Statenvertaling.nl

codex alexandrinus

Handelingen 3 – Griekse tekst en Statenvertaling

Op deze pagina wordt de Griekse tekst van het Nieuwe Testament en de Statenvertaling parallel weergegeven. De Griekse tekst is de reconstructie van de door de vertalers gevolgde tekst. Deze tekst is gebaseerd op de Textus Receptus edities van de 16e en begin 17e eeuw. De verschillen tussen de belangrijkste edities van de Textus Receptus zijn in noten vermeld (zie bijvoorbeeld Matth. 1:11, 23 en 2:11).
(Afkortingen in de noten: St=Stephanus 1550, 1551, B=Beza 1565 t/m 1604, Elz=Elzevir 1624, 1633, Sc=Scrivener 1881, M=Meerderheidstekst, edd=edities, kt=kanttekening.)

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
Weergave: Grieks en Statenvertaling zonder kanttekeningen
Grieks en Statenvertaling met kanttekeningen

Handelingen 3

1 Petrus gaande op naar den tempel met Johannes, geneest een kreupel geborene. 9 Waarover het volk verwonderd zijnde, toeloopt. 12 Hetwelk Petrus onderricht, dat dit werk niet door zijn, maar door Jezus Christus’ kracht geschied was. 14 Dien zij gedood hadden, en Die van de doden was opgestaan. 17 Troost hen, en vermaant hen tot bekering. 20 Opdat zij door Hem, Die nu in den hemel is en vandaar wederkomen zal. 22 Naar de getuigenis van Mozes. 24 En van alle profeten. 25 Den zegen Abrahams ontvangen zouden.
  
De genezing van een kreupele
1 Ἐπὶ τὸ αὐτὸ δὲ Πέτρος καὶ Ἰωάννης ἀνέβαινον εἰς τὸ ἱερὸν ἐπὶ τὴν ὥραν τῆς προσευχῆς τὴν ἐννάτην. 1 PETRUS nu en Johannes gingen tezamen op naar den tempel, omtrent 1de ure des gebeds, zijnde 2de negende ure.
1 Namelijk op welke, benevens de gebeden, ook het dagelijks avondoffer opgeofferd werd. Zie Ex. 29:38, 39. verwijsteksten
2 Namelijk na den opgang der zon, te weten als die ure nu geëindigd was; overeenkomende met onze derde ure na den middag. Zie Joh. 11:9. Hand. 2:15. verwijsteksten
   
2 καί τις ἀνὴρ χωλὸς ἐκ κοιλίας μητρὸς αὐτοῦ ὑπάρχων ἐβαστάζετο· ὃν ἐτίθουν καθ’ ἡμέραν πρὸς τὴν θύραν τοῦ ἱεροῦ τὴν λεγομένην Ὡραίαν, τοῦ αἰτεῖν ἐλεημοσύνην παρὰ τῶν εἰσπορευομένων εἰς τὸ ἱερόν. 2 aEn een zeker 3man, die kreupel was van zijner moeders lijf, werd gedragen, welken zij dagelijks zetten aan de deur des tempels, genaamd 4de Schone, bom een 5aalmoes te begeren van degenen die in den tempel gingen;
a Hand. 14:8. verwijsteksten
3 Namelijk van over de veertig jaren, Hand. 4:22. verwijsteksten
4 Deze was een van de poorten des voorhofs, en zo het schijnt de grote poort die tegen het oosten stond, alzo genaamd om haar schoonheid en kostelijkheid. Zie Josephus, Oudheden, boek 15, hfdst. 14.
b Joh. 9:8. verwijsteksten
5 De armen te laten bedelen was van God verboden onder Zijn volk, Deut. 15:4, zodat dit ook een teken was dat toen onder de Joden de wetten Gods zeer vervallen waren. verwijsteksten
   
3 ὃς ἰδὼν Πέτρον καὶ Ἰωάννην μέλλοντας εἰσιέναι εἰς τὸ ἱερόν, ἠρώτα *ἐλεημοσύνην λαβεῖν.
* ἐλεημοσύνην λαβεῖν St, B, Elz | ἐλεημοσύνην Sc, M
3 Welke, Petrus en Johannes ziende, als zij in den tempel zouden ingaan, bad dat hij een aalmoes mocht ontvangen.
4 ἀτενίσας δὲ Πέτρος εἰς αὐτὸν σὺν τῷ Ἰωάννῃ, εἶπε, Βλέψον εἰς ἡμᾶς. 4 En Petrus sterk op hem ziende, met Johannes, zeide: Zie op ons.
5 ὁ δὲ ἐπεῖχεν αὐτοῖς, προσδοκῶν τι παρ’ αὐτῶν λαβεῖν. 5 En hij hield de ogen op hen, verwachtende dat hij 6iets van hen zou ontvangen.
6 Dat is, enige aalmoes.
   
6 εἶπε δὲ Πέτρος, Ἀργύριον καὶ χρυσίον οὐχ ὑπάρχει μοι· ὃ δὲ ἔχω, τοῦτό σοι δίδωμι. ἐν τῷ ὀνόματι Ἰησοῦ Χριστοῦ τοῦ Ναζωραίου, ἔγειραι καὶ περιπάτει. 6 En Petrus zeide: Zilver en goud heb ik niet, maar hetgeen ik heb, dat geef ik u: c7In den Naam van Jezus Christus 8den Nazaréner, sta op en wandel.
c Hand. 4:10. verwijsteksten
7 Dat is, door Christus’ bevel en kracht; of: vertrouwende op de beloften en kracht van Christus.
8 Zie Matth. 2:23. verwijsteksten
   
7 καὶ πιάσας αὐτὸν τῆς δεξιᾶς χειρὸς ἤγειρε· παραχρῆμα δὲ ἐστερεώθησαν αὐτοῦ αἱ βάσεις καὶ τὰ σφυρά. 7 En hem grijpende bij de rechterhand, richtte hij hem op, en terstond werden zijn 9voeten en enkels vast;
9 Gr. baseis, dat is, fundamenten. Want de voeten zijn als het fundament waarop het lichaam rust, staat en gedragen wordt.
   
8 καὶ ἐξαλλόμενος ἔστη καὶ περιεπάτει, καὶ εἰσῆλθε σὺν αὐτοῖς εἰς τὸ ἱερόν, περιπατῶν καὶ ἁλλόμενος καὶ αἰνῶν τὸν Θεόν. 8 En hij 10opspringende stond en wandelde en ging met hen in de tempel, wandelende en springende en lovende God.
10 Dat is, niet alleen opstaande, maar tot een teken van volkomen genezing en van blijdschap opspringende. Zie Jes. 35:6. Hand. 14:10. verwijsteksten
   
9 καὶ εἶδεν αὐτὸν πᾶς ὁ λαὸς περιπατοῦντα καὶ αἰνοῦντα τὸν Θεόν· 9 En al het volk zag hem wandelen en God loven.
10 ἐπεγίνωσκόν τε αὐτὸν ὅτι οὗτος ἦν ὁ πρὸς τὴν ἐλεημοσύνην καθήμενος ἐπὶ τῇ Ὡραίᾳ πύλῃ τοῦ ἱεροῦ· καὶ ἐπλήσθησαν θάμβους καὶ ἐκστάσεως ἐπὶ τῷ συμβεβηκότι αὐτῷ. 10 En zij kenden hem dat hij die was die om een aalmoes gezeten had aan de Schone poort des tempels; en zij werden vervuld met verbaasdheid en ontzetting over hetgeen dat hem geschied was.
  
Petrus’ toespraak in den tempel
11 Κρατοῦντος δὲ τοῦ ἰαθέντος χωλοῦ τὸν Πέτρον καὶ Ἰωάννην, συνέδραμε πρὸς αὐτοὺς πᾶς ὁ λαὸς ἐπὶ τῇ στοᾷ τῇ καλουμένῃ Σολομῶντος, ἔκθαμβοι. 11 En als de kreupele, die gezond gemaakt was, aan Petrus en Johannes 11vasthield, liep al het volk gezamenlijk tot hen in het voorhof, hetwelk 12Sálomo’s voorhof genaamd wordt, verbaasd zijnde.
11 Dat is, zich vast omtrent hen hield, zonder van hen te wijken.
12 Dat is, die eerst van Salomo om den tempel gebouwd was, en daarna, met den tempel verwoest zijnde, wederom op dezelve plaats opgebouwd was, en daarom den naam van Salomo had behouden. Zie 1 Kon. 6:3. Joh. 10:23. Hand. 5:12. verwijsteksten
   
12 ἰδὼν δὲ Πέτρος ἀπεκρίνατο πρὸς τὸν λαόν, Ἄνδρες Ἰσραηλῖται, τί θαυμάζετε ἐπὶ τούτῳ, ἢ ἡμῖν τί ἀτενίζετε, ὡς ἰδίᾳ δυνάμει ἢ εὐσεβείᾳ πεποιηκόσι τοῦ περιπατεῖν αὐτόν; 12 En Petrus dat ziende, 13antwoordde tot het volk: Gij Israëlitische mannen, wat verwondert gij u over dit, of wat ziet gij zo sterk op ons, alsof wij door onze eigen kracht of 14godzaligheid dezen hadden doen wandelen?
13 Dat is, sprak.
14 Namelijk alsof wij door dezelve dit zouden verdiend hebben.
   
13 ὁ Θεὸς Ἀβραὰμ καὶ Ἰσαὰκ καὶ Ἰακώβ, ὁ Θεὸς τῶν πατέρων ἡμῶν, ἐδόξασε τὸν παῖδα αὐτοῦ Ἰησοῦν· ὃν ὑμεῖς παρεδώκατε, καὶ ἠρνήσασθε αὐτὸν κατὰ πρόσωπον Πιλάτου, κρίναντος ἐκείνου ἀπολύειν. 13 15De God Abrahams en Izaks en Jakobs, de God onzer vaderen, heeft Zijn 16Kind Jezus 17verheerlijkt, Welken gij overgeleverd hebt, en hebt Hem 18verloochend dvoor het aangezicht van Pilatus, als hij oordeelde dat men Hem zou loslaten.
15 Dat is, de ware God, Die Zich aan deze patriarchen en voorvaders geopenbaard, met hen en hun nakomelingen een verbond gemaakt heeft, en Die van hen is gekend en gediend geweest. Zie Hand. 5:30. Filipp. 2:9. verwijsteksten
16 Of: Knecht, Dienaar. Zie vers 26. Jes. 53:11. Hand. 4:27. verwijsteksten
17 Namelijk Hem van de doden opgewekt en in den hemel tot de hoogste eer opgenomen hebbende, en door onzen dienst dusdanige wonderen doende.
18 Namelijk dat Hij uw Koning was, Joh. 19:15. verwijsteksten
d Matth. 27:20. Mark. 15:11. Luk. 23:18. Joh. 18:40. verwijsteksten
   
14 ὑμεῖς δὲ τὸν ἅγιον καὶ δίκαιον ἠρνήσασθε, καὶ ᾐτήσασθε ἄνδρα φονέα χαρισθῆναι ὑμῖν, 14 Maar gij hebt 19den Heilige en Rechtvaardige verloochend, en hebt begeerd dat u 20een man die een doodslager was, zou geschonken worden;
19 Zie Hand. 2:27. verwijsteksten
20 Namelijk Barabbas. Zie Mark. 15:7. verwijsteksten
   
15 τὸν δὲ ἀρχηγὸν τῆς ζωῆς ἀπεκτείνατε· ὃν ὁ Θεὸς ἤγειρεν ἐκ νεκρῶν, οὗ ἡμεῖς μάρτυρές ἐσμεν. 15 En 21den Vorst des levens hebt gij gedood, Welken God opgewekt heeft uit de doden, e22waarvan wij getuigen zijn.
21 Dat is, Die de enige Leidsman is om de mensen door Zijn verdiensten en krachtige werkingen tot het eeuwige leven te brengen. Zie Hand. 4:12. verwijsteksten
e Hand. 1:8; 2:32. verwijsteksten
22 Dat is, van welke zaak, of: van welken Christus.
   
16 καὶ ἐπὶ τῇ πίστει τοῦ ὀνόματος αὐτοῦ, τοῦτον ὃν θεωρεῖτε καὶ οἴδατε ἐστερέωσε τὸ ὄνομα αὐτοῦ· καὶ ἡ πίστις ἡ δι’ αὐτοῦ ἔδωκεν αὐτῷ τὴν ὁλοκληρίαν ταύτην ἀπέναντι πάντων ὑμῶν. 16 En door het geloof 23in Zijn Naam heeft 24Zijn Naam dezen 25gesterkt, dien gij ziet en kent; en het geloof dat 26door Hem is, heeft hem deze 27volmaakte gezondheid gegeven, in u aller tegenwoordigheid.
23 Gr. Zijns Naams, dat is, dewijl hij in den Naam van Christus geloofd heeft, gelijk in het volgende verklaard wordt. Zie Mark. 11:22. Rom. 3:22. verwijsteksten
24 Dat is, deze Jezus Christus Zelf, in Wiens Naam en door Wiens kracht dit wonder geschied is.
25 Dat is, zijn voeten vastgemaakt, dat hij nu op dezelve staan en gaan kan.
26 Of: in Hem.
27 Namelijk van al zijn leden, die hij nu ten volle kan gebruiken.
   
17 καὶ νῦν, ἀδελφοί, οἶδα ὅτι κατὰ ἄγνοιαν ἐπράξατε, ὥσπερ καὶ οἱ ἄρχοντες ὑμῶν. 17 En nu, broeders, ik weet dat gij het door 28onwetendheid gedaan hebt, gelijk als ook uw 29oversten.
28 Dit zegt hij om hen te troosten met de hoop van vergeving, alzo zij niet tegen den Heiligen Geest gezondigd hadden. Zie Luk. 23:34. Joh. 16:3. 1 Kor. 2:8. 1 Tim. 1:13. verwijsteksten
29 Dit moet verstaan worden van sommigen derzelve, van welke de apostel spreekt 1 Kor. 2:8. Want van sommigen getuigt Christus dat zij tegen den Heiligen Geest gezondigd hebben, Matth. 12:30, 31, 32. verwijsteksten
   
18 ὁ δὲ Θεὸς ἃ προκατήγγειλε διὰ στόματος πάντων τῶν προφητῶν αὐτοῦ, παθεῖν τὸν Χριστόν, ἐπλήρωσεν οὕτω. 18 Maar God heeft alzo vervuld, hetgeen Hij fdoor den mond van al Zijn profeten tevoren verkondigd had, dat de Christus lijden zou.
f Jes. 50:6; 53:5. Luk. 24:27. verwijsteksten
   
19 μετανοήσατε οὖν καὶ ἐπιστρέψατε, εἰς τὸ ἐξαλειφθῆναι ὑμῶν τὰς ἁμαρτίας, ὅπως ἂν ἔλθωσι καιροὶ ἀναψύξεως ἀπὸ προσώπου τοῦ Κυρίου, 19 gBetert u dan en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden, wanneer de tijden 30der verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heeren,
g Hand. 2:38. verwijsteksten
30 Dat is, der verkwikking van de gelovigen, die de hitte der vervolgingen in deze wereld onderworpen zijn, Ps. 66:12. Jes. 28:12. Jer. 6:16. verwijsteksten
   
20 καὶ ἀποστείλῃ τὸν προκεκηρυγμένον ὑμῖν Ἰησοῦν Χριστόν· 20 En Hij 31gezonden zal hebben Jezus Christus, Die u 32tevoren gepredikt is;
31 Namelijk voor de tweede reize, of in Zijn tweede toekomst ten oordeel.
32 Anders: tevoren besteld, geschikt, geordineerd.
   
21 ὃν δεῖ οὐρανὸν μὲν δέξασθαι ἄχρι χρόνων ἀποκαταστάσεως πάντων, ὧν ἐλάλησεν ὁ Θεὸς διὰ στόματος πάντων ἁγίων αὐτοῦ προφητῶν ἀπ’ αἰῶνος. 21 Welken de hemel moet 33ontvangen 34tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door den mond van al Zijn heilige profeten 35van alle eeuw.
33 Dat is, ontvangen hebbende, behouden.
34 Dat is, tot den dag van het algemene oordeel, op welken alle dingen, die nu om der zonden wil der ijdelheid onderworpen zijn, weder terecht zullen gebracht en hersteld worden, Rom. 8:20. 2 Petr. 3:13, of totdat alles volkomenlijk zal vervuld zijn wat door de profeten is voorzegd geweest. verwijsteksten
35 Dat is, eertijds, in voortijden; of: van het begin der eeuwen, Joh. 9:32. Onder dezen is ook geweest Henoch, Jud. vs. 14. verwijsteksten
   
22 Μωσῆς μὲν γὰρ πρὸς τοὺς πατέρας εἶπεν ὅτι Προφήτην ὑμῖν ἀναστήσει Κύριος ὁ Θεὸς ὑμῶν ἐκ τῶν ἀδελφῶν ὑμῶν ὡς ἐμέ· αὐτοῦ ἀκούσεσθε κατὰ πάντα ὅσα ἂν λαλήσῃ πρὸς ὑμᾶς. 22 Want Mozes heeft tot de vaderen gezegd: hDe Heere uw God zal u 36een Profeet verwekken uit uw broederen, 37gelijk mij; Dien zult gij horen 38in alles wat Hij tot u spreken zal;
h Deut. 18:15, 18, 19. Joh. 1:46. Hand. 7:37. verwijsteksten
36 Dat is, een uitnemende Leraar op een bijzondere wijze van God gezonden.
37 Dat is, mij gelijk zijnde naar de menselijke natuur, en in uitnemendheid van bijzondere zending, getrouwheid en wonderen; doch hem in veel ook te boven gaande. Zie Deut. 18:15. Hebr. 3:2, 3, 4, 5. verwijsteksten
38 Of: naar alles.
   
