het verstand der onwedergeboren mensen of ook met hun wereldse lusten overeenkomen.
23 Dat is, de wereldse en onwedergeboren mensen; gelijk 1 Joh. 3:13. verwijsteksten
24 Dat is, neemt hun valse leer aan.
   
6 ἡμεῖς ἐκ τοῦ Θεοῦ ἐσμέν· ὁ γινώσκων τὸν Θεόν, ἀκούει ἡμῶν· ὃς οὐκ ἔστιν ἐκ τοῦ Θεοῦ, οὐκ ἀκούει ἡμῶν. ἐκ τούτου γινώσκομεν τὸ πνεῦμα τῆς ἀληθείας καὶ τὸ πνεῦμα τῆς πλάνης. 6 g25Wij zijn 26uit God. Die God 27kent, 28hoort ons; die uit God niet is, hoort ons niet. 29Hieruit kennen wij 30den geest der waarheid en 31den geest der dwaling.
g Joh. 8:47; 10:27. verwijsteksten
25 Namelijk apostelen, en die met ons enerlei leer voorstellen.
26 Dat is, niet alleen van den Geest Gods wedergeboren en verlicht met de kennis der waarheid, maar ook van Hem beroepen om Zijn Goddelijke waarheid den mensen zuiverlijk te prediken.
27 Namelijk recht, gelijk Hij Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft.
28 Dat is, neemt onze leer aan, gelijk tevoren.
29 Namelijk als men ons hoort of niet hoort.
30 Namelijk als men ons hoort en onze leer aanneemt.
31 Namelijk als men ons niet hoort. Zodat uit de leer en Schriften der apostelen (gelijk ook de profeten en evangelisten) moet geoordeeld worden van waarheid of dwaling in de leer.
  
Gods liefde drijft tot wederliefde
7 Ἀγαπητοί, ἀγαπῶμεν ἀλλήλους· ὅτι ἡ ἀγάπη ἐκ τοῦ Θεοῦ ἐστί, καὶ πᾶς ὁ ἀγαπῶν ἐκ τοῦ Θεοῦ γεγέννηται, καὶ γινώσκει τὸν Θεόν. 7 Geliefden, laat ons elkander liefhebben, want de liefde is 32uit God; en een iegelijk die liefheeft, 33is uit God geboren en 34kent God.
32 Dat is, God is een Auteur der liefde, Die dezelve in ons werkt en ons beveelt.
33 Dat is, dat is een zeker teken dat hij waarlijk door den Geest Gods is wedergeboren.
34 Namelijk recht, hoedanig Hij is, wat Hem behaagt, en wat Hij ons bevolen heeft.
   
8 ὁ μὴ ἀγαπῶν οὐκ ἔγνω τὸν Θεόν· ὅτι ὁ Θεὸς ἀγάπη ἐστίν. 8 Die niet liefheeft, die heeft God niet gekend; want God is 35Liefde.
35 Dat is, God heeft lief niet alleen Zichzelven, maar ook al Zijn schepselen, bijzonderlijk Zijn uitverkorenen in Christus Jezus, met zodanig een grote liefde en toegenegenheid, dat men met recht mag zeggen dat Hij niet alleen liefde heeft, maar ook de Liefde Zelve is, gelijk Hij ook de Wijsheid, Goedheid, enz., Zelve genaamd wordt.
   
9 ἐν τούτῳ ἐφανερώθη ἡ ἀγάπη τοῦ Θεοῦ ἐν ἡμῖν, ὅτι τὸν Υἱὸν αὐτοῦ τὸν μονογενῆ ἀπέσταλκεν ὁ Θεὸς εἰς τὸν κόσμον, ἵνα ζήσωμεν δι’ αὐτοῦ. 9 hHierin is de liefde Gods 36jegens ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat 37wij zouden 38leven door Hem.
h Joh. 3:16. Rom. 5:8. verwijsteksten
36 Gr. in ons, gelijk ook vers 16, of: onder ons. verwijsteksten
37 Namelijk die in Hem geloven, gelijk uitgedrukt wordt Joh. 3:16. verwijsteksten
38 Namelijk geestelijk en eeuwiglijk.
   
10 ἐν τούτῳ ἐστὶν ἡ ἀγάπη, οὐχ ὅτι ἡμεῖς ἠγαπήσαμεν τὸν Θεόν, ἀλλ’ ὅτι αὐτὸς ἠγάπησεν ἡμᾶς, καὶ ἀπέστειλε τὸν Υἱὸν αὐτοῦ ἱλασμὸν περὶ τῶν ἁμαρτιῶν ἡμῶν. 10 Hierin 39is de liefde, niet dat wij God 40liefgehad hebben, imaar dat Hij ons 41lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft ktot een Verzoening voor onze zonden.
39 Dat is, blijkt de grootheid van Gods liefde tot ons.
40 Namelijk eerst, zodat wij met onze liefde God tot wederliefde zouden verwekt hebben. Want wij waren van nature haters Gods, Rom. 1:30, en vijanden Gods, Rom. 5:10. verwijsteksten
i Rom. 3:24. 2 Kor. 5:19. Kol. 1:19. verwijsteksten
41 Namelijk eerst, gelijk uitgedrukt wordt vers 19. verwijsteksten
k Rom. 3:25. 1 Joh. 2:2. verwijsteksten
   
11 ἀγαπητοί, εἰ οὕτως ὁ Θεὸς ἠγάπησεν ἡμᾶς, καὶ ἡμεῖς ὀφείλομεν ἀλλήλους ἀγαπᾷν. 11 Geliefden, indien God ons 42alzo lief heeft gehad, zo zijn ook wij 43schuldig 44elkander lief te hebben.
42 Dat is, met zulk een grote, uitnemende, onverdiende en onuitsprekelijke liefde.
43 Dat is, het is niet alleen betamelijk dat wij het voorbeeld Gods als Zijn kinderen hierin navolgen; maar wij zijn daardoor, alsmede door Gods bevel, verplicht om zulks te doen.
44 Dat is, niet alleen God, Die de mensen zo uitnemend heeft liefgehad, maar ook wij mensen elkander om Zijnentwil.
   
12 Θεὸν οὐδεὶς πώποτε τεθέαται· ἐὰν ἀγαπῶμεν ἀλλήλους, ὁ Θεὸς ἐν ἡμῖν μένει, καὶ ἡ ἀγάπη αὐτοῦ τετελειωμένη ἐστὶν ἐν ἡμῖν. 12 l45Niemand heeft ooit God 46aanschouwd; mindien wij elkander liefhebben, zo 47blijft God in ons, en 48Zijn liefde is in ons 49volmaakt.
l Ex. 33:20. Deut. 4:12. Joh. 1:18. 1 Tim. 1:17; 6:16. verwijsteksten
45 Namelijk der mensen, gelijk uitgedrukt wordt 1 Tim. 6:16. verwijsteksten
46 Namelijk met de ogen des lichaams, gelijk verklaard wordt vers 20. Dat is, hoewel men God niet met de lichamelijke ogen kan zien en aanschouwen, zo is het nochtans dat Hij evenwel in ons blijft als wij elkander liefhebben. verwijsteksten
m 1 Joh. 3:24. verwijsteksten
47 Zie hiervan de verklaring op 1 Joh. 3:24. verwijsteksten
48 Namelijk met welke wij Hem liefhebben.
49 Zie de aant. op 1 Joh. 2:5. verwijsteksten
   
13 ἐν τούτῳ γινώσκομεν ὅτι ἐν αὐτῷ μένομεν καὶ αὐτὸς ἐν ἡμῖν, ὅτι ἐκ τοῦ Πνεύματος αὐτοῦ δέδωκεν ἡμῖν. 13 Hieraan kennen wij dat wij in Hem blijven, en Hij in ons, 50omdat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft.
50 Zie de verklaring 1 Joh. 3:24. verwijsteksten
   
14 καὶ ἡμεῖς τεθεάμεθα καὶ μαρτυροῦμεν ὅτι ὁ Πατὴρ ἀπέσταλκε τὸν Υἱὸν σωτῆρα τοῦ κόσμου. 14 En wij hebben het 51aanschouwd en getuigen dat de Vader Zijn Zoon gezonden heeft tot een Zaligmaker 52der wereld.
51 Zie 1 Joh. 1:1. verwijsteksten
52 Dat is, der uitverkorenen en gelovigen in de ganse wereld. Zie Joh. 3:17; 4:42. 1 Joh. 2:2. verwijsteksten
   
15 ὃς ἂν ὁμολογήσῃ ὅτι Ἰησοῦς ἐστὶν ὁ Υἱὸς τοῦ Θεοῦ, ὁ Θεὸς ἐν αὐτῷ μένει, καὶ αὐτὸς ἐν τῷ Θεῷ. 15 Zo wie 53beleden zal hebben dat Jezus de Zone Gods is, 54God blijft in hem en hij in God.
53 Namelijk en voorts zal gedaan hebben hetgeen deze belijdenis vereist, namelijk Hem met waar geloof zal aangenomen hebben, en zijn geloof met de werken der liefde getoond. Want anderszins hebben dit ook de duivelen wel beleden, Matth. 8:29. Mark. 5:7. verwijsteksten
54 Zie de verklaring 1 Joh. 3:24. verwijsteksten
   
16 καὶ ἡμεῖς ἐγνώκαμεν καὶ πεπιστεύκαμεν τὴν ἀγάπην ἣν ἔχει ὁ Θεὸς ἐν ἡμῖν. ὁ Θεὸς ἀγάπη ἐστί, καὶ ὁ μένων ἐν τῇ ἀγάπῃ, ἐν τῷ Θεῷ μένει, καὶ ὁ Θεὸς ἐν αὐτῷ. 16 En wij hebben gekend en geloofd de liefde die God 55tot ons heeft. God is 56Liefde; 57en die in de Liefde blijft, die blijft in God en God in hem.
55 Gr. in ons.
56 Zie de verklaring vers 8. verwijsteksten
57 Dat is, daarom.
   
17 ἐν τούτῳ τετελείωται ἡ ἀγάπη μεθ’ ἡμῶν, ἵνα παρρησίαν ἔχωμεν ἐν τῇ ἡμέρᾳ τῆς κρίσεως, ὅτι καθὼς ἐκεῖνός ἐστι, καὶ ἡμεῖς ἐσμὲν ἐν τῷ κόσμῳ τούτῳ. 17 58Hierin is de liefde bij ons volmaakt, opdat wij 59vrijmoedigheid mogen hebben in den dag des oordeels, namelijk dat 60gelijk Hij is, wij ook zijn in deze wereld.
58 Dat is, hierdoor zijn wij volmaakt in de liefde, namelijk dat gelijk Hij is, wij ook zijn in deze wereld, als volgt.
59 Dat is, een vrijmoedig vertrouwen dat wij in dien dag niet zullen veroordeeld worden; alzo wij nu de liefde oefenen, en de Heere Christus alsdan zal tevoorschijn brengen de werken der liefde, niet als verdienende oorzaken der vrijspreking en zaligheid, maar als vruchten en kentekenen van ons geloof. Zie Matth. 25:34, 35, enz. verwijsteksten
60 Dat is, gelijk Christus in de liefde gewandeld heeft, en gestadiglijk daarin blijft, wij ook Zijn voetstappen navolgen. Zie 1 Joh. 2:6; 3:3, en de aantt. aldaar. Of: gelijk God de Liefde is, wij ook alzo in de liefde wandelen, vss. 8, 10. Matth. 5:48. verwijsteksten
   
18 φόβος οὐκ ἔστιν ἐν τῇ ἀγάπῃ, ἀλλ’ ἡ τελεία ἀγάπη ἔξω βάλλει τὸν φόβον, ὅτι ὁ φόβος κόλασιν ἔχει· ὁ δὲ φοβούμενος οὐ τετελείωται ἐν τῇ ἀγάπῃ. 18 Er is 61in de liefde 62geen vrees, maar 63de volmaakte liefde 64drijft de vrees buiten; want 65de vrees heeft 66pijn, en die vreest, 67is niet volmaakt in de liefde.
61 Dat is, in degenen die hun geloof door de liefde betonen; die waarlijk God en hun naaste liefhebben.
62 Namelijk van verdoemd te worden in den dag des oordeels; welke vrees een slaafse vrees genaamd wordt. Want hij spreekt hier niet van de vreze Gods, die het beginsel is van alle wijsheid, Ps. 111:10, welke is een kinderlijk ontzag voor de Goddelijke Majesteit, en zorgvuldigheid om Dezelve niet te vertoornen; alzo die ons wordt geboden, Filipp. 2:12. 1 Petr. 1:17. verwijsteksten
63 Dat is, als wij God en onzen naaste oprechtelijk liefhebben. Zie 1 Joh. 2:5. verwijsteksten
64 Gr. werpt. Want deze vrees is in de harten en consciënties der zondaren zo vast ingeplant, dat zij als met geweld door een sterk en oprecht geloof buiten het hart gedreven moet worden. Dat wij nu een oprecht geloof hebben, wordt bekend uit de oprechte liefde tot God en onzen naaste, waaraan overzulks dit uitdrijven ook toegeschreven wordt.
65 Namelijk van verdoemd te zullen worden.
66 Of: straffing; dat is, kwelling, angst en benauwdheid des gemoeds, die ophoudt als wij verzekerd zijn van de oprechtheid van ons geloof, hetwelk geschiedt zo door den Geest Gods, als door de werken der liefde, dewelke hoe groter zij is, hoe minder de vrees en benauwdheid is.
67 Dat is, heeft nog de rechte liefde niet; want zo hij dezelve had, hij zou deze vrees uitdrijven.
   
19 ἡμεῖς ἀγαπῶμεν αὐτόν, ὅτι αὐτὸς πρῶτος ἠγάπησεν ἡμᾶς. 19 68Wij hebben Hem lief, 69omdat Hij ons eerst liefgehad heeft.
68 Of: Laat ons Hem, dat is, God, liefhebben; want de Griekse tekst kan beide overzettingen lijden.
69 Zie vers 10. verwijsteksten
   
20 ἐάν τις εἴπῃ ὅτι Ἀγαπῶ τὸν Θεόν, καὶ τὸν ἀδελφὸν αὐτοῦ μισῇ, ψεύστης ἐστίν· ὁ γὰρ μὴ ἀγαπῶν τὸν ἀδελφὸν αὐτοῦ ὃν ἑώρακε, τὸν Θεὸν ὃν οὐχ ἑώρακε πῶς δύναται ἀγαπᾷν; 20 nIndien iemand zegt: Ik heb God lief; en 70haat zijn broeder, 71die is een leugenaar; want die zijn broeder niet liefheeft, 72dien hij gezien heeft, 73hoe kan hij God liefhebben, Dien hij niet gezien heeft?
n 1 Joh. 2:4. verwijsteksten
70 Dat is, niet alleen metterdaad haat, maar ook zelfs niet liefheeft; gelijk de volgende woorden verklaren.
71 Zie 1 Joh. 2:4. verwijsteksten
72 Dat is, wiens persoon, staat en nood hij ziet, door welk zien de liefde en barmhartigheid pleegt ontstoken te worden in het hart.
73 Hij wil zeggen: die kan geenszins God liefhebben; alzo men lichter door het gezicht dan door het gehoor tot liefde bewogen wordt; en God niet minder de ene liefde dan de andere van ons eist.
   
21 καὶ ταύτην τὴν ἐντολὴν ἔχομεν ἀπ’ αὐτοῦ, ἵνα ὁ ἀγαπῶν τὸν Θεόν, ἀγαπᾷ καὶ τὸν ἀδελφὸν αὐτοῦ. 21 oEn dit gebod hebben wij van Hem, namelijk dat die God liefheeft, ook zijn broeder liefhebbe.
o Lev. 19:18. Matth. 22:39. Joh. 13:34; 15:12. Ef. 5:2. 1 Thess. 4:9. 1 Petr. 4:8. 1 Joh. 3:23. verwijsteksten

Einde 1 Johannes 4