Statenvertaling.nl

codex alexandrinus

Lukas 5 – Griekse tekst en Statenvertaling

Op deze pagina wordt de Griekse tekst van het Nieuwe Testament en de Statenvertaling parallel weergegeven. De Griekse tekst is de reconstructie van de door de vertalers gevolgde tekst. Deze tekst is gebaseerd op de Textus Receptus edities van de 16e en begin 17e eeuw. De verschillen tussen de belangrijkste edities van de Textus Receptus zijn in noten vermeld (zie bijvoorbeeld Matth. 1:11, 23 en 2:11).
(Afkortingen in de noten: St=Stephanus 1550, 1551, B=Beza 1565 t/m 1604, Elz=Elzevir 1624, 1633, Sc=Scrivener 1881, M=Meerderheidstekst, edd=edities, kt=kanttekening.)

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24
Weergave: Grieks en Statenvertaling zonder kanttekeningen
Grieks en Statenvertaling met kanttekeningen

Lukas 5

1 Christus leert de scharen uit het schip van Petrus. 4 En na een wonderbare visvangst belooft Hij hem en zijn metgezellen te maken tot vissers der mensen. 12 Reinigt een melaatse. 17 Geneest een geraakte. 21 En bewijst daaruit dat Hij macht had de zonden te vergeven. 27 Beroept Levi op den tol zittende. 29 Eet met hem en andere tollenaren. 31 En geeft daarvan reden. 33 Verdedigt Zijn discipelen met verscheidene gelijkenissen, waarom zij niet vastten.
  
De wonderbare visvangst
1 Ἐγένετο δὲ ἐν τῷ τὸν ὄχλον ἐπικεῖσθαι αὐτῷ τοῦ ἀκούειν τὸν λόγον τοῦ Θεοῦ, καὶ αὐτὸς ἦν ἑστὼς παρὰ τὴν λίμνην Γεννησαρέτ· 1 ENa het geschiedde als de schare 1op Hem aandrong om het Woord Gods te horen, dat Hij stond bij 2het Meer Gennésaret.
a Matth. 13:2. Mark. 4:1. verwijsteksten
1 Gr. op of tegen Hem lag.
2 Wordt anders genaamd de Galilese Zee en de Zee van Tiberias; zijnde een inlands meer, nergens in de zee uitkomende.
   
2 καὶ εἶδε δύο πλοῖα ἑστῶτα παρὰ τὴν λίμνην· οἱ δὲ ἁλιεῖς ἀποβάντες ἀπ’ αὐτῶν ἀπέπλυναν τὰ δίκτυα. 2 En Hij zag twee schepen aan den oever van het meer 3liggende, en de vissers waren daaruit gegaan en spoelden de netten.
3 Gr. aan het meer staande.
   
3 ἐμβὰς δὲ εἰς ἓν τῶν πλοίων, ὃ ἦν τοῦ Σίμωνος, ἠρώτησεν αὐτὸν ἀπὸ τῆς γῆς ἐπαναγαγεῖν ὀλίγον. καὶ καθίσας ἐδίδασκεν ἐκ τοῦ πλοίου τοὺς ὄχλους. 3 En Hij ging in een van die schepen, hetwelk van 4Simon was, en bad hem dat hij een weinig van het land afstak; en nederzittende leerde Hij de scharen uit het schip.
4 Namelijk Petrus. Zie vers 8. verwijsteksten
   
4 ὡς δὲ ἐπαύσατο λαλῶν, εἶπε πρὸς τὸν Σίμωνα, Ἐπανάγαγε εἰς τὸ βάθος, καὶ χαλάσατε τὰ δίκτυα ὑμῶν εἰς ἄγραν. 4 En als Hij afliet van spreken, zeide Hij tot Simon: bSteek af naar de diepte, en werp uw netten uit 5om te vangen.
b Joh. 21:6. verwijsteksten
5 Gr. tot de vangst.
   
5 καὶ ἀποκριθεὶς ὁ Σίμων εἶπεν αὐτῷ, Ἐπιστάτα, δι’ ὅλης τῆς νυκτὸς κοπιάσαντες οὐδὲν ἐλάβομεν· ἐπὶ δὲ τῷ ῥήματί σου χαλάσω τὸ δίκτυον. 5 En Simon antwoordde en zeide tot Hem: 6Meester, wij hebben den gehelen nacht over gearbeid en niets gevangen; doch op Uw 7woord zal ik het net uitwerpen.
6 Gr. epistata, hetwelk betekent iemand die over anderen gesteld is, waarvoor de andere evangelisten het Hebreeuwse woord rabbi en het Griekse woord didaskale gebruiken.
7 Dat is, bevel, waarin zij ook verstonden een toezegging begrepen te zijn.
   
6 καὶ τοῦτο ποιήσαντες, συνέκλεισαν ἰχθύων πλῆθος πολύ· διερρήγνυτο δὲ τὸ δίκτυον αὐτῶν· 6 En als zij dat gedaan hadden, besloten zij een grote menigte vissen, en hun net scheurde.
7 καὶ κατένευσαν τοῖς μετόχοις τοῖς ἐν τῷ ἑτέρῳ πλοίῳ, τοῦ ἐλθόντας συλλαβέσθαι αὐτοῖς· καὶ ἦλθον καὶ ἔπλησαν ἀμφότερα τὰ πλοῖα, *ὥστε παρά τι βυθίζεσθαι αὐτά.
* ὥστε παρά τι B-edd | ὥστε St, B-edd, Elz, Sc, M
7 En zij wenkten hun 8medegenoten, die in het andere schip waren, dat zij hen zouden komen 9helpen. En zij kwamen, en vulden beide de schepen, zodat zij bijna zonken.
8 Dat is, die met hen in een gemeenschap of compagnie waren.
9 Gr. mede vangen, of: mede optrekken.
   
8 ἰδὼν δὲ Σίμων Πέτρος προσέπεσε τοῖς γόνασι τοῦ Ἰησοῦ, λέγων, Ἔξελθε ἀπ’ ἐμοῦ, ὅτι ἀνὴρ ἁμαρτωλός εἰμι, Κύριε. 8 En Simon Petrus, dat ziende, 10viel neder aan de knieën van Jezus, zeggende: Heere, 11ga uit van mij, want ik ben een zondig 12mens.
10 Overmits hij uit dit wonder erkende de Godheid van Christus.
11 Namelijk als die onwaardig ben, dat ik in Uw gezelschap zou blijven; gelijk de hoofdman over honderd ook zeide, Matth. 8:8. verwijsteksten
12 Gr. man.
   
9 θάμβος γὰρ περιέσχεν αὐτὸν καὶ πάντας τοὺς σὺν αὐτῷ, ἐπὶ τῇ ἄγρᾳ τῶν ἰχθύων ᾗ συνέλαβον· 9 Want verbaasdheid had hem bevangen en allen die met hem waren, over de vang der vissen, die zij gevangen hadden;
10 ὁμοίως δὲ καὶ Ἰάκωβον καὶ Ἰωάννην, υἱοὺς Ζεβεδαίου, οἳ ἦσαν κοινωνοὶ τῷ Σίμωνι. καὶ εἶπε πρὸς τὸν Σίμωνα ὁ Ἰησοῦς, Μὴ φοβοῦ· ἀπὸ τοῦ νῦν ἀνθρώπους ἔσῃ ζωγρῶν. 10 En desgelijks ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedéüs, die Simons medegenoten waren. En Jezus zeide tot Simon: Vrees niet; cvan nu aan zult gij 13mensen vangen.
c Jer. 16:16. Ez. 47:9. Matth. 4:19. Mark. 1:17. verwijsteksten
13 Namelijk door de predicatie des Evangelies, welke bij een net wordt vergeleken, Matth. 13:47. Zie van het Griekse woord de aant. op 2 Tim. 2:26. verwijsteksten
   
11 καὶ καταγαγόντες τὰ πλοῖα ἐπὶ τὴν γῆν, ἀφέντες ἅπαντα, ἠκολούθησαν αὐτῷ. 11 En als zij de schepen aan land gestuurd hadden, dverlieten zij alles en volgden Hem.
d Matth. 4:20; 19:27. Mark. 10:28. Luk. 18:28. verwijsteksten
  
De reiniging van een melaatse
12 Καὶ ἐγένετο, ἐν τῷ εἶναι αὐτὸν ἐν μιᾷ τῶν πόλεων, καὶ ἰδού, ἀνὴρ πλήρης λέπρας· καὶ ἰδὼν τὸν Ἰησοῦν, πεσὼν ἐπὶ πρόσωπον, ἐδεήθη αὐτοῦ, λέγων, Κύριε, ἐὰν θέλῃς, δύνασαί με καθαρίσαι. 12 eEn het geschiedde als Hij in een dier 14steden was, zie, er was een man vol melaatsheid; en Jezus ziende, viel hij op het aangezicht en bad Hem, zeggende: Heere, zo Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.
e Matth. 8:2. Mark. 1:40. verwijsteksten
14 Hoewel de melaatsen in de steden niet mochten wonen, zo schijnt nochtans dat zij in dezelve wel komen mochten, mits roepende: Onrein, Lev. 13:45. Luk. 17:12. verwijsteksten
   
13 καὶ ἐκτείνας τὴν χεῖρα ἥψατο αὐτοῦ, εἰπών, Θέλω, καθαρίσθητι. καὶ εὐθέως ἡ λέπρα ἀπῆλθεν ἀπ’ αὐτοῦ. 13 En Hij de hand uitstrekkende raakte hem aan en zeide: Ik wil, word gereinigd. En terstond ging de melaatsheid van hem.
14 καὶ αὐτὸς παρήγγειλεν αὐτῷ μηδενὶ εἰπεῖν· ἀλλὰ ἀπελθὼν δεῖξον σεαυτὸν τῷ ἱερεῖ, καὶ προσένεγκε περὶ τοῦ καθαρισμοῦ σου, καθὼς προσέταξε Μωσῆς, εἰς μαρτύριον αὐτοῖς. 14 En Hij gebood hem dat hij het niemand zeggen zou; maar ga heen, zeide Hij, 15vertoon uzelven den priester, en offer voor uw reiniging, fgelijk Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.
15 Zie de redenen hiervan Matth. 12:16. verwijsteksten
f Lev. 13:2; 14:2. Matth. 8:4. verwijsteksten
   
15 διήρχετο δὲ μᾶλλον ὁ λόγος περὶ αὐτοῦ· καὶ συνήρχοντο ὄχλοι πολλοὶ ἀκούειν, καὶ θεραπεύεσθαι ὑπ’ αὐτοῦ ἀπὸ τῶν ἀσθενειῶν αὐτῶν. 15 Maar 16het gerucht van Hem ging te meer voort; en vele scharen kwamen tezamen om Hem te horen en door Hem genezen te worden van hun krankheden.
16 Gr. het woord.
   
16 αὐτὸς δὲ ἦν ὑποχωρῶν ἐν ταῖς ἐρήμοις καὶ προσευχόμενος. 16 Maar 17Hij vertrok in de woestijnen, en bad aldaar.
17 Gr. Hij was vertrekkende en biddende, waarmede hier te kennen gegeven wordt, dat Hij zulks dikwijls deed. Zie hierna Luk. 6:12; 9:18, 28. verwijsteksten
  
De genezing van een geraakte
17 Καὶ ἐγένετο ἐν μιᾷ τῶν ἡμερῶν, καὶ αὐτὸς ἦν διδάσκων· καὶ ἦσαν καθήμενοι Φαρισαῖοι καὶ νομοδιδάσκαλοι, οἳ ἦσαν ἐληλυθότες ἐκ πάσης κώμης τῆς Γαλιλαίας καὶ Ἰουδαίας καὶ Ἱερουσαλήμ· καὶ δύναμις Κυρίου ἦν εἰς τὸ ἰᾶσθαι αὐτούς. 17 En het geschiedde in een dier dagen, dat Hij leerde, en er zaten farizeeën en leraars der wet, die van alle vlekken van Galiléa en Judéa en Jeruzalem gekomen waren; en de kracht des Heeren was er 18om hen te genezen.
18 Namelijk van dewelke gesproken is vers 15, die zich alhier vertoonden, omdat zij met een vast vertrouwen tot Christus kwamen, gelijk te zien is vers 20. verwijsteksten
   
18 καὶ ἰδού, ἄνδρες φέροντες ἐπὶ κλίνης ἄνθρωπον ὃς ἦν παραλελυμένος, καὶ ἐζήτουν αὐτὸν εἰσενεγκεῖν καὶ θεῖναι ἐνώπιον αὐτοῦ· 18 gEn zie, enige mannen brachten op een bed een mens die 19geraakt was, en zochten hem in te brengen en vóór Hem te leggen.
g Matth. 9:1. Mark. 2:3. Hand. 9:33. verwijsteksten
19 Gr. die de zenuwen los of slap geworden zijn, gelijk de geraakten of beroerden gemeenlijk zijn.
   
19 καὶ μὴ εὑρόντες διὰ ποίας εἰσενέγκωσιν αὐτὸν διὰ τὸν ὄχλον, ἀναβάντες ἐπὶ τὸ δῶμα, διὰ τῶν κεράμων καθῆκαν αὐτὸν σὺν τῷ κλινιδίῳ εἰς τὸ μέσον ἔμπροσθεν τοῦ Ἰησοῦ. 19 En niet vindende waardoor zij hem inbrengen mochten, overmits de schare, zo klommen zij 20op het dak, en lieten hem door 21de tichels neder met het beddeken, in het midden, vóór Jezus.
20 Van de gesteldheid der daken bij de Joden zie Matth. 10:27. verwijsteksten
21 Of: tegels.
   
20 καὶ ἰδὼν τὴν πίστιν αὐτῶν, εἶπεν αὐτῷ, Ἄνθρωπε, ἀφέωνταί σοι αἱ ἁμαρτίαι σου. 20 En Hij 22ziende 23hun geloof, zeide tot hem: Mens, uw zonden zijn u vergeven.
22 Of: kennende.
23 Namelijk zo van den geraakte als van degenen die hem brachten.
   
21 καὶ ἤρξαντο διαλογίζεσθαι οἱ γραμματεῖς καὶ οἱ Φαρισαῖοι, λέγοντες, Τίς ἐστιν οὗτος ὃς λαλεῖ βλασφημίας; τίς δύναται ἀφιέναι ἁμαρτίας, εἰ μὴ μόνος ὁ Θεός; 21 En de schriftgeleerden en de farizeeën begonnen te overdenken, zeggende: Wie is Deze, Die godslastering spreekt? hWie kan de zonden vergeven dan God alleen?
h Ps. 32:5. Jes. 43:25. verwijsteksten
   
22 ἐπιγνοὺς δὲ ὁ Ἰησοῦς τοὺς διαλογισμοὺς αὐτῶν ἀποκριθεὶς εἶπε πρὸς αὐτούς, Τί διαλογίζεσθε ἐν ταῖς καρδίαις ὑμῶν; 22 Maar Jezus hun overdenkingen bekennende, antwoordde en zeide tot hen: Wat overdenkt gij in uw harten?
23 τί ἐστιν εὐκοπώτερον, εἰπεῖν, Ἀφέωνταί σοι αἱ ἁμαρτίαι σου, ἢ εἰπεῖν, Ἔγειραι καὶ περιπάτει; 23 Wat is 24lichter te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven; of te zeggen: Sta op en wandel?
24 Zie Matth. 9:5. verwijsteksten
   
24 ἵνα δὲ εἰδῆτε ὅτι ἐξουσίαν ἔχει ὁ Υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου ἐπὶ τῆς γῆς ἀφιέναι ἁμαρτίας (εἶπε τῷ παραλελυμένῳ), Σοὶ λέγω, ἔγειραι, καὶ ἄρας τὸ κλινίδιόν σου, πορεύου εἰς τὸν οἶκόν σου. 24 Doch opdat gij moogt weten dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde de zonden te vergeven (zeide Hij tot den geraakte): Ik zeg u, sta op en neem uw beddeken op en ga heen naar uw huis.
25 καὶ παραχρῆμα ἀναστὰς ἐνώπιον αὐτῶν, ἄρας ἐφ’ ᾧ κατέκειτο, ἀπῆλθεν εἰς τὸν οἶκον αὐτοῦ, δοξάζων τὸν Θεόν. 25 En hij terstond voor hen opstaande, en opgenomen hebbende 25hetgeen waar hij op gelegen had, ging heen naar zijn huis, God 26verheerlijkende.
25 Namelijk het bed met zijn toebehoren.
26 Of: prijzende.
   
26 καὶ ἔκστασις ἔλαβεν ἅπαντας, καὶ ἐδόξαζον τὸν Θεόν, καὶ ἐπλήσθησαν φόβου, λέγοντες ὅτι Εἴδομεν παράδοξα σήμερον. 26 En 27ontzetting heeft hen allen bevangen, en zij verheerlijkten God, en werden vervuld met vrees, zeggende: Wij hebben heden 28ongelofelijke dingen gezien.
27 Of: verrukking van zinnen.
28 Het Griekse woord betekent dingen die buiten gemene mening of verwachting zijn.
  
De roeping van Levi
27 Καὶ μετὰ ταῦτα ἐξῆλθε, καὶ ἐθεάσατο τελώνην, ὀνόματι Λευΐν, καθήμενον ἐπὶ τὸ τελώνιον, καὶ εἶπεν αὐτῷ, Ἀκολούθει μοι. 27 iEn na dezen 29ging Hij uit, en zag een tollenaar, met name 30Levi, zitten in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg Mij.
i Matth. 9:9. Mark. 2:14, 15. verwijsteksten
29 Namelijk naar de zee te Kapernaüm. Zie Mark. 2:1, 13. verwijsteksten
30 Anders ook Mattheüs genaamd, een zoon van Alfeüs. Van deze gehele historie zie Matth. 9:9. Mark. 2:14. verwijsteksten
   
28 καὶ καταλιπὼν ἅπαντα, ἀναστὰς ἠκολούθησεν αὐτῷ. 28 En hij, alles verlatende, stond op en volgde Hem.
29 καὶ ἐποίησε δοχὴν μεγάλην ὁ Λευῒς αὐτῷ ἐν τῇ οἰκίᾳ αὐτοῦ· καὶ ἦν ὄχλος τελωνῶν πολύς, καὶ ἄλλων οἳ ἦσαν μετ’ αὐτῶν κατακείμενοι. 29 En Levi richtte Hem een groten maaltijd aan in zijn huis; ken er was een grote schare van tollenaren en van anderen, die met hen aanzaten.
k Matth. 9:10. Mark. 2:15. Luk. 15:1. verwijsteksten
   
30 καὶ ἐγόγγυζον οἱ γραμματεῖς αὐτῶν καὶ οἱ Φαρισαῖοι πρὸς τοὺς μαθητὰς αὐτοῦ, λέγοντες, Διατί μετὰ τελωνῶν καὶ ἁμαρτωλῶν ἐσθίετε καὶ πίνετε; 30 En 31hun schriftgeleerden en de farizeeën murmureerden tegen Zijn discipelen, zeggende: Waarom eet en drinkt gij met tollenaren en zondaren?
31 Namelijk van de scharen, die daaromtrent waren.
   
31 καὶ ἀποκριθεὶς ὁ Ἰησοῦς εἶπε πρὸς αὐτούς, Οὐ χρείαν ἔχουσιν οἱ ὑγιαίνοντες ἰατροῦ, ἀλλ’ οἱ κακῶς ἔχοντες. 31 En Jezus antwoordende zeide tot hen: Die gezond zijn, hebben den medicijnmeester niet van node, maar die 32ziek zijn.
32 Gr. die kwalijk te pas, of kwalijk gesteld zijn.
   
32 οὐκ ἐλήλυθα καλέσαι δικαίους, ἀλλὰ ἁμαρτωλοὺς εἰς μετάνοιαν. 32 lIk ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering.
l Matth. 9:13. Luk. 19:10. 1 Tim. 1:15. verwijsteksten
  
Het vasten
33 οἱ δὲ εἶπον πρὸς αὐτόν, Διατί οἱ μαθηταὶ Ἰωάννου νηστεύουσι πυκνά, καὶ δεήσεις ποιοῦνται, ὁμοίως καὶ οἱ τῶν Φαρισαίων· οἱ δὲ σοὶ ἐσθίουσι καὶ πίνουσιν; 33 mEn zij zeiden tot Hem: Waarom 33vasten de discipelen van Johannes dikmaals en doen gebeden, desgelijks ook de discipelen der farizeeën, maar de Uwe 34eten en drinken?
m Matth. 9:14. verwijsteksten
33 Namelijk met gewoon streng vasten, en wat op zekere tijden gedaan wordt.
34 Dat is, leven gelijk andere gewone mensen.
   
34 ὁ δὲ εἶπε πρὸς αὐτούς, Μὴ δύνασθε τοὺς υἱοὺς τοῦ νυμφῶνος, ἐν ᾧ ὁ νυμφίος μετ’ αὐτῶν ἐστι, ποιῆσαι νηστεύειν; 34 Doch Hij zeide tot hen: nKunt gij de 35bruiloftskinderen, terwijl de Bruidegom bij hen is, doen vasten?
n Jes. 62:5. 2 Kor. 11:2. verwijsteksten
35 Gr. zonen der bruiloftskamer. Zie Matth. 9:15. verwijsteksten
   
35 ἐλεύσονται δὲ ἡμέραι, καὶ ὅταν ἀπαρθῇ ἀπ’ αὐτῶν ὁ νυμφίος, τότε νηστεύσουσιν ἐν ἐκείναις ταῖς ἡμέραις. 35 Maar de dagen zullen komen wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn; dan zullen zij vasten in die dagen.
36 ἔλεγε δὲ καὶ παραβολὴν πρὸς αὐτοὺς ὅτι Οὐδεὶς ἐπίβλημα ἱματίου καινοῦ ἐπιβάλλει ἐπὶ ἱμάτιον παλαιόν· εἰ δὲ μήγε, καὶ τὸ καινὸν σχίζει, καὶ τῷ παλαιῷ οὐ συμφωνεῖ ἐπίβλημα τὸ ἀπὸ τοῦ καινοῦ. 36 En Hij zeide ook tot hen een 36gelijkenis: Niemand zet een lap van een nieuw kleed op een oud kleed; anders zo scheurt ook dat nieuwe het oude, en de lap van het nieuwe komt met het oude niet overeen.
36 Gr. parabel, waarvan zie de toe-eigening Matth. 9:16. Mark. 2:19. verwijsteksten
   
37 καὶ οὐδεὶς βάλλει οἶνον νέον εἰς ἀσκοὺς παλαιούς· εἰ δὲ μήγε, ῥήξει ὁ νέος οἶνος τοὺς ἀσκούς, καὶ αὐτὸς ἐκχυθήσεται, καὶ οἱ ἀσκοὶ ἀπολοῦνται. 37 En niemand doet onieuwen wijn in oude lederen zakken; anders zo zal de nieuwe wijn de lederen zakken doen bersten, en de wijn zal uitgestort worden, en de lederen zakken zullen verderven.
o Matth. 9:17. Mark. 2:22. verwijsteksten
   
38 ἀλλὰ οἶνον νέον εἰς ἀσκοὺς καινοὺς βλητέον, καὶ ἀμφότεροι συντηροῦνται. 38 Maar nieuwen wijn moet men in nieuwe lederen zakken doen, en zij worden beide tezamen behouden.
39 καὶ οὐδεὶς πιὼν παλαιὸν εὐθέως θέλει νέον· λέγει γάρ, Ὁ παλαιὸς χρηστότερός ἐστιν. 39 En niemand die ouden drinkt, begeert terstond nieuwen; want hij zegt: De oude is 37beter.
37 Dat is, aangenamer, overmits men daaraan gewend is; of: gezonder.

Einde Lukas 5