Statenvertaling.nl

codex alexandrinus

Lukas 6 – Griekse tekst en Statenvertaling

Op deze pagina wordt de Griekse tekst van het Nieuwe Testament en de Statenvertaling parallel weergegeven. De Griekse tekst is de reconstructie van de door de vertalers gevolgde tekst. Deze tekst is gebaseerd op de Textus Receptus edities van de 16e en begin 17e eeuw. De verschillen tussen de belangrijkste edities van de Textus Receptus zijn in noten vermeld (zie bijvoorbeeld Matth. 1:11, 23 en 2:11).
(Afkortingen in de noten: St=Stephanus 1550, 1551, B=Beza 1565 t/m 1604, Elz=Elzevir 1624, 1633, Sc=Scrivener 1881, M=Meerderheidstekst, edd=edities, kt=kanttekening.)

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24
Weergave: Grieks en Statenvertaling zonder kanttekeningen
Grieks en Statenvertaling met kanttekeningen

Lukas 6

1 De discipelen plukken korenaren op den sabbat en worden daarover van Christus tegen de farizeeën verantwoord. 6 Christus geneest op den sabbat een dorre hand en verdedigt dit Zijn doen. 12 Bidt op den berg, en verkiest uit Zijn discipelen twaalf tot apostelen. 17 Geneest verscheidene zieke en bezeten mensen. 20 Leert welke mensen gelukzalig zijn, en niet zijn. 27 Vermaant tot liefde, ook zelfs jegens de vijanden. 36 Tot barmhartigheid, en tot een billijk oordeel van zijn naaste. 38 Alsook tot weldadigheid. 41 Leert dat men zichzelven eerst moet bezien, als men anderen wil bestraffen. 43 En dat de boom uit zijn vruchten bekend wordt. 46 Eindelijk leert Hij met de gelijkenis van een huis op een rots, en op zand gebouwd, dat het niet genoeg is Hem met den mond alleen te belijden, maar dat men ook Zijn wil moet doen.
  
Het aren plukken op den sabbat
1 Ἐγένετο δὲ ἐν σαββάτῳ δευτεροπρώτῳ διαπορεύεσθαι αὐτὸν διὰ τῶν σπορίμων· καὶ ἔτιλλον οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ τοὺς στάχυας, καὶ ἤσθιον, ψώχοντες ταῖς χερσί. 1 ENa het geschiedde op den 1tweeden eersten sabbat, dat Hij door het gezaaide ging, en Zijn discipelen plukten aren, en aten ze, die wrijvende met de handen.
a Deut. 23:25. Matth. 12:1. Mark. 2:23. verwijsteksten
1 Deze sabbat wordt genaamd de tweede eerste, omdat, gelijk voorname leraars menen, het de eerste sabbat was na den tweeden dag van pascha, waarvan men zeven sabbatten moest rekenen tot het pinksterfeest, Lev. 23:15, van welke zeven sabbatten deze de eerste was, denwelken de Joden nog heden ten dage noemen den eersten sabbat na den tweeden dag. Want dat ook omtrent dien tijd in het Joodse land de aren groot waren, blijkt Lev. 23:10. Deut. 16:9. Anderen menen dat het geweest is de laatste dag van het paasfeest, die een bijzondere rustdag was zowel als de eerste, Num. 28:25, gelijk de laatste dag van het feest der tabernakelen de grote dag van dat feest genaamd wordt, Joh. 7:37. Doch anderen menen dat hij alzo genaamd wordt, omdat het geweest zou zijn de sabbat in het tweede grote feest, namelijk van pinksteren, op welken de eerstelingen van de rijpe vruchten opgeofferd werden, Ex. 34:22. verwijsteksten
   
2 τινὲς δὲ τῶν Φαρισαίων εἶπον αὐτοῖς, Τί ποιεῖτε ὃ οὐκ ἔξεστι ποιεῖν ἐν τοῖς σάββασι; 2 En sommigen der farizeeën zeiden tot hen: Waarom doet gij bwat niet geoorloofd is te doen op de sabbatten?
b Ex. 20:10. verwijsteksten
   
3 καὶ ἀποκριθεὶς πρὸς αὐτοὺς εἶπεν ὁ Ἰησοῦς, Οὐδὲ τοῦτο ἀνέγνωτε, ὃ ἐποίησε Δαβίδ, ὁπότε ἐπείνασεν αὐτὸς καὶ οἱ μετ’ αὐτοῦ ὄντες; 3 En Jezus hun antwoordende, zeide: Hebt gij ook dat niet gelezen, hetwelk cDavid deed wanneer hem hongerde en dengenen die met hem waren?
c 1 Sam. 21:6. verwijsteksten
   
