Statenvertaling.nl

codex alexandrinus

Lukas 24 – Griekse tekst en Statenvertaling

Op deze pagina wordt de Griekse tekst van het Nieuwe Testament en de Statenvertaling parallel weergegeven. De Griekse tekst is de reconstructie van de door de vertalers gevolgde tekst. Deze tekst is gebaseerd op de Textus Receptus edities van de 16e en begin 17e eeuw. De verschillen tussen de belangrijkste edities van de Textus Receptus zijn in noten vermeld (zie bijvoorbeeld Matth. 1:11, 23 en 2:11).
(Afkortingen in de noten: St=Stephanus 1550, 1551, B=Beza 1565 t/m 1604, Elz=Elzevir 1624, 1633, Sc=Scrivener 1881, M=Meerderheidstekst, edd=edities, kt=kanttekening.)

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24
Weergave: Grieks en Statenvertaling zonder kanttekeningen
Grieks en Statenvertaling met kanttekeningen

Lukas 24

1 De vrouwen gaan naar het graf, en vinden hetzelve ledig. 4 Twee engelen verkondigen haar de opstanding van Christus. 9 Hetwelk zij den apostelen en anderen discipelen gaan boodschappen, die het niet geloven. 12 Petrus loopt uit naar het graf. 13 Christus openbaart Zich aan twee discipelen gaande naar Emmaüs, en wordt aldaar van hen bekend in het breken des broods. 33 Welke wederkeren naar Jeruzalem, en verhalen het den apostelen. 36 Christus verschijnt Zelf aan al Zijn apostelen, toont hun Zijn handen en voeten, en eet in hun tegenwoordigheid. 44 Opent hun het verstand der Schriften, stelt hen tot Zijn getuigen onder alle volken, en belooft hun Zijn Heiligen Geest. 50 Zegent hen, neemt van hen Zijn afscheid en vaart op ten hemel.
  
De opstanding
1 τῇ δὲ μιᾷ τῶν σαββάτων, ὄρθρου βαθέος, ἦλθον ἐπὶ τὸ μνῆμα, φέρουσαι ἃ ἡτοίμασαν ἀρώματα, καί τινες σὺν αὐταῖς. 1 ENa op den 1eersten dag 2der week, 3zeer vroeg in den morgenstond, gingen zij naar het graf, dragende de specerijen die zij bereid hadden, en 4sommigen met haar.
a Matth. 28:1. Mark. 16:1. Joh. 20:1. verwijsteksten
1 Gr. op één.
2 Gr. der sabbatten. Zie Matth. 28:1. Mark. 16:2. verwijsteksten
3 Zie hiervan de aant. op Mark. 16:2. Gr. diep in den morgenstond. verwijsteksten
4 Namelijk andere vrouwen, van welke zie nader vers 10. verwijsteksten
   
2 εὗρον δὲ τὸν λίθον ἀποκεκυλισμένον ἀπὸ τοῦ μνημείου. 2 En zij vonden den steen afgewenteld van het graf.
3 καὶ εἰσελθοῦσαι οὐχ εὗρον τὸ σῶμα τοῦ Κυρίου Ἰησοῦ. 3 En ingegaan zijnde, vonden zij het lichaam van den Heere Jezus niet.
4 καὶ ἐγένετο ἐν τῷ διαπορεῖσθαι αὐτὰς περὶ τούτου, καὶ ἰδού, δύο ἄνδρες ἐπέστησαν αὐταῖς ἐν ἐσθήσεσιν ἀστραπτούσαις· 4 En het geschiedde als zij daarover 5twijfelmoedig waren, zie, twee 6mannen stonden bij haar in 7blinkende klederen.
5 Of: zeer bekommerd.
6 Dat is, engelen in mansgedaanten. Zie Matth. 28:2, die maar van één verhaalt, omdat die het woord voerde. verwijsteksten
7 Gr. bliksemende, dat is, glinsterende gelijk de bliksem.
   
5 ἐμφόβων δὲ γενομένων αὐτῶν, καὶ κλινουσῶν τὸ πρόσωπον εἰς τὴν γῆν, εἶπον πρὸς αὐτάς, Τί ζητεῖτε τὸν ζῶντα μετὰ τῶν νεκρῶν; 5 En als zij zeer bevreesd werden en het aangezicht naar de aarde neigden, zeiden zij tot haar: Wat zoekt gij den Levende bij de doden?
6 οὐκ ἔστιν ὧδε, ἀλλ’ ἠγέρθη· μνήσθητε ὡς ἐλάλησεν ὑμῖν, ἔτι ὢν ἐν τῇ Γαλιλαίᾳ, 6 Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan. bGedenkt hoe Hij tot u 8gesproken heeft, als Hij nog in Galiléa was,
b Matth. 16:21; 17:22; 20:18. Mark. 8:31; 9:31; 10:33. Luk. 9:22; 18:31. verwijsteksten
8 Waarvan zie Matth. 16:21. verwijsteksten
   
7 λέγων ὅτι δεῖ τὸν Υἱὸν τοῦ ἀνθρώπου παραδοθῆναι εἰς χεῖρας ἀνθρώπων ἁμαρτωλῶν, καὶ σταυρωθῆναι, καὶ τῇ τρίτῃ ἡμέρᾳ ἀναστῆναι. 7 Zeggende: De Zoon des mensen moet overgeleverd worden in de handen der zondige mensen, en gekruisigd worden, en ten derden dage weder opstaan.
8 καὶ ἐμνήσθησαν τῶν ῥημάτων αὐτοῦ, 8 En zij werden cindachtig Zijn woorden.
c Joh. 2:22. verwijsteksten
   
9 καὶ ὑποστρέψασαι ἀπὸ τοῦ μνημείου, ἀπήγγειλαν ταῦτα πάντα τοῖς ἕνδεκα καὶ πᾶσι τοῖς λοιποῖς. 9 dEn wedergekeerd zijnde van het graf, boodschapten zij al deze dingen aan de elve en aan 9al de anderen.
d Matth. 28:8. Mark. 16:10. verwijsteksten
9 Namelijk discipelen die daar vergaderd waren.
   
10 ἦσαν δὲ ἡ Μαγδαληνὴ Μαρία καὶ Ἰωάννα καὶ Μαρία Ἰακώβου, καὶ αἱ λοιπαὶ σὺν αὐταῖς, αἳ ἔλεγον πρὸς τοὺς ἀποστόλους ταῦτα. 10 En dezen waren Maria Magdaléna, en 10Johanna, en Maria, de moeder van 11Jakobus, en de anderen met haar, die dit tot de apostelen zeiden.
10 Zie van deze Johanna Luk. 8:3. verwijsteksten
11 Namelijk den kleine. Zie Mark. 15:40. verwijsteksten
   
11 καὶ ἐφάνησαν ἐνώπιον αὐτῶν ὡσεὶ λῆρος τὰ ῥήματα αὐτῶν, καὶ ἠπίστουν αὐταῖς. 11 En haar woorden schenen voor hen als 12ijdel geklap, en zij geloofden haar niet.
12 Of: razernij, sufferij.
   
12 ὁ δὲ Πέτρος ἀναστὰς ἔδραμεν ἐπὶ τὸ μνημεῖον, καὶ παρακύψας βλέπει τὰ ὀθόνια κείμενα μόνα· καὶ ἀπῆλθε πρὸς ἑαυτὸν θαυμάζων τὸ γεγονός. 12 eDoch Petrus opstaande, 13liep tot het graf, en nederbukkende, zag hij de linnen doeken liggende alleen, en ging weg, zich verwonderende bij zichzelven over hetgeen geschied was.
e Joh. 20:3, 6. verwijsteksten
13 Namelijk met Johannes. Zie Joh. 20:3. verwijsteksten
  
De Emmaüsgangers
13 Καὶ ἰδού, δύο ἐξ αὐτῶν ἦσαν πορευόμενοι ἐν αὐτῇ τῇ ἡμέρᾳ εἰς κώμην ἀπέχουσαν σταδίους ἑξήκοντα ἀπὸ Ἱερουσαλήμ, ᾗ ὄνομα Ἐμμαούς. 13 fEn zie, twee 14van hen gingen op denzelven dag naar een vlek dat zestig 15stadiën van Jeruzalem was, welks naam was Emmaüs;
f Mark. 16:12. verwijsteksten
14 Niet van de apostelen, maar van de andere discipelen, gelijk blijkt vss. 18, 33. verwijsteksten
15 Een stadie is honderd vijf en twintig schreden, zodat acht stadiën maken een Italiaanse mijl, waarvan drie omtrent een uur gaans zijn; zodat zestig stadiën maken omtrent twee uren gaans en een half.
   
14 καὶ αὐτοὶ ὡμίλουν πρὸς ἀλλήλους περὶ πάντων τῶν συμβεβηκότων τούτων. 14 En zij spraken tezamen onder elkander van al deze dingen die er gebeurd waren.
15 καὶ ἐγένετο ἐν τῷ ὁμιλεῖν αὐτοὺς καὶ συζητεῖν, καὶ αὐτὸς ὁ Ἰησοῦς ἐγγίσας συνεπορεύετο αὐτοῖς. 15 En het geschiedde terwijl zij samenspraken en elkander ondervraagden, gdat Jezus Zelf bij hen kwam en met hen ging.
g vers 36. Matth. 18:20. verwijsteksten
   
16 οἱ δὲ ὀφθαλμοὶ αὐτῶν ἐκρατοῦντο τοῦ μὴ ἐπιγνῶναι αὐτόν. 16 En hun ogen werden 16gehouden 17dat zij Hem niet kenden.
16 Dat is, wederhouden door Christus’ macht.
17 Of: opdat zij Hem niet zouden kennen.
   
17 εἶπε δὲ πρὸς αὐτούς, Τίνες οἱ λόγοι οὗτοι οὓς ἀντιβάλλετε πρὸς ἀλλήλους περιπατοῦντες, καί ἐστε σκυθρωποί; 17 En Hij zeide tot hen: Wat redenen zijn dit, die gij wandelende onder elkander verhandelt, en waarom ziet gij 18droevig?
18 Of: stuurs.
   
18 ἀποκριθεὶς δὲ ὁ εἷς, ᾧ ὄνομα Κλεόπας, εἶπε πρὸς αὐτόν, Σὺ μόνος παροικεῖς ἐν Ἱερουσαλήμ, καὶ οὐκ ἔγνως τὰ γενόμενα ἐν αὐτῇ ἐν ταῖς ἡμέραις ταύταις; 18 En de een, wiens naam was Kléopas, antwoordende zeide tot Hem: Zijt Gij alleen 19een vreemdeling te Jeruzalem, en weet niet de dingen die deze dagen daarin geschied zijn?
19 Of: een inwoner.
   
19 καὶ εἶπεν αὐτοῖς, Ποῖα; οἱ δὲ εἶπον αὐτῷ, Τὰ περὶ Ἰησοῦ τοῦ Ναζωραίου, ὃς ἐγένετο ἀνὴρ προφήτης δυνατὸς ἐν ἔργῳ καὶ λόγῳ ἐναντίον τοῦ Θεοῦ καὶ παντὸς τοῦ λαοῦ· 19 En Hij zeide tot hen: Welke? En zij zeiden tot Hem: De dingen aangaande Jezus den Nazaréner, hWelke 20een Profeet was, krachtig 21in werken en woorden, 22voor God en al 23het volk;
h Luk. 7:16. Joh. 4:19; 6:14. verwijsteksten
20 Gr. een Man, een Profeet.
21 Gr. in de daad of in het werk, en in het woord.
22 Namelijk Die door vele wondertekenen zulks van Hem betuigde.
23 Namelijk dat zulks met verwondering en prijzen hoorde en zag.
   
20 ὅπως τε παρέδωκαν αὐτὸν οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ ἄρχοντες ἡμῶν εἰς κρίμα θανάτου, καὶ ἐσταύρωσαν αὐτόν. 20 En hoe onze overpriesters en oversten Denzelven overgeleverd hebben tot het oordeel des doods, en Hem gekruisigd hebben.
21 ἡμεῖς δὲ ἠλπίζομεν ὅτι αὐτός ἐστιν ὁ μέλλων λυτροῦσθαι τὸν Ἰσραήλ. ἀλλά γε σὺν πᾶσι τούτοις τρίτην ταύτην ἡμέραν ἄγει σήμερον ἀφ’ οὗ ταῦτα ἐγένετο. 21 En wij hoopten dat Hij was Degene iDie 24Israël 25verlossen zou. Doch ook benevens dit alles is het heden de derde dag, van dat deze dingen geschied zijn.
i Hand. 1:6. verwijsteksten
24 Dat is, het Israëlitische of Joodse volk.
25 Dat is, verlost zou hebben.
   
22 ἀλλὰ καὶ γυναῖκές τινες ἐξ ἡμῶν ἐξέστησαν ἡμᾶς, γενόμεναι ὄρθριαι ἐπὶ τὸ μνημεῖον· 22 kMaar ook sommige vrouwen 26uit ons hebben ons ontsteld, die vroeg in den morgenstond aan het graf geweest zijn;
k Matth. 28:8. Mark. 16:10. Joh. 20:18. verwijsteksten
26 Dat is, van ons gezelschap.
   
23 καὶ μὴ εὑροῦσαι τὸ σῶμα αὐτοῦ, ἦλθον λέγουσαι καὶ ὀπτασίαν ἀγγέλων ἑωρακέναι, οἳ λέγουσιν αὐτὸν ζῇν. 23 En Zijn lichaam niet vindende, kwamen zij en zeiden dat zij ook een gezicht van engelen gezien hadden, die zeggen dat Hij leeft.
24 καὶ ἀπῆλθόν τινες τῶν σὺν ἡμῖν ἐπὶ τὸ μνημεῖον, καὶ εὗρον οὕτω καθὼς καὶ αἱ γυναῖκες εἶπον· αὐτὸν δὲ οὐκ εἶδον. 24 En sommigen dergenen die met ons zijn, gingen heen tot het graf, en bevonden het alzo, gelijk ook de vrouwen gezegd hadden; maar Hem zagen zij niet.
25 καὶ αὐτὸς εἶπε πρὸς αὐτούς, Ὦ ἀνόητοι καὶ βραδεῖς τῇ καρδίᾳ τοῦ πιστεύειν ἐπὶ πᾶσιν οἷς ἐλάλησαν οἱ προφῆται· 25 En Hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart om te geloven al hetgeen dat de profeten gesproken hebben;
26 οὐχὶ ταῦτα ἔδει παθεῖν τὸν Χριστόν, καὶ εἰσελθεῖν εἰς τὴν δόξαν αὐτοῦ; 26 lMoest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid 27ingaan?
l Jes. 50:6; 53:5. Filipp. 2:7. Hebr. 12:2. 1 Petr. 1:11. verwijsteksten
27 Namelijk na of door Zijn lijden, Hebr. 2:9. 1 Petr. 1:11. verwijsteksten
   
27 καὶ ἀρξάμενος ἀπὸ Μωσέως καὶ ἀπὸ πάντων τῶν προφητῶν, διηρμήνευεν αὐτοῖς ἐν πάσαις ταῖς γραφαῖς τὰ περὶ *ἑαυτοῦ.
* ἑαυτοῦ St, B-edd, Sc, M | αὑτοῦ B-edd, Elz
27 mEn begonnen hebbende van Mozes en nvan al de Profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was.
m Gen. 3:15; 22:18; 26:4; 49:10. Deut. 18:15. verwijsteksten
n Ps. 132:11. Jes. 7:14; 9:5; 40:10. Jer. 23:5; 33:14. Ez. 34:23; 37:25. Dan. 9:24. Micha 7:20. verwijsteksten
   
28 καὶ ἤγγισαν εἰς τὴν κώμην οὗ ἐπορεύοντο· καὶ αὐτὸς προσεποιεῖτο πορρωτέρω πορεύεσθαι. 28 En zij kwamen nabij het vlek waar zij naartoe gingen; en Hij 28hield Zich alsof Hij verder gaan zou.
28 Of: stelde Zich zo aan; hetwelk zonder veinzing geschied is, om hen te beproeven; alzo Hij hetzelve gedaan zou hebben, tenware dat zij Hem met bidden gehouden hadden.
   
29 καὶ παρεβιάσαντο αὐτόν, λέγοντες, Μεῖνον μεθ’ ἡμῶν, ὅτι πρὸς ἑσπέραν ἐστί, καὶ κέκλικεν ἡ ἡμέρα. καὶ εἰσῆλθε τοῦ μεῖναι σὺν αὐτοῖς. 29 oEn zij 29dwongen Hem, zeggende: pBlijf met ons; want het is bij den avond en de dag is gedaald. En Hij ging in, om met hen te blijven.
o Gen. 19:3. verwijsteksten
29 Namelijk met bidden en aanhouden. Zie Gen. 33:11. verwijsteksten
p Hand. 16:15. Hebr. 13:2. verwijsteksten
   
30 καὶ ἐγένετο ἐν τῷ κατακλιθῆναι αὐτὸν μετ’ αὐτῶν, λαβὼν τὸν ἄρτον εὐλόγησε, καὶ κλάσας ἐπεδίδου αὐτοῖς. 30 En het geschiedde, als Hij met hen aanzat, nam Hij het brood en 30zegende het, en als Hij het 31gebroken had, gaf Hij het hun.
30 Namelijk door gebed en dankzegging, 1 Tim. 4:4, 5. verwijsteksten
31 Namelijk naar de wijze der Joden in het begin van hun maaltijden, welker broden zo gebakken waren, dat zij bekwamelijk gebroken konden worden, Hand. 2:46. verwijsteksten
   
31 αὐτῶν δὲ διηνοίχθησαν οἱ ὀφθαλμοί, καὶ ἐπέγνωσαν αὐτόν· καὶ αὐτὸς ἄφαντος ἐγένετο ἀπ’ αὐτῶν. 31 En hun ogen werden geopend, en zij kenden Hem; en Hij 32kwam weg uit hun gezicht.
32 Gr. Hij werd onzichtbaar voor hen, dat is, Hij onttrok Zich haastelijk van hun gezicht.
   
32 καὶ εἶπον πρὸς ἀλλήλους, Οὐχὶ ἡ καρδία ἡμῶν καιομένη ἦν ἐν ἡμῖν, ὡς ἐλάλει ἡμῖν ἐν τῇ ὁδῷ, καὶ ὡς διήνοιγεν ἡμῖν τὰς γραφάς; 32 En zij zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende in ons, als Hij tot ons sprak op den weg en als Hij ons de Schriften 33opende?
33 Dat is, verklaarde, of uitlegde.
   
33 καὶ ἀναστάντες αὐτῇ τῇ ὥρᾳ ὑπέστρεψαν εἰς Ἱερουσαλήμ, καὶ εὗρον συνηθροισμένους τοὺς ἕνδεκα καὶ τοὺς σὺν αὐτοῖς, 33 En zij opstaande te zelver ure, keerden weder naar Jeruzalem, en vonden de elve tezamen vergaderd, en die met hen waren,
34 λέγοντας ὅτι Ἠγέρθη ὁ Κύριος ὄντως, καὶ ὤφθη Σίμωνι. 34 34Welke zeiden: De Heere is waarlijk opgestaan qen is van Simon gezien.
34 Namelijk elve, en die bij hen waren.
q 1 Kor. 15:5. verwijsteksten
   
35 καὶ αὐτοὶ ἐξηγοῦντο τὰ ἐν τῇ ὁδῷ, καὶ ὡς ἐγνώσθη αὐτοῖς ἐν τῇ κλάσει τοῦ ἄρτου. 35 En zij vertelden hetgeen op den weg geschied was, en hoe Hij hun bekend was geworden in het breken des broods.
  
De verschijning aan de discipelen
36 Ταῦτα δὲ αὐτῶν λαλούντων, αὐτὸς ὁ Ἰησοῦς ἔστη ἐν μέσῳ αὐτῶν, καὶ λέγει αὐτοῖς, Εἰρήνη ὑμῖν. 36 rEn als zij van deze dingen spraken, stond Jezus Zelf in het midden van hen, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden.
r Mark. 16:14. Joh. 20:19. 1 Kor. 15:5. verwijsteksten
   
37 πτοηθέντες δὲ καὶ ἔμφοβοι γενόμενοι ἐδόκουν πνεῦμα θεωρεῖν. 37 En zij verschrikt en zeer bevreesd geworden zijnde, meenden dat zij 35een geest zagen.
35 Dat is, spooksel. Zie Matth. 14:26. Of een engel in menselijke gedaante, Hand. 12:9. verwijsteksten
   
38 καὶ εἶπεν αὐτοῖς, Τί τεταραγμένοι ἐστέ; καὶ διατί διαλογισμοὶ ἀναβαίνουσιν ἐν ταῖς καρδίαις ὑμῶν; 38 En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij ontroerd, en waarom klimmen zulke overleggingen in uw harten?
39 ἴδετε τὰς χεῖράς μου καὶ τοὺς πόδας μου, ὅτι αὐτὸς ἐγώ εἰμι· ψηλαφήσατέ με καὶ ἴδετε, ὅτι πνεῦμα σάρκα καὶ ὀστέα οὐκ ἔχει, καθὼς ἐμὲ θεωρεῖτε ἔχοντα. 39 Ziet Mijn handen en Mijn voeten; 36want Ik ben het Zelf. Tast Mij aan en ziet, want een geest heeft geen vlees en benen, gelijk gij ziet dat Ik heb.
36 Of: dat Ik het Zelf ben.
   
40 καὶ τοῦτο εἰπὼν ἐπέδειξεν αὐτοῖς τὰς χεῖρας καὶ τοὺς πόδας. 40 En als Hij dit zeide, toonde Hij hun de handen en de voeten.
41 ἔτι δὲ ἀπιστούντων αὐτῶν ἀπὸ τῆς χαρᾶς καὶ θαυμαζόντων, εἶπεν αὐτοῖς, Ἔχετέ τι βρώσιμον ἐνθάδε; