Statenvertaling.nl

codex alexandrinus

Lukas 4 – Griekse tekst en Statenvertaling

Op deze pagina wordt de Griekse tekst van het Nieuwe Testament en de Statenvertaling parallel weergegeven. De Griekse tekst is de reconstructie van de door de vertalers gevolgde tekst. Deze tekst is gebaseerd op de Textus Receptus edities van de 16e en begin 17e eeuw. De verschillen tussen de belangrijkste edities van de Textus Receptus zijn in noten vermeld (zie bijvoorbeeld Matth. 1:11, 23 en 2:11).
(Afkortingen in de noten: St=Stephanus 1550, 1551, B=Beza 1565 t/m 1604, Elz=Elzevir 1624, 1633, Sc=Scrivener 1881, M=Meerderheidstekst, edd=edities, kt=kanttekening.)

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24
Weergave: Grieks en Statenvertaling zonder kanttekeningen
Grieks en Statenvertaling met kanttekeningen

Lukas 4

1 Christus vast in de woestijn veertig dagen, en wordt van den duivel verzocht. 14 Keert wederom naar Galilea, en leert in de synagoge te Nazareth, uit Jesaja 61, dat Hij de beloofde Messias was. 23 En wijst aan met de voorbeelden van Elia en Elisa, waarom Hij daar geen wonderwerken deed. 28 Waarom zij toornig zijnde, trachten Hem te doden. 31 Leert te Kapernaüm op den sabbat. 33 En drijft aldaar een duivel uit. 38 Geneest de schoonmoeder van Petrus van de koorts, en vele andere kranken en bezetenen. 42 Gaat vandaar en predikt ook in de andere steden van Galilea.
  
De verzoeking in de woestijn
1 Ἰησοῦς δὲ Πνεύματος Ἁγίου πλήρης ὑπέστρεψεν ἀπὸ τοῦ Ἰορδάνου, καὶ ἤγετο ἐν τῷ Πνεύματι εἰς τὴν ἔρημον, 1 EN aJezus, vol des Heiligen Geestes, keerde weder van de Jordaan, en werd 1door den Geest geleid in de woestijn,
a Matth. 4:1. Mark. 1:12. verwijsteksten
1 Gr. in den Geest, namelijk van Welken Hij tevoren gesproken had.
   
2 ἡμέρας τεσσαράκοντα πειραζόμενος ὑπὸ τοῦ διαβόλου. καὶ οὐκ ἔφαγεν οὐδὲν ἐν ταῖς ἡμέραις ἐκείναις· καὶ συντελεσθεισῶν αὐτῶν, ὕστερον ἐπείνασε. 2 En werd 2veertig dagen verzocht van den duivel, ben 3at gans niet in die dagen; en als dezelve geëindigd waren, zo hongerde Hem ten laatste.
2 Doch voornamelijk op het einde, wanneer Hem de satan op het allerheftigst verzocht heeft, gelijk blijkt uit Matth. 4:2. verwijsteksten
b Ex. 34:28. 1 Kon. 19:8. verwijsteksten
3 Van dit vasten van Christus, mitsgaders deze verzoekingen, zie de verklaringen op Mattheüs 4. verwijsteksten
   
3 καὶ εἶπεν αὐτῷ ὁ διάβολος, Εἰ Υἱὸς εἶ τοῦ Θεοῦ, εἰπὲ τῷ λίθῳ τούτῳ ἵνα γένηται ἄρτος. 3 En de duivel zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg tot dezen steen dat hij brood worde.
4 καὶ ἀπεκρίθη Ἰησοῦς πρὸς αὐτόν, λέγων, Γέγραπται ὅτι Οὐκ ἐπ’ ἄρτῳ μόνῳ ζήσεται ὁ ἄνθρωπος, ἀλλ’ ἐπὶ παντὶ ῥήματι Θεοῦ. 4 En Jezus antwoordde hem, zeggende: cEr is geschreven, dat de mens bij brood alleen niet zal leven, maar bij alle woord Gods.
c Deut. 8:3. Matth. 4:4. verwijsteksten
   
5 καὶ ἀναγαγὼν αὐτὸν ὁ διάβολος εἰς ὄρος ὑψηλὸν ἔδειξεν αὐτῷ πάσας τὰς βασιλείας τῆς οἰκουμένης ἐν στιγμῇ χρόνου. 5 4En als Hem de duivel geleid had op een hogen berg, toonde hij Hem al de koninkrijken der wereld in een 5ogenblik tijds.
4 Mattheüs verhaalt dit voor de derde verzoeking, Matth. 4:8, waaruit blijkt dat de evangelisten zich zozeer niet binden aan de orde als aan de zaak zelve. verwijsteksten
5 Gr. stipje of puntje des tijds.
   
6 καὶ εἶπεν αὐτῷ ὁ διάβολος, Σοὶ δώσω τὴν ἐξουσίαν ταύτην ἅπασαν καὶ τὴν δόξαν αὐτῶν· ὅτι ἐμοὶ παραδέδοται, καὶ ᾧ ἐὰν θέλω δίδωμι αὐτήν. 6 En de duivel zeide tot Hem: Ik zal U al deze macht en de heerlijkheid derzelver koninkrijken geven; 6want zij is mij overgegeven, en ik geef haar wien ik ook wil;
6 Hoewel de duivel tegen de waarheid zichzelven dit toeschrijft, als zijnde een leugenaar, Joh. 8:44, nochtans zo misbruikt hij dikwijls, door Gods toelating en rechtvaardig oordeel tegen de zonden der mensen, de eer en de rijkdommen der wereld, om de mensen te verleiden, zichzelven gedragende als een overste en god dezer wereld, Joh. 12:31. 2 Kor. 4:4. Ef. 6:12. verwijsteksten
   
7 σὺ οὖν ἐὰν προσκυνήσῃς ἐνώπιόν μου, ἔσται σου πάντα. 7 Indien Gij dan mij zult 7aanbidden, zo zal het alles Uwe zijn.
7 Of: voor mij nedervallen, namelijk om mij aan te bidden.
   
8 καὶ ἀποκριθεὶς αὐτῷ εἶπεν ὁ Ἰησοῦς, Ὕπαγε ὀπίσω μου, Σατανᾶ· γέγραπται γάρ, Προσκυνήσεις Κύριον τὸν Θεόν σου, καὶ αὐτῷ μόνῳ λατρεύσεις. 8 En Jezus antwoordende zeide tot hem: 8Ga weg van Mij, satan, want er is geschreven: dGij zult den Heere uw God aanbidden en Hem alleen dienen.
8 Gr. Ga weg achter Mij.
d Deut. 6:13; 10:20. 1 Sam. 7:3. verwijsteksten
   
9 καὶ ἤγαγεν αὐτὸν εἰς Ἱερουσαλήμ, καὶ ἔστησεν αὐτὸν ἐπὶ τὸ πτερύγιον τοῦ ἱεροῦ, καὶ εἶπεν αὐτῷ, Εἰ ὁ Υἱὸς εἶ τοῦ Θεοῦ, βάλε σεαυτὸν ἐντεῦθεν κάτω· 9 En hij leidde Hem naar Jeruzalem en stelde Hem op de tinne des tempels en zeide tot Hem: Indien Gij de Zone Gods zijt, werp Uzelven vanhier nederwaarts;
10 γέγραπται γὰρ ὅτι Τοῖς ἀγγέλοις αὐτοῦ ἐντελεῖται περὶ σοῦ, τοῦ διαφυλάξαι σε· 10 Want er is geschreven, edat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, dat zij U bewaren zullen;
e Ps. 91:11. verwijsteksten
   
11 καὶ ὅτι Ἐπὶ χειρῶν ἀροῦσί σε, μήποτε προσκόψῃς πρὸς λίθον τὸν πόδα σου. 11 En dat zij U op de handen nemen zullen, opdat Gij Uw voet niet te eniger tijd aan een steen stoot.
12 καὶ ἀποκριθεὶς εἶπεν αὐτῷ ὁ Ἰησοῦς ὅτι Εἴρηται, Οὐκ ἐκπειράσεις Κύριον τὸν Θεόν σου. 12 En Jezus antwoordende zeide tot hem: Er is gezegd: fGij zult den Heere uw God niet verzoeken.
f Deut. 6:16. verwijsteksten
   
13 καὶ συντελέσας πάντα πειρασμὸν ὁ διάβολος ἀπέστη ἀπ’ αὐτοῦ ἄχρι καιροῦ. 13 En als de duivel alle verzoeking voleindigd had, week hij van Hem 9voor een tijd.
9 Want het blijkt dat hij tegen den tijd van Zijn lijden Hem wederom heftiglijk aangevallen heeft, Joh. 14:30. verwijsteksten
  
Het begin van Jezus’ prediking
14 Καὶ ὑπέστρεψεν ὁ Ἰησοῦς ἐν τῇ δυνάμει τοῦ Πνεύματος εἰς τὴν Γαλιλαίαν· καὶ φήμη ἐξῆλθε καθ’ ὅλης τῆς περιχώρου περὶ αὐτοῦ. 14 gEn Jezus keerde weder 10door de kracht des Geestes naar Galiléa; en het gerucht van Hem ging uit door het gehele omliggende land.
g Matth. 4:12. Mark. 1:14. Joh. 4:43. Hand. 10:37. verwijsteksten
10 Gr. in de kracht.
   
15 καὶ αὐτὸς ἐδίδασκεν ἐν ταῖς συναγωγαῖς αὐτῶν, δοξαζόμενος ὑπὸ πάντων. 15 En Hij leerde in hun synagogen, en werd van allen 11geprezen.
11 Gr. verheerlijkt.
  
Jezus in Nazareth verworpen
16 Καὶ ἦλθεν εἰς τὴν Ναζαρέθ, οὗ ἦν τεθραμμένος· καὶ εἰσῆλθε, κατὰ τὸ εἰωθὸς αὐτῷ, ἐν τῇ ἡμέρᾳ τῶν σαββάτων εἰς τὴν συναγωγήν, καὶ ἀνέστη ἀναγνῶναι. 16 hEn Hij kwam te Nazareth, waar Hij opgevoed was, en ging, naar Zijn gewoonte, op den dag 12des sabbats in de synagoge, ien stond op om te lezen.
h Matth. 13:54. Mark. 6:1. Joh. 4:43. verwijsteksten
12 Gr. der sabbatten.
i Neh. 8:5, 6. verwijsteksten
   
17 καὶ ἐπεδόθη αὐτῷ βιβλίον Ἠσαΐου τοῦ προφήτου. καὶ ἀναπτύξας τὸ βιβλίον, εὗρε τὸν τόπον οὗ ἦν γεγραμμένον, 17 En Hem werd 13gegeven het boek van den profeet Jesaja; en als Hij het boek 14opengedaan had, vond Hij 15de plaats waar geschreven was:
13 Dat is, gelangd, of toegereikt. Zie Hand. 13:15. verwijsteksten
14 Gr. ontvouwd of ontrold had, gelijk veeltijds de boeken in oude tijden op perkamenten of papieren rollen geschreven werden, Ps. 40:8. Hebr. 10:7. Openb. 6:14. verwijsteksten
15 Hier schijnt Christus twee plaatsen uit Jesaja samengevoegd te hebben; want sommige van deze woorden staan Jes. 61:1, en sommige Jes. 42:7. verwijsteksten
   
18 Πνεῦμα Κυρίου ἐπ’ ἐμέ, οὗ ἕνεκεν ἔχρισέ με· εὐαγγελίζεσθαι πτωχοῖς ἀπέσταλκέ με, ἰάσασθαι τοὺς συντετριμμένους τὴν καρδίαν· 18 kDe Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden lom den armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen die gebroken zijn van hart;
k Jes. 61:1. verwijsteksten
l Matth. 11:5. verwijsteksten
   
19 κηρύξαι αἰχμαλώτοις ἄφεσιν, καὶ τυφλοῖς ἀνάβλεψιν, ἀποστεῖλαι τεθραυσμένους ἐν ἀφέσει· κηρύξαι ἐνιαυτὸν Κυρίου δεκτόν. 19 mOm den gevangenen te prediken loslating en den blinden 16het gezicht, om 17de verslagenen heen te zenden 18in vrijheid; om te prediken 19het aangename jaar des Heeren.
m Jes. 42:7; 61:1, 2. verwijsteksten
16 Gr. het verkrijgen des gezichts.
17 Of: verwonden.
18 Gr. in loslating.
19 Zo wordt de tijd van de toekomst van den Messias en van de predicatie des Evangelies genaamd, omdat het aangename jubeljaar daarvan een voorbeeld is geweest, op welke alle goederen die vervreemd waren, tot hun eersten eigenaar kwamen, en alle dienstknechten uit de Israëlieten in vrijheid gesteld werden, Lev. 25:8, enz. verwijsteksten
   
20 καὶ πτύξας τὸ βιβλίον, ἀποδοὺς τῷ ὑπηρέτῃ, ἐκάθισε· καὶ πάντων ἐν τῇ συναγωγῇ οἱ ὀφθαλμοὶ ἦσαν ἀτενίζοντες αὐτῷ. 20 En als Hij het boek toegedaan en 20den dienaar wedergegeven had, zat Hij neder; en de ogen van allen in de synagoge waren op Hem geslagen.
20 Namelijk van den overste der synagoge.
   
21 ἤρξατο δὲ λέγειν πρὸς αὐτοὺς ὅτι Σήμερον πεπλήρωται ἡ γραφὴ αὕτη ἐν τοῖς ὠσὶν ὑμῶν. 21 En Hij begon tot hen te zeggen: 21Heden is deze Schrift in uw oren vervuld.
21 Dat is, gij hoort nu met uw oren dat heden geschiedt hetgeen in deze profetie tevoren gezegd is.
   
22 καὶ πάντες ἐμαρτύρουν αὐτῷ, καὶ ἐθαύμαζον ἐπὶ τοῖς λόγοις τῆς χάριτος τοῖς ἐκπορευομένοις ἐκ τοῦ στόματος αὐτοῦ, καὶ ἔλεγον, Οὐχ οὗτός ἐστιν ὁ Υἱὸς Ἰωσήφ; 22 En zij gaven Hem allen 22getuigenis, nen verwonderden zich 23over de aangename woorden die uit Zijn mond voortkwamen, en zeiden: oIs Deze niet de Zoon van Jozef?
22 Namelijk dat Hij een voortreffelijk Leraar was. Zie Mark. 6:2. verwijsteksten
n Jes. 50:4. Matth. 13:54. Mark. 6:2. Luk. 2:47. verwijsteksten
23 Gr. over de woorden der genade of aangenaamheid. Zie Ps. 45:3. Joh. 1:14. verwijsteksten
o Joh. 6:42. verwijsteksten
   
23 καὶ εἶπε πρὸς αὐτούς, Πάντως ἐρεῖτέ μοι τὴν παραβολὴν ταύτην, Ἰατρέ, θεράπευσον σεαυτόν· ὅσα ἠκούσαμεν γενόμενα ἐν τῇ Καπερναούμ, ποίησον καὶ ὧδε ἐν τῇ πατρίδι σου. 23 En Hij zeide tot hen: Gij zult zonder twijfel tot Mij 24dit spreekwoord zeggen: Medicijnmeester, genees Uzelven; al wat wij gehoord hebben pdat in 25Kapérnaüm geschied is, doe dat ook hier in Uw vaderland.
24 Gr. deze parabel.
p Matth. 4:13. verwijsteksten
25 Waar Christus Zijn woonplaats voordezen genomen had en vele wonderen gedaan, Matth. 4:13; 11:23. verwijsteksten
   
24 εἶπε δέ, Ἀμὴν λέγω ὑμῖν ὅτι οὐδεὶς προφήτης δεκτός ἐστιν ἐν τῇ πατρίδι αὐτοῦ. 24 En Hij zeide: Voorwaar Ik zeg u, qdat geen 26profeet aangenaam is in zijn vaderland.
q Matth. 13:57. Mark. 6:4. Joh. 4:44. verwijsteksten
26 Dat is, leraar van het Woord Gods.
   
25 ἐπ’ ἀληθείας δὲ λέγω ὑμῖν, πολλαὶ χῆραι ἦσαν ἐν ταῖς ἡμέραις Ἠλίου ἐν τῷ Ἰσραήλ, ὅτε ἐκλείσθη ὁ οὐρανὸς ἐπὶ ἔτη τρία καὶ μῆνας ἕξ, ὡς ἐγένετο λιμὸς μέγας ἐπὶ πᾶσαν τὴν γῆν· 25 Maar Ik zeg u in der waarheid: Er waren rvele weduwen in Israël in de dagen van Elía, toen de hemel drie jaren en zes maanden 27gesloten was, zodat er grote hongersnood werd over het gehele land.
r 1 Kon. 17:7. Jak. 5:17. verwijsteksten
27 Dat is, zonder regenen, 1 Kon. 17:1, 7. verwijsteksten
   
26 καὶ πρὸς οὐδεμίαν αὐτῶν ἐπέμφθη Ἠλίας, εἰ μὴ εἰς Σάρεπτα τῆς Σιδῶνος πρὸς γυναῖκα χήραν. 26 En tot geen van haar werd Elía gezonden dan naar Sarepta 28Sidonis, tot een vrouw die weduwe was.
28 Dat is, liggende onder het gebied der stad Sidon.
   
27 καὶ πολλοὶ λεπροὶ ἦσαν ἐπὶ Ἐλισσαίου τοῦ προφήτου ἐν τῷ Ἰσραήλ· καὶ οὐδεὶς αὐτῶν ἐκαθαρίσθη, εἰ μὴ Νεεμὰν ὁ Σύρος. 27 En er waren svele melaatsen in Israël 29ten tijde van den profeet Elísa; en geen van hen werd gereinigd dan Naäman, de Syriër.
s 2 Kon. 5:14. verwijsteksten
29 Of: onder den profeet Elisa.
   
28 καὶ ἐπλήσθησαν πάντες θυμοῦ ἐν τῇ συναγωγῇ, ἀκούοντες ταῦτα, 28 En zij werden allen in de synagoge met toorn vervuld als zij dit hoorden.
29 καὶ ἀναστάντες ἐξέβαλον αὐτὸν ἔξω τῆς πόλεως, καὶ ἤγαγον αὐτὸν ἕως τῆς ὀφρύος τοῦ ὄρους ἐφ’ οὗ ἡ πόλις αὐτῶν ᾠκοδόμητο, εἰς τὸ κατακρημνίσαι αὐτόν. 29 En opstaande wierpen zij Hem uit buiten de stad, en leidden Hem op den top des bergs op denwelken hun stad gebouwd was, om Hem van de steilte af te werpen.
30 αὐτὸς δὲ διελθὼν διὰ μέσου αὐτῶν ἐπορεύετο. 30 Maar Hij, door het midden van hen 30doorgegaan zijnde, ging weg.
30 Namelijk hun ogen door Zijn Goddelijke kracht houdende dat zij Hem niet zagen, of hen wederhoudende, alzo Zijn ure nog niet gekomen was, Joh. 7:30. verwijsteksten
  
De eerste genezing op den sabbat
31 Καὶ κατῆλθεν εἰς Καπερναοὺμ πόλιν τῆς Γαλιλαίας· καὶ ἦν διδάσκων αὐτοὺς ἐν τοῖς σάββασι. 31 tEn Hij kwam af te Kapérnaüm, een stad van Galiléa, en leerde hen op de sabbatdagen.
t Matth. 4:13. Mark. 1:21. verwijsteksten
   
32 καὶ ἐξεπλήσσοντο ἐπὶ τῇ διδαχῇ αὐτοῦ, ὅτι ἐν ἐξουσίᾳ ἦν ὁ λόγος αὐτοῦ. 32 vEn zij versloegen zich over Zijn leer, want Zijn woord was 31met macht.
v Matth. 7:29. Mark. 1:22. verwijsteksten
31 Gr. in macht, dat is, van groot aanzien en kracht, Matth. 7:29. verwijsteksten
   
33 καὶ ἐν τῇ συναγωγῇ ἦν ἄνθρωπος ἔχων πνεῦμα δαιμονίου ἀκαθάρτου, καὶ ἀνέκραξε φωνῇ μεγάλῃ, 33 xEn in de synagoge was een mens, hebbende een geest 32eens onreinen duivels, en riep uit met grote stem,
x Mark. 1:23. verwijsteksten
32 Dat is, die een onreine duivel was.
   
34 λέγων, Ἔα, τί ἡμῖν καὶ σοί, Ἰησοῦ Ναζαρηνέ; ἦλθες ἀπολέσαι ἡμᾶς; οἶδά σε τίς εἶ, ὁ ἅγιος τοῦ Θεοῦ. 34 Zeggende: Laat af, wat hebben wij met U te doen, Gij Jezus Nazaréner? Zijt Gij gekomen om ons te verderven? Ik ken U wie Gij zijt, namelijk 33de Heilige Gods.
33 Dat is, de Zaligmaker, Die daartoe van God geheiligd of afgezonderd is, Joh. 10:36. verwijsteksten
   
35 καὶ ἐπετίμησεν αὐτῷ ὁ Ἰησοῦς, λέγων, Φιμώθητι, καὶ ἔξελθε ἐξ αὐτοῦ. καὶ ῥίψαν αὐτὸν τὸ δαιμόνιον εἰς τὸ μέσον ἐξῆλθεν ἀπ’ αὐτοῦ, μηδὲν βλάψαν αὐτόν. 35 En Jezus bestrafte hem, zeggende: 34Zwijg stil en ga van hem uit. En de duivel hem in het midden geworpen hebbende, voer van hem uit zonder hem iets 35te beschadigen.
34 Gr. Word gemuilband. Zie de aant. op Mark. 1:25. verwijsteksten
35 Of: te kwetsen.
   
36 καὶ ἐγένετο θάμβος ἐπὶ πάντας, καὶ συνελάλουν πρὸς ἀλλήλους, λέγοντες, Τίς ὁ λόγος οὗτος, ὅτι ἐν ἐξουσίᾳ καὶ δυνάμει ἐπιτάσσει τοῖς ἀκαθάρτοις πνεύμασι, καὶ ἐξέρχονται; 36 En er kwam een verbaasdheid over allen, en zij spraken tezamen tot elkander, zeggende: Wat woord is dit, dat Hij met macht en kracht den onreinen geesten gebiedt en zij varen uit?
37 καὶ ἐξεπορεύετο ἦχος περὶ αὐτοῦ εἰς πάντα τόπον τῆς περιχώρου. 37 En het gerucht van Hem ging uit in alle plaatsen des omliggenden lands.
  
De schoonmoeder van Petrus
38 Ἀναστὰς δὲ ἐκ τῆς συναγωγῆς, εἰσῆλθεν εἰς τὴν οἰκίαν Σίμωνος· ἡ πενθερὰ δὲ τοῦ Σίμωνος ἦν συνεχομένη πυρετῷ μεγάλῳ· καὶ ἠρώτησαν αὐτὸν περὶ αὐτῆς. 38 yEn Jezus opgestaan zijnde uit de synagoge, ging in het huis van 36Simon; en Simons vrouws moeder was met een grote koorts bevangen, en zij baden Hem voor haar.
y Matth. 8:14. Mark. 1:29. verwijsteksten
36 Namelijk Petrus. Zie Matth. 8:14. verwijsteksten
   