4 ὡς εἰσῆλθεν εἰς τὸν οἶκον τοῦ Θεοῦ, καὶ τοὺς ἄρτους τῆς προθέσεως ἔλαβε, καὶ ἔφαγε, καὶ ἔδωκε καὶ τοῖς μετ’ αὐτοῦ, οὓς οὐκ ἔξεστι φαγεῖν εἰ μὴ μόνους τοὺς ἱερεῖς; 4 Hoe hij ingegaan is in het 2huis Gods, en de toonbroden genomen en gegeten heeft, en ook gegeven dengenen die met hem waren, welke niet zijn geoorloofd te eten, ddan alleen den priesters?
2 Zie van het huis Gods en van de toonbroden de aantt. op Matth. 12:4. verwijsteksten
d Lev. 24:9. verwijsteksten
   
5 καὶ ἔλεγεν αὐτοῖς ὅτι Κύριός ἐστιν ὁ Υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου καὶ τοῦ σαββάτου. 5 En Hij zeide tot hen: eDe Zoon des mensen is 3een Heere ook van den sabbat.
e Matth. 12:8. Mark. 2:28. verwijsteksten
3 Zie hiervan de verklaring Matth. 12:8. verwijsteksten
  
De tweede genezing op den sabbat
6 Ἐγένετο δὲ καὶ ἐν ἑτέρῳ σαββάτῳ εἰσελθεῖν αὐτὸν εἰς τὴν συναγωγὴν καὶ διδάσκειν· καὶ ἦν ἐκεῖ ἄνθρωπος, καὶ ἡ χεὶρ αὐτοῦ ἡ δεξιὰ ἦν ξηρά. 6 fEn het geschiedde ook op een anderen sabbat, dat Hij in de synagoge ging en leerde. En daar was een mens, en zijn rechterhand was dor.
f Matth. 12:9. Mark. 3:1. verwijsteksten
   
7 παρετήρουν δὲ αὐτὸν οἱ γραμματεῖς καὶ οἱ Φαρισαῖοι, εἰ ἐν τῷ σαββάτῳ θεραπεύσει· ἵνα εὕρωσι κατηγορίαν αὐτοῦ. 7 En de schriftgeleerden en de farizeeën namen Hem waar, of Hij op den sabbat genezen zou, opdat zij enige 4beschuldiging tegen Hem mochten vinden.
4 Gr. Zijn beschuldiging, dat is, enige stof of gelegenheid van beschuldiging, om daarmede Hem als een overtreder der wet bij het volk verdacht te maken.
   
8 αὐτὸς δὲ ᾔδει τοὺς διαλογισμοὺς αὐτῶν, καὶ εἶπε τῷ ἀνθρώπῳ τῷ ξηρὰν ἔχοντι τὴν χεῖρα, Ἔγειραι, καὶ στῆθι εἰς τὸ μέσον. ὁ δὲ ἀναστὰς ἔστη. 8 Doch Hij kende hun 5gedachten, en zeide tot den mens die de dorre hand had: Rijs op en sta in het midden. En hij opgestaan zijnde, stond overeind.
5 Of: overleggingen.
   
9 εἶπεν οὖν ὁ Ἰησοῦς πρὸς αὐτούς, Ἐπερωτήσω *ὑμᾶς, τί ἔξεστι τοῖς σάββασιν, ἀγαθοποιῆσαι ἢ κακοποιῆσαι; ψυχὴν σῶσαι ἢ ἀπολέσαι;
* ὑμᾶς, τί ἔξεστι St, B-edd | ὑμᾶς τί, ἔξεστι B-edd, Elz, Sc, M
9 Zo zeide dan Jezus tot hen: Ik zal u vragen: Wat is geoorloofd op de sabbatten? Goed te doen of kwaad te doen? 6Een mens te behouden of te verderven?
6 Gr. Een ziel, dat is, een mens. Een wijze van spreken, waardoor een deel voor het geheel wordt genomen. Want wie een mens niet helpt als hij kan, die is schuldig aan zijn verderf.
   
10 καὶ περιβλεψάμενος πάντας αὐτούς, εἶπε τῷ ἀνθρώπῳ, Ἔκτεινον τὴν χεῖρά σου. ὁ δὲ ἐποίησεν οὕτω. καὶ ἀποκατεστάθη ἡ χεὶρ αὐτοῦ ὑγιὴς ὡς ἡ ἄλλη. 10 En hen allen rondom 7aangezien hebbende, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij deed alzo; gen zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.
7 Namelijk met toorn. Zie Mark. 3:5. verwijsteksten
g 1 Kon. 13:6. verwijsteksten
   
11 αὐτοὶ δὲ ἐπλήσθησαν ἀνοίας· καὶ διελάλουν πρὸς ἀλλήλους, τί ἂν ποιήσειαν τῷ Ἰησοῦ. 11 En zij werden vervuld 8met uitzinnigheid, en spraken tezamen met elkander wat zij Jezus doen zouden.
8 Dat is, met een razenden haat.
  
De roeping der twaalve
12 Ἐγένετο δὲ ἐν ταῖς ἡμέραις ταύταις ἐξῆλθεν εἰς τὸ ὄρος προσεύξασθαι· καὶ ἦν διανυκτερεύων ἐν τῇ προσευχῇ τοῦ Θεοῦ. 12 hEn het geschiedde in die dagen, dat Hij uitging naar den berg om te bidden, en Hij bleef den nacht over 9in het gebed tot God.
h Matth. 14:23. verwijsteksten
9 Gr. in het gebed Gods, namelijk om Zich door het gebed tot het verkiezen van Zijn apostelen te bereiden; gelijk de apostelen ook naar dit voorbeeld gedaan hebben, Hand. 13:3. verwijsteksten
   
13 καὶ ὅτε ἐγένετο ἡμέρα, προσεφώνησε τοὺς μαθητὰς αὐτοῦ· καὶ ἐκλεξάμενος ἀπ’ αὐτῶν δώδεκα, οὓς καὶ ἀποστόλους ὠνόμασε, 13 iEn als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook 10apostelen noemde:
i Matth. 10:1. Mark. 3:13; 6:7. Luk. 9:1. verwijsteksten
10 Dat is, afgezondenen, of gezanten, omdat zij van Hem eerst door het Joodse land, Matth. 10:6, en daarna in de wereld uitgezonden zouden worden om het Evangelie te prediken. verwijsteksten
   
14 Σίμωνα ὃν καὶ ὠνόμασε Πέτρον, καὶ Ἀνδρέαν τὸν ἀδελφὸν αὐτοῦ, Ἰάκωβον καὶ Ἰωάννην, Φίλιππον καὶ Βαρθολομαῖον, 14 Namelijk Simon, welken Hij ook 11Petrus noemde, en Andréas, zijn broeder, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholoméüs;
11 Waarom hij alzo toegenaamd is geworden, zie Mark. 3:16. Deze toenaam heeft ook gediend om hem te onderscheiden van den tweeden Simon, die ook daarom hier toegenaamd wordt Zelotes, vers 15. Zie Matth. 10:4. verwijsteksten
   
15 Ματθαῖον καὶ Θωμᾶν, Ἰάκωβον τὸν τοῦ Ἀλφαίου, καὶ Σίμωνα τὸν καλούμενον Ζηλωτήν, 15 Matthéüs en Thomas, Jakobus, den zoon van Alféüs, en Simon genaamd 12Zelótes;
12 Dat is, ijveraar. Zie Matth. 10:4. verwijsteksten
   
16 Ἰούδαν Ἰακώβου, καὶ Ἰούδαν Ἰσκαριώτην, ὃς καὶ ἐγένετο προδότης, 16 Judas, den broeder van Jakobus, en Judas Iskáriot, die ook de verrader geworden is.
  
De toeloop der schare
17 καὶ καταβὰς μετ’ αὐτῶν, ἔστη ἐπὶ τόπου πεδινοῦ, καὶ ὄχλος μαθητῶν αὐτοῦ, καὶ πλῆθος πολὺ τοῦ λαοῦ ἀπὸ πάσης τῆς Ἰουδαίας καὶ Ἱερουσαλήμ, καὶ τῆς παραλίου Τύρου καὶ Σιδῶνος, 17 kEn met hen afgekomen zijnde, stond Hij op een vlakke plaats, en met Hem de schare Zijner discipelen, en een grote menigte des volks van geheel Judéa en Jeruzalem, en van den zeekant van Tyrus en Sidon,
k Matth. 4:25. Mark. 3:7. verwijsteksten
   
18 οἳ ἦλθον ἀκοῦσαι αὐτοῦ, καὶ ἰαθῆναι ἀπὸ τῶν νόσων αὐτῶν· καὶ οἱ ὀχλούμενοι ὑπὸ πνευμάτων ἀκαθάρτων, καὶ ἐθεραπεύοντο. 18 Die gekomen waren om Hem te horen en om van hun ziekten genezen te worden, en die van onreine geesten gekweld waren; en zij werden genezen.
19 καὶ πᾶς ὁ ὄχλος ἐζήτει ἅπτεσθαι αὐτοῦ· ὅτι δύναμις παρ’ αὐτοῦ ἐξήρχετο καὶ ἰᾶτο πάντας. 19 En al de schare zocht Hem aan te raken; lwant er ging 13kracht van Hem uit, en Hij genas hen allen.
l Mark. 5:30. verwijsteksten
13 Dat is, Hij bewees aan hen Zijn Goddelijke kracht, waardoor Hij hen genas. Zie Mark. 5:30. verwijsteksten
  
De zaligsprekingen
20 Καὶ αὐτὸς ἐπάρας τοὺς ὀφθαλμοὺς αὐτοῦ εἰς τοὺς μαθητὰς αὐτοῦ ἔλεγε, Μακάριοι οἱ πτωχοί, ὅτι ὑμετέρα ἐστὶν ἡ βασιλεία τοῦ Θεοῦ. 20 mEn Hij Zijn ogen opslaande over Zijn discipelen, zeide: Zalig zijt gij, 14armen; want uwe is het Koninkrijk Gods.
m Matth. 5:2. verwijsteksten
14 Namelijk van geest. Zie Matth. 5:3. verwijsteksten
   
21 μακάριοι οἱ πεινῶντες νῦν, ὅτι χορτασθήσεσθε. μακάριοι οἱ κλαίοντες νῦν, ὅτι γελάσετε. 21 nZalig zijt gij, die nu 15hongert; want gij zult verzadigd worden. oZalig zijt gij, die nu 16weent; want gij zult lachen.
n Jes. 65:13. verwijsteksten
15 Namelijk naar de gerechtigheid, Matth. 5:6. verwijsteksten
o Jes. 61:3; 66:10. verwijsteksten
16 Namelijk lijdende om Christus’ en des Evangelies van Christus wil, gelijk blijkt uit het volgende vers.
   
22 μακάριοί ἐστε, ὅταν μισήσωσιν ὑμᾶς οἱ ἄνθρωποι, καὶ ὅταν ἀφορίσωσιν ὑμᾶς, καὶ ὀνειδίσωσι, καὶ ἐκβάλωσι τὸ ὄνομα ὑμῶν ὡς πονηρόν, ἕνεκα τοῦ Υἱοῦ τοῦ ἀνθρώπου. 22 pZalig zijt gij wanneer u de mensen haten, en 17wanneer zij u afscheiden en 18smaden, en uw naam als kwaad 19verwerpen, om des Zoons des mensen wil.
p Matth. 5:11. 1 Petr. 2:19; 3:14; 4:14. verwijsteksten
17 Of: afsnijden, namelijk van hun vergaderingen en gezelschappen. Zie Joh. 16:2. verwijsteksten
18 Namelijk als goddelozen of ketters.
19 Of: uitdoen. Gr. uitwerpen.
   
23 χαίρετε ἐν ἐκείνῃ τῇ ἡμέρᾳ καὶ σκιρτήσατε· ἰδοὺ γάρ, ὁ μισθὸς ὑμῶν πολὺς ἐν τῷ οὐρανῷ· κατὰ ταῦτα γὰρ ἐποίουν τοῖς προφήταις οἱ πατέρες αὐτῶν. 23 qVerblijdt u in dien dag en 20zijt vrolijk; want zie, uw 21loon is 22groot in den hemel; rwant hun vaders deden desgelijks den profeten.
q Hand. 5:41. verwijsteksten
20 Gr. springt op, namelijk van vreugde.
21 Van dit loon zie Matth. 5:12. verwijsteksten
22 Gr. veel.
r Hand. 7:51. verwijsteksten
   
24 πλὴν οὐαὶ ὑμῖν τοῖς πλουσίοις, ὅτι ἀπέχετε τὴν παράκλησιν ὑμῶν. 24 sMaar wee u, 23gij rijken; want gij hebt uw troost weg.
s Amos 6:1, 8. verwijsteksten
23 Dat is, die u op uw rijkdom verlaat en uw troost daarin zoekt, Mark. 10:24. verwijsteksten
   
25 οὐαὶ ὑμῖν, οἱ ἐμπεπλησμένοι, ὅτι πεινάσετε. οὐαὶ ὑμῖν, οἱ γελῶντες νῦν, ὅτι πενθήσετε καὶ κλαύσετε. 25 tWee u die 24verzadigd zijt; want gij zult hongeren. Wee u die nu 25lacht; vwant gij zult 26treuren en wenen.
t Jes. 65:13. verwijsteksten
24 Gr. vervuld, dat is, die uw lust hebt in uw lichaam met spijze en drank op te vullen. Zie Jak. 5:5. verwijsteksten
25 Dat is, die uw vermaak hebt in allerlei wereldse blijdschap, Joh. 16:20, en in de verdrukking der vromen, Openb. 11:10. verwijsteksten
v Jak. 4:9; 5:1. verwijsteksten
26 Namelijk eeuwiglijk, Jak. 5:1. verwijsteksten
   
26 οὐαὶ ὑμῖν, ὅταν καλῶς ὑμᾶς εἴπωσι πάντες οἱ ἄνθρωποι· κατὰ ταῦτα γὰρ ἐποίουν τοῖς ψευδοπροφήταις οἱ πατέρες αὐτῶν. 26 Wee u wanneer 27al de mensen wel van u spreken; want hun vaders deden desgelijks den valsen profeten.
27 Namelijk de wereldse mensen, Joh. 15:19, als gij hun zoudt zoeken te behagen en gelijk te zijn, Gal. 1:10. verwijsteksten
  
Hebt uw vijanden lief
27 Ἀλλ’ ὑμῖν λέγω τοῖς ἀκούουσιν, Ἀγαπᾶτε τοὺς ἐχθροὺς ὑμῶν, καλῶς ποιεῖτε τοῖς μισοῦσιν ὑμᾶς, 27 Maar Ik zeg ulieden die dit hoort: xHebt lief uw vijanden, doet wel dengenen die u haten.
x Ex. 23:4. Spr. 25:21. Matth. 5:44. Rom. 12:20. 1 Kor. 4:12. verwijsteksten
   
28 εὐλογεῖτε τοὺς καταρωμένους ὑμῖν, καὶ προσεύχεσθε ὑπὲρ τῶν ἐπηρεαζόντων ὑμᾶς. 28 Zegent degenen die u vervloeken, en ybidt voor degenen die u 28geweld doen.
y Luk. 23:34. Hand. 7:60. verwijsteksten
28 Of: lasteren; gelijk 1 Petr. 3:16. verwijsteksten
   
29 τῷ τύπτοντί σε ἐπὶ τὴν σιαγόνα, πάρεχε καὶ τὴν ἄλλην· καὶ ἀπὸ τοῦ αἴροντός σου τὸ ἱμάτιον, καὶ τὸν χιτῶνα μὴ κωλύσῃς. 29 zDengene die u aan de wang slaat, 29bied ook de andere; en dengene die u den mantel neemt, verhinder ook den rok niet te nemen.
z 1 Kor. 6:7. verwijsteksten
29 Namelijk liever dan dat gij uzelven zoudt wreken, of kwaad met kwaad vergelden.
   
30 παντὶ δὲ τῷ αἰτοῦντί σε δίδου· καὶ ἀπὸ τοῦ αἴροντος τὰ σὰ μὴ ἀπαίτει. 30 aMaar geef 30een iegelijk die van u begeert; en van dengene die het uwe neemt, 31eis niet weder.
a Deut. 15:7. Matth. 5:42. verwijsteksten
30 Dit moet verstaan worden van de rechte armen, die gebrek lijden, denwelken wij ook geven moeten naar ons vermogen. Zie hiervan den regel van Paulus, 2 Kor. 8:12, 13, 14. verwijsteksten
31 Namelijk zo daardoor de liefde des naasten zou worden gekwetst, of aan anderen ergernis gegeven, 1 Kor. 6:7. verwijsteksten
   
31 καὶ καθὼς θέλετε ἵνα ποιῶσιν ὑμῖν οἱ ἄνθρωποι, καὶ ὑμεῖς ποιεῖτε αὐτοῖς ὁμοίως. 31 bEn gelijk gij wilt dat u de mensen doen zullen, doet gij hun ook desgelijks.
b Matth. 7:12. verwijsteksten
   
32 καὶ εἰ ἀγαπᾶτε τοὺς ἀγαπῶντας ὑμᾶς, ποία ὑμῖν χάρις ἐστί; καὶ γὰρ οἱ ἁμαρτωλοὶ τοὺς ἀγαπῶντας αὐτοὺς ἀγαπῶσι. 32 cEn indien gij liefhebt die u liefhebben, wat 32dank hebt gij? Want ook 33de zondaars hebben lief degenen die hen liefhebben.
c Matth. 5:46. verwijsteksten
32 Of: genade, dat is, genadige weldaad of vergelding van God.
33 Dat is, openbare en grote zondaren, hoedanige gehouden werden de tollenaren, die in plaats derzelve, Matth. 5:46, 47, gesteld worden. verwijsteksten
   
33 καὶ ἐὰν ἀγαθοποιῆτε τοὺς ἀγαθοποιοῦντας ὑμᾶς, ποία ὑμῖν χάρις ἐστί; καὶ γὰρ οἱ ἁμαρτωλοὶ τὸ αὐτὸ ποιοῦσι. 33 En indien gij goeddoet dengenen die u goeddoen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars doen hetzelve.
34 καὶ ἐὰν δανείζητε παρ’ ὧν *ἐλπίζετε ἀπολαβεῖν, ποία ὑμῖν χάρις ἐστί; καὶ γὰρ οἱ ἁμαρτωλοὶ ἁμαρτωλοῖς δανείζουσιν, ἵνα ἀπολάβωσι τὰ ἴσα.
* ἐλπίζετε St, B, Elz, M | ἐλπίζητε Sc
34 dEn indien gij leent dengenen van welke gij hoopt 34weder te ontvangen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars lenen den zondaars, opdat zij evengelijk weder mogen ontvangen.
d Deut. 15:8. Matth. 5:42. verwijsteksten
34 Namelijk het geleende geld, of dergelijke vriendschap, wanneer gij zulks vandoen zoudt hebben, gelijk uit de volgende woorden in het einde van het vers blijkt.
   
35 πλὴν ἀγαπᾶτε τοὺς ἐχθροὺς ὑμῶν, καὶ ἀγαθοποιεῖτε, καὶ δανείζετε, μηδὲν ἀπελπίζοντες· καὶ ἔσται ὁ μισθὸς ὑμῶν πολύς, καὶ ἔσεσθε υἱοὶ τοῦ ὑψίστου· ὅτι αὐτὸς χρηστός ἐστιν ἐπὶ τοὺς ἀχαρίστους καὶ πονηρούς. 35 Maar hebt uw vijanden lief, en doet goed, en leent 35zonder iets weder te hopen; en uw loon zal 36groot zijn, en gij zult ekinderen des Allerhoogsten 37zijn; want Hij is 38goedertieren over de ondankbaren en bozen.
35 Of: zonder daarvan iets te hopen, dat is, niet alleen dengenen die gij hoopt dat het zullen wedergeven, of dergelijke vriendschap wederdoen, maar ook dengenen waarvan gij die hoop niet hebt; gelijk Hij hier ook gebiedt niet alleen de vrienden, maar ook de vijanden lief te hebben.
36 Gr. veel.
e Matth. 5:45. verwijsteksten
37 Dat is, tonen metterdaad dat gij het zijt.
38 Of: weldadig.
   
36 γίνεσθε οὖν οἰκτίρμονες, καθὼς καὶ ὁ Πατὴρ ὑμῶν οἰκτίρμων ἐστί. 36 Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is.
  
De splinter en de balk
37 *καὶ μὴ κρίνετε, καὶ οὐ μὴ κριθῆτε. μὴ καταδικάζετε, καὶ οὐ μὴ καταδικασθῆτε· ἀπολύετε, καὶ ἀπολυθήσεσθε·
* καὶ μὴ κρίνετε St, B, Elz, M | μὴ κρίνετε Sc
37 fEn 39oordeelt niet, en gij zult niet geoordeeld worden; verdoemt niet, en gij zult niet verdoemd worden; 40laat los, en gij zult losgelaten worden.
f Matth. 7:1. Rom. 2:1. 1 Kor. 4:5. verwijsteksten
39 Namelijk lichtvaardiglijk of verkeerdelijk, gelijk Matth. 7:1. verwijsteksten
40 Of: vergeeft, en u zal vergeven worden.
   
38 δίδοτε, καὶ δοθήσεται ὑμῖν· μέτρον καλόν, πεπιεσμένον καὶ σεσαλευμένον καὶ ὑπερεκχυνόμενον δώσουσιν εἰς τὸν κόλπον ὑμῶν. τῷ γὰρ αὐτῷ μέτρῳ ᾧ μετρεῖτε ἀντιμετρηθήσεται ὑμῖν. 38 gGeeft, en u zal gegeven worden; een goede, neergedrukte en geschudde en overlopende 41maat zal men in 42uw schoot geven; hwant met dezelfde maat waarmede gijlieden meet, zal ulieden wedergemeten worden.
g Spr. 10:22; 19:17. verwijsteksten
41 Een gelijkenis genomen van het meten van droge waren, als men elk het zijne ruim wil toemeten.
42 Een manier van spreken genomen van de wijze der volken in de Oriënt, die lange wijde klederen droegen, waarin zij ontvangen konden hetgeen hun gegeven werd, Ps. 79:12. Jer. 32:18. verwijsteksten
h Matth. 7:2. Mark. 4:24. verwijsteksten
   
39 Εἶπε δὲ παραβολὴν αὐτοῖς, Μήτι δύναται τυφλὸς τυφλὸν ὁδηγεῖν; οὐχὶ ἀμφότεροι εἰς βόθυνον πεσοῦνται; 39 En Hij zeide tot hen een gelijkenis: iKan ook wel een blinde een blinde op den weg leiden? Zullen zij niet beiden in de gracht vallen?
i Jes. 42:19. Matth. 15:14. verwijsteksten
   
40 οὐκ ἔστι μαθητὴς ὑπὲρ τὸν διδάσκαλον αὐτοῦ· κατηρτισμένος δὲ πᾶς ἔσται ὡς ὁ διδάσκαλος αὐτοῦ. 40 kDe discipel is niet boven zijn 43meester; maar een iegelijk 44volmaakt discipel zal zijn gelijk zijn meester.
k Matth. 10:24. Joh. 13:16; 15:20. verwijsteksten
43 Gr. leraar, of: leermeester.
44 Dat is, een recht, waar en getrouw discipel.
   
41 τί δὲ βλέπεις τὸ κάρφος τὸ ἐν τῷ ὀφθαλμῷ τοῦ ἀδελφοῦ σου, τὴν δὲ δοκὸν τὴν ἐν τῷ ἰδίῳ ὀφθαλμῷ οὐ κατανοεῖς; 41 lEn wat ziet gij den 45splinter die in uws broeders oog is, en den balk die in uw eigen oog is, merkt gij niet?
l Matth. 7:3. verwijsteksten
45 Wat door den splinter en balk verstaan wordt, zie Matth. 7:3. verwijsteksten
   
42 ἢ πῶς δύνασαι λέγειν τῷ ἀδελφῷ σου, Ἀδελφέ, ἄφες ἐκβάλω τὸ κάρφος τὸ ἐν τῷ ὀφθαλμῷ σου, αὐτὸς τὴν ἐν τῷ ὀφθαλμῷ σου δοκὸν οὐ βλέπων; ὑποκριτά, ἔκβαλε πρῶτον τὴν δοκὸν ἐκ τοῦ ὀφθαλμοῦ σου, καὶ τότε διαβλέψεις ἐκβαλεῖν τὸ κάρφος τὸ ἐν τῷ ὀφθαλμῷ τοῦ ἀδελφοῦ σου. 42 Of hoe kunt gij tot uw broeder zeggen: Broeder, laat toe dat ik den splinter die in uw oog is, 46uitdoe, daar gij zelf den balk die in uw oog is, niet ziet? Gij geveinsde, mdoe eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien om den splinter uit te doen die in uws broeders oog is.
46 Gr. uitwerpe.
m Spr. 18:17. verwijsteksten
  
De boom en zijn vruchten
43 οὐ γάρ ἐστι δένδρον καλὸν ποιοῦν καρπὸν σαπρόν· οὐδὲ δένδρον σαπρὸν ποιοῦν καρπὸν καλόν. 43 nWant het is geen goede boom, die kwade vrucht 47voortbrengt, en geen 48kwade boom, die goede vrucht voortbrengt.
n Matth. 7:17; 12:33. verwijsteksten
47 Gr. maakt.
48 Gr. verrotte.
   
44 ἕκαστον γὰρ δένδρον ἐκ τοῦ ἰδίου καρποῦ γινώσκεται. οὐ γὰρ ἐξ ἀκανθῶν συλλέγουσι σῦκα, οὐδὲ ἐκ βάτου τρυγῶσι σταφυλήν. 44 Want een iegelijke boom wordt uit zijn eigen vrucht gekend; owant men leest geen vijgen van doornen, en men snijdt geen druif van bramen.
o Matth. 7:16. verwijsteksten
   
45 ὁ ἀγαθὸς ἄνθρωπος ἐκ τοῦ ἀγαθοῦ θησαυροῦ τῆς καρδίας αὐτοῦ προφέρει τὸ ἀγαθόν, καὶ ὁ πονηρὸς ἄνθρωπος ἐκ τοῦ πονηροῦ θησαυροῦ τῆς καρδίας αὐτοῦ προφέρει τὸ πονηρόν· ἐκ γὰρ τοῦ περισσεύματος τῆς καρδίας λαλεῖ τὸ στόμα αὐτοῦ. 45 pDe goede mens brengt het goede voort uit den goeden schat zijns harten, en de kwade mens 49brengt het kwade voort uit den kwaden schat zijns harten; qwant uit den overvloed des harten spreekt zijn mond.
p Matth. 12:35. verwijsteksten
49 Namelijk gemeenlijk, of ten meesten dele. Want anders spreken de geveinsden dikwijls wat zij niet menen, hoewel hun geveinsdheid veeltijds aan den dag komt.
q Matth. 12:34. verwijsteksten
  
De wijze en de dwaze bouwer
46 Τί δέ με καλεῖτε, Κύριε, Κύριε, καὶ οὐ ποιεῖτε ἃ λέγω; 46 rEn wat noemt gij Mij Heere, Heere, en doet niet hetgeen dat Ik zeg?
r Mal. 1:6. Matth. 7:21; 25:11. Luk. 13:25. Rom. 2:13. Jak. 1:22. verwijsteksten
   
47 πᾶς ὁ ἐρχόμενος πρός με καὶ ἀκούων μου τῶν λόγων καὶ ποιῶν αὐτούς, ὑποδείξω ὑμῖν τίνι ἐστὶν ὅμοιος· 47 sEen iegelijk die tot Mij komt en Mijn woorden hoort en dezelve doet, Ik zal u tonen wien hij gelijk is.
s Matth. 7:24. verwijsteksten
   
48 ὅμοιός ἐστιν ἀνθρώπῳ οἰκοδομοῦντι οἰκίαν, ὃς ἔσκαψε καὶ ἐβάθυνε, καὶ ἔθηκε θεμέλιον ἐπὶ τὴν πέτραν· πλημμύρας δὲ γενομένης, προσέρρηξεν ὁ ποταμὸς τῇ οἰκίᾳ ἐκείνῃ, καὶ οὐκ ἴσχυσε σαλεῦσαι αὐτήν· τεθεμελίωτο γὰρ ἐπὶ τὴν πέτραν. 48 Hij is gelijk een mens die een huis bouwde, en groef, 50en verdiepte, en legde het fundament op een steenrots; als nu 51de hoge vloed kwam, zo 52sloeg de waterstroom tegen dat huis aan, en kon het niet bewegen; want het was op de steenrots gegrond.
50 Dat is, groef diep, namelijk om te vaster fundament te leggen.
51 Gr. de volle vloed, waardoor, alsook door de stromen, verstaan worden de verleidingen, verzoekingen, verdrukkingen en vervolgingen, Matth. 13:21. verwijsteksten
52 Gr. brak.
   
49 ὁ δὲ ἀκούσας καὶ μὴ ποιήσας ὅμοιός ἐστιν ἀνθρώπῳ οἰκοδομήσαντι οἰκίαν ἐπὶ τὴν γῆν χωρὶς θεμελίου· ᾗ προσέρρηξεν ὁ ποταμός, καὶ εὐθέως ἔπεσε, καὶ ἐγένετο τὸ ῥῆγμα τῆς οἰκίας ἐκείνης μέγα. 49 Maar die ze gehoord en niet gedaan zal hebben, is gelijk een mens die een huis bouwde op de aarde zonder fundament; tegen hetwelk de waterstroom aansloeg, en het viel terstond, en 53de val van datzelve huis was groot.
53 Gr. de breuk, of scheur.

Einde Lukas 6