Statenvertaling.nl

codex alexandrinus

Handelingen 6 – Griekse tekst en Statenvertaling

Op deze pagina wordt de Griekse tekst van het Nieuwe Testament en de Statenvertaling parallel weergegeven. De Griekse tekst is de reconstructie van de door de vertalers gevolgde tekst. Deze tekst is gebaseerd op de Textus Receptus edities van de 16e en begin 17e eeuw. De verschillen tussen de belangrijkste edities van de Textus Receptus zijn in noten vermeld (zie bijvoorbeeld Matth. 1:11, 23 en 2:11).
(Afkortingen in de noten: St=Stephanus 1550, 1551, B=Beza 1565 t/m 1604, Elz=Elzevir 1624, 1633, Sc=Scrivener 1881, M=Meerderheidstekst, edd=edities, kt=kanttekening.)

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
Weergave: Grieks en Statenvertaling zonder kanttekeningen
Grieks en Statenvertaling met kanttekeningen

Handelingen 6

1 Om de murmurering der Grieksen tegen de Hebreeën worden van de gemeente zeven diakenen verkoren. 6 En van de apostelen door oplegging der handen bevestigd. 7 Velen begeven zich tot de gemeente, ook priesters. 8 Stefanus, een uit de diakenen, doet vele wonderen; en die van de synagoge der Libertijnen en anderen staan tegen hem op. 10 Als zij diens geest en wijsheid niet konden tegenstaan, trekken zij hem voor den Raad. 13 En maken valse getuigen uit, en die beschuldigen hem van lastering tegen den tempel en de wet. 15 Zijn aangezicht blinkt gelijk van een engel.
  
De verkiezing van zeven diakenen
1 Ἐν δὲ ταῖς ἡμέραις ταύταις, πληθυνόντων τῶν μαθητῶν, ἐγένετο γογγυσμὸς τῶν Ἑλληνιστῶν πρὸς τοὺς Ἑβραίους, ὅτι παρεθεωροῦντο ἐν τῇ διακονίᾳ τῇ καθημερινῇ αἱ χῆραι αὐτῶν. 1 EN 1in dezelve dagen, als de discipelen vermenigvuldigden, ontstond een murmurering 2der Grieksen tegen de Hebreeën, omdat hun weduwen in de dagelijkse 3bediening 4verzuimd werden.
1 Namelijk als de apostelen in de gevangenis geworpen waren geweest.
2 Gr. Hellenistai. Dezen waren Joden van afkomst en religie, maar werden Grieksen genaamd, omdat zij in de verstrooiing in de Griekse of heidense landen geboren waren; en omdat zij de Griekse taal en overzetting des Bijbels gebruikten, die daarna bekeerd zijn tot de christelijke religie. Zie Hand. 9:29; 11:19, 20. Doch de andere Joden, die den Hebreeuwsen Bijbel gebruikten, werden Hebreeën genaamd. Zie ook 2 Kor. 11:22. verwijsteksten
3 Gr. diakonia; klagende namelijk óf dat hun weduwen tot den dienst der armen niet mede gebruikt werden; óf dat hun arme weduwen zo wel niet verzorgd werden als de weduwen der Hebreeën.
4 Gr. overzien.
   
2 προσκαλεσάμενοι δὲ οἱ δώδεκα τὸ πλῆθος τῶν μαθητῶν, εἶπον, Οὐκ ἀρεστόν ἐστιν ἡμᾶς, καταλείψαντας τὸν λόγον τοῦ Θεοῦ, διακονεῖν τραπέζαις. 2 En de twaalve riepen de menigte der discipelen tot zich, en zeiden: aHet is niet 5behoorlijk dat wij het Woord Gods 6nalaten en de 7tafelen dienen.
a Ex. 18:17. verwijsteksten
5 Gr. behaaglijk, dat is, een zaak die ons niet kan behagen.
6 Namelijk omdat wij verhinderd zijnde door de bediening der armen, het prediken van Gods Woord, waartoe wij voornamelijk geroepen zijn, zo dikwijls en zo bekwamelijk niet kunnen waarnemen.
7 Namelijk aan welke het geld en de spijze tot onderhoud der armen gebracht en uitgedeeld werd, of ook de vriendelijke maaltijden na het Avondmaal onder de Christenen gehouden werden, Hand. 2:46. verwijsteksten
   
3 ἐπισκέψασθε οὖν, ἀδελφοί, ἄνδρας ἐξ ὑμῶν μαρτυρουμένους ἑπτά, πλήρεις Πνεύματος Ἁγίου καὶ σοφίας, οὓς *καταστήσωμεν ἐπὶ τῆς χρείας ταύτης.
* καταστήσωμεν B-edd, Elz, M-pt | καταστήσομεν St, B-edd, Sc, M-pt
3 b8Ziet dan om, broeders, naar zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben, vol 9des Heiligen Geestes en der wijsheid, welke wij mogen 10stellen over deze nodige zaak.
b Deut. 1:13. Hand. 1:21; 16:2. 1 Tim. 3:7. verwijsteksten
8 Dat is, kiest zeven mannen uit tot den dienst.
9 Dat is, der gaven des Heiligen Geestes, nodig om zulken dienst met getrouwheid en voorzichtigheid uit te voeren.
10 Dat is, instellen.
   
4 ἡμεῖς δὲ τῇ προσευχῇ καὶ τῇ διακονίᾳ τοῦ λόγου προσκαρτερήσομεν. 4 Maar wij zullen 11volharden in het gebed en in de bediening des Woords.
11 Dat is, gedurig en sterk aanhouden, Hand. 1:14. verwijsteksten
   
5 καὶ ἤρεσεν ὁ λόγος ἐνώπιον παντὸς τοῦ πλήθους· καὶ ἐξελέξαντο Στέφανον, ἄνδρα πλήρη πίστεως καὶ Πνεύματος Ἁγίου, καὶ Φίλιππον, καὶ Πρόχορον, καὶ Νικάνορα, καὶ Τίμωνα, καὶ Παρμενᾶν, καὶ Νικόλαον προσήλυτον Ἀντιοχέα, 5 En 12dit woord behaagde 13al de menigte; en 14zij verkoren 15Stéfanus, een man cvol 16des geloofs en des Heiligen Geestes, den 17Filippus, en Próchorus, en Nikánor, en Timon, en Pármenas, en 18Nikoláüs, 19een Jodengenoot van Antiochíë;
12 Of: deze zaak. Hebr.
13 Gr. voor al de menigte.
14 De verkiezing geschiedde bij de gemeente, en de instelling of bevestiging bij de apostelen, vers 6. verwijsteksten
15 Deze naam, alsook de zes volgende, zijn alle Griekse namen; waaruit enigen besluiten, dat om de klachten van de Grieksen te beter weg te nemen, goedgevonden is de diakenen te verkiezen uit de Griekse Joden.
c Hand. 11:24. verwijsteksten
16 Of: getrouwheid, die in dit ambt voornamelijk vereist wordt.
d Hand. 21:8. verwijsteksten
17 Van dezen zie breder Handelingen 8; 21. verwijsteksten
18 Sommige oude leraars menen dat deze is geweest dezelfde Nikolaüs waarvan men leest Openb. 2:15. Doch dit is onzeker. verwijsteksten
19 Gr. proselytos, dat is, een aankomeling uit de heidenen tot de Joodse religie. Zie Matth. 23:15. verwijsteksten
   
6 οὓς ἔστησαν ἐνώπιον τῶν ἀποστόλων· καὶ προσευξάμενοι ἐπέθηκαν αὐτοῖς τὰς χεῖρας. 6 Welke zij evoor de apostelen stelden; en 20dezen, als zij gebeden hadden, f21legden hun de handen op.
e Hand. 1:23. verwijsteksten
20 Namelijk apostelen. Zie dergelijke Hand. 8:17. verwijsteksten
f Hand. 8:17; 13:3. 1 Tim. 4:14; 5:22. 2 Tim. 1:6. verwijsteksten
21 Deze manier van oplegging der handen was bij de Joden gebruikelijk, als zij iemand zegenden, Gen. 48:14, als zij de beesten zouden opofferen om daarmede dezelve Gode als toe te eigenen, Lev. 1:4, en in het inhuldigen in ambten, Num. 27:18. Deut. 34:9. Dezelfde manier heeft ook Christus gebruikt in het zegenen, Matth. 19:13, en de gemeente in het instellen van kerkendienaren, om daarmede dezelve Gode tot Zijn dienst toe te eigenen en den zegen Gods toe te wensen. Zie 1 Tim. 5:22. Ook de apostelen in het geven der extraordinaire gaven des Heiligen Geestes, Hand. 8:17. verwijsteksten
   
7 Καὶ ὁ λόγος τοῦ Θεοῦ ηὔξανε, καὶ ἐπληθύνετο ὁ ἀριθμὸς τῶν μαθητῶν ἐν Ἱερουσαλὴμ σφόδρα, πολύς τε ὄχλος τῶν ἱερέων ὑπήκουον τῇ πίστει. 7 gEn het Woord Gods 22wies, en het getal der discipelen vermenigvuldigde te Jeruzalem zeer; en een grote schare der 23priesters werd het 24geloof gehoorzaam.
g Hand. 19:20. verwijsteksten
22 Dat is, nam toe, ten aanzien van de veelheid zo der plaatsen waar het gepredikt werd, als der personen die het aannamen, Hand. 12:24. verwijsteksten
23 Namelijk der gemene priesters, die zeer velen onder de Joden waren, Ezra 2:36, waarvan een goed deel bekeerd werden; want meest al de overpriesters waren en bleven de heftigste vijanden van de leer des Evangelies. verwijsteksten
24 Dat is, de leer des geloofs, Gal. 1:23. verwijsteksten
  
Stéfanus voor den Groten Raad
8 Στέφανος δὲ πλήρης πίστεως καὶ δυνάμεως ἐποίει τέρατα καὶ σημεῖα μεγάλα ἐν τῷ λαῷ. 8 En Stéfanus, vol van 25geloof en 26kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het volk.
25 Hier wordt het woord geloof anders genomen dan in het voorgaande vers; namelijk zo voor kennis en toestemming der leer, als voor een vast betrouwen op de evangelische beloften.
26 Dat is, der uitnemende gaven des Heiligen Geestes, waardoor Hij krachtiglijk onder de mensen werkt.
   
9 ἀνέστησαν δέ τινες τῶν ἐκ τῆς συναγωγῆς τῆς λεγομένης Λιβερτίνων, καὶ Κυρηναίων, καὶ Ἀλεξανδρέων, καὶ τῶν ἀπὸ Κιλικίας καὶ Ἀσίας, συζητοῦντες τῷ Στεφάνῳ. 9 En er stonden op sommigen die waren van de 27synagoge, genaamd der 28Libertijnen, en der 29Cyreneeërs, en der 30Alexandrijnen, en dergenen die van Cilícië en Azië waren, en 31twistten met Stéfanus;
27 Binnen de grote stad van Jeruzalem waren vele synagogen en scholen, die alle met haar bijzondere namen onderscheiden werden, gelijk heden ten dage bij ons de collegiën in de universiteiten.
28 Dit is geweest, zo het schijnt, een synagoge van Italiaanse Joden. Want de Italianen en Latijnen noemen Libertijnen degenen die slaven geweest zijnde, in vrijheid zijn gesteld. Pompeius de stad van Jeruzalem vermeesterd hebbende, had vele Joden tot slaven weggevoerd naar Rome, welker nakomelingen, gelijk Philo getuigt, van den keizer Tiberius meest allen in vrijheid gesteld zijn, en is hun toegelaten een deel van de stad Rome over den Tiber te bewonen en daar synagogen te bouwen. Zodat deze Joden, zijnde Libertijnen, schijnen te Jeruzalem mede een synagoge gehad te hebben, naar hun gelegenheid genoemd.
29 Dat is, Joden die in Afrika woonden in de stad Cyrene, gelegen in Libië.
30 Dat is, Joden die te Alexandrië in Egypte woonden en die te Jeruzalem waren.
31 Dat is, disputeerden met Stefanus over het stuk van de religie.
   
10 καὶ οὐκ ἴσχυον ἀντιστῆναι τῇ σοφίᾳ καὶ τῷ Πνεύματι ᾧ ἐλάλει. 10 hEn zij konden niet 32wederstaan de wijsheid en den Geest, door Welken hij sprak.
h Ex. 4:12. Jes. 54:17. Luk. 21:15. verwijsteksten
32 Dat is, niet overwinnen. Zie Matth. 10:19. Luk. 21:15. verwijsteksten
   
11 τότε ὑπέβαλον ἄνδρας λέγοντας ὅτι Ἀκηκόαμεν αὐτοῦ λαλοῦντος ῥήματα βλάσφημα εἰς Μωσῆν καὶ τὸν Θεόν. 11 iToen 33maakten zij mannen uit, die zeiden: Wij hebben hem horen spreken lasterlijke woorden tegen Mozes en God.
i Matth. 26:59. verwijsteksten
33 Gr. wierpen zij daaronder. Als zij met waarheid niet vermochten, keren zij zich tot de valsheid. Zie dergelijke Matth. 26:59. verwijsteksten
   
12 συνεκίνησάν τε τὸν λαὸν καὶ τοὺς πρεσβυτέρους καὶ τοὺς γραμματεῖς, καὶ ἐπιστάντες συνήρπασαν αὐτόν, καὶ ἤγαγον εἰς τὸ συνέδριον, 12 En zij beroerden het volk en de ouderlingen en de schriftgeleerden, en hem aanvallende, grepen zij hem en leidden hem voor den Raad,
13 ἔστησάν τε μάρτυρας ψευδεῖς λέγοντας, Ὁ ἄνθρωπος οὗτος οὐ παύεται ῥήματα βλάσφημα λαλῶν κατὰ τοῦ τόπου τοῦ ἁγίου τούτου καὶ τοῦ νόμου· 13 En 34stelden valse getuigen, die zeiden: Deze mens houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen 35deze heilige plaats en de wet.
34 Namelijk tegen hem in den Raad.
35 Namelijk Jeruzalem, of den tempel, of beide.
   
14 ἀκηκόαμεν γὰρ αὐτοῦ λέγοντος ὅτι Ἰησοῦς ὁ Ναζωραῖος οὗτος καταλύσει τὸν τόπον τοῦτον, καὶ ἀλλάξει τὰ ἔθη ἃ παρέδωκεν ἡμῖν Μωϋσῆς. 14 Want wij hebben hem horen zeggen, dat 36deze Jezus de Nazaréner deze plaats zal 37verbreken, en dat Hij 38de zeden veranderen zal, die ons Mozes overgeleverd heeft.
36 Stefanus had niet gezegd dat Jezus Zelf dat doen zou, maar dat door Zijn oordeel en bestiering dit van de heidenen zou gedaan worden, Luk. 19:43. verwijsteksten
37 Dit is ook alzo geschied omtrent veertig jaren daarna door de Romeinen. Zo had hij dan anders niet dan de waarheid gezegd.
38 Dat is, de wet der ceremoniën, en die eigenlijk de burgerlijke orde der Joden aanging, hetwelk ook de waarheid was.
   
15 καὶ ἀτενίσαντες εἰς αὐτὸν ἅπαντες οἱ καθεζόμενοι ἐν τῷ συνεδρίῳ, εἶδον τὸ πρόσωπον αὐτοῦ ὡσεὶ πρόσωπον ἀγγέλου. 15 En allen die in den Raad zaten, de ogen op hem houdende, zagen zijn aangezicht 39als het aangezicht eens engels.
39 Dat is, blinkende, of stralen van zich gevende. Want met zodanige aangezichten plachten de engelen te verschijnen, Matth. 28:3. verwijsteksten

Einde Handelingen 6