23 ἔσται δέ, πᾶσα ψυχή, ἥτις ἂν μὴ ἀκούσῃ τοῦ προφήτου ἐκείνου, ἐξολοθρευθήσεται ἐκ τοῦ λαοῦ. 23 En het zal geschieden dat alle ziel die dezen Profeet niet zal gehoord hebben, 39uitgeroeid zal worden uit het volk.
39 Of: verdelgd, vernield; Mozes zegt, Deut. 18:19: van dien wil Ik het eisen; dat is, Ik zal hem straffen, namelijk, als hier verklaard wordt, met uitroeiing uit Mijn volk, Hebr. 2:2, 3. verwijsteksten
   
24 καὶ πάντες δὲ οἱ προφῆται ἀπὸ Σαμουὴλ καὶ τῶν καθεξῆς, ὅσοι ἐλάλησαν, καὶ προκατήγγειλαν τὰς ἡμέρας ταύτας. 24 En ook al de profeten, 40van Samuël aan en die daarna gevolgd zijn, zovelen als er hebben gesproken, die hebben ook deze dagen tevoren verkondigd.
40 Hoewel voor Samuëls tijden na Mozes ook enige profeten geweest zijn, zo wil nochtans Petrus dat men voornamelijk zal zien op Samuël en de profeten die na hem geweest zijn, ten tijde der koningen en daarna, alzo dezelve klaarder van Christus hebben geprofeteerd, Hand. 10:43. verwijsteksten
   
25 ὑμεῖς ἐστε υἱοὶ τῶν προφητῶν, καὶ τῆς διαθήκης ἧς διέθετο ὁ Θεὸς πρὸς τοὺς πατέρας ἡμῶν, λέγων πρὸς Ἀβραάμ, Καὶ τῷ σπέρματί σου ἐνευλογηθήσονται πᾶσαι αἱ πατριαὶ τῆς γῆς. 25 Gijlieden zijt 41kinderen der profeten en des 42verbonds, hetwelk God 43met onze vaderen opgericht heeft, zeggende tot Abraham: iEn in uw Zaad zullen alle 44geslachten der aarde gezegend worden.
41 Dat is, afkomstig van de profeten; of: wien de profeten voornamelijk zijn gezonden geweest.
42 Of: testaments. Zie Gen. 17:7. Rom. 9:4. verwijsteksten
43 Of: tot onze vaderen.
i Gen. 22:18. Gal. 3:8. verwijsteksten
44 Dat is, volken. Waarvan zie nadere verklaring Gen. 22:18. Gal. 3:8. verwijsteksten
   
26 ὑμῖν πρῶτον ὁ Θεός, ἀναστήσας τὸν παῖδα αὐτοῦ Ἰησοῦν, ἀπέστειλεν αὐτὸν εὐλογοῦντα ὑμᾶς, ἐν τῷ ἀποστρέφειν ἕκαστον ἀπὸ τῶν πονηριῶν ὑμῶν. 26 God 45opgewekt hebbende Zijn 46Kind Jezus, heeft Denzelven eerst 47tot u gezonden, dat Hij ulieden 48zegenen zou, 49daarin dat Hij een iegelijk van u afkere van uw boosheden.
45 Namelijk uit de doden; of: verwekt, dat is, in de wereld gezonden, Hand. 13:22, 23. verwijsteksten
46 Of: Knecht, Dienaar. Zie vers 13. verwijsteksten
47 Namelijk Joden en burgers van Jeruzalem, Hand. 13:46. verwijsteksten
48 Namelijk met genade in dit leven, en met heerlijkheid in het toekomende.
49 Of: daarin dat een iegelijk van u zich afkere van zijn boosheden. Doch het eerste komt beter overeen met het woord zegenen, gelijk ook met dergelijke plaats Hand. 5:31. verwijsteksten

Einde Handelingen 3