39 καὶ ἐπιστὰς ἐπάνω αὐτῆς, ἐπετίμησε τῷ πυρετῷ, καὶ ἀφῆκεν αὐτήν· παραχρῆμα δὲ ἀναστᾶσα διηκόνει αὐτοῖς. 39 En staande 37boven haar, bestrafte Hij de koorts, en de koorts verliet haar; en zij van stonden aan opstaande, diende henlieden.
37 Of: over haar, namelijk met Zijn hoofd over haar buigende, om haar aan te spreken.
   
40 Δύνοντος δὲ τοῦ ἡλίου, πάντες ὅσοι εἶχον ἀσθενοῦντας νόσοις ποικίλαις ἤγαγον αὐτοὺς πρὸς αὐτόν· ὁ δὲ ἑνὶ ἑκάστῳ αὐτῶν τὰς χεῖρας ἐπιθεὶς ἐθεράπευσεν αὐτούς. 40 zEn 38als de zon onderging, allen die kranken hadden, met verscheidene ziekten bevangen, brachten die tot Hem, aen Hij legde een iegelijk van hen de handen op en genas dezelve.
z Matth. 8:16. Mark. 1:32. verwijsteksten
38 Dat is, als de sabbat over was. Zie Mark. 1:32. verwijsteksten
a Mark. 7:32; 8:23, 25. verwijsteksten
   
41 ἐξήρχετο δὲ καὶ δαιμόνια ἀπὸ πολλῶν, κράζοντα καὶ λέγοντα ὅτι Σὺ εἶ ὁ Χριστὸς ὁ Υἱὸς τοῦ Θεοῦ. καὶ ἐπιτιμῶν οὐκ εἴα αὐτὰ λαλεῖν, ὅτι ᾔδεισαν τὸν Χριστὸν αὐτὸν εἶναι. 41 bEn er voeren ook duivelen uit van velen, roepende en zeggende: Gij zijt de Christus, de Zone Gods. En hen bestraffende, liet Hij die niet 39spreken, omdat zij wisten dat Hij de Christus was.
b Mark. 1:34; 3:11. verwijsteksten
39 Of zeggen dat zij wisten dat Hij die Christus was. De reden hiervan zie Mark. 1:25. verwijsteksten
  
Prediking in geheel Galiléa
42 Γενομένης δὲ ἡμέρας, ἐξελθὼν ἐπορεύθη εἰς ἔρημον τόπον, καὶ οἱ ὄχλοι ἐζήτουν αὐτόν, καὶ ἦλθον ἕως αὐτοῦ, καὶ κατεῖχον αὐτὸν τοῦ μὴ πορεύεσθαι ἀπ’ αὐτῶν. 42 cEn als het dag werd, ging Hij uit en trok naar 40een woeste plaats; en de scharen zochten Hem en kwamen tot bij Hem en hielden Hem op, dat Hij van hen niet zou weggaan.
c Mark. 1:35. verwijsteksten
40 Dat is, een eenzame plaats, om alleen te zijn.
   
43 ὁ δὲ εἶπε πρὸς αὐτοὺς ὅτι Καὶ ταῖς ἑτέραις πόλεσιν εὐαγγελίσασθαί με δεῖ τὴν βασιλείαν τοῦ Θεοῦ· ὅτι εἰς τοῦτο ἀπέσταλμαι. 43 Maar Hij zeide tot hen: Ik moet ook anderen steden 41het Evangelie van het Koninkrijk Gods verkondigen; want daartoe ben Ik 42uitgezonden.
41 Gr. het Koninkrijk Gods evangeliseren.
42 Namelijk van God den Vader.
   
44 Καὶ ἦν κηρύσσων ἐν ταῖς συναγωγαῖς τῆς Γαλιλαίας. 44 En Hij predikte in de synagogen van Galiléa.

Einde Lukas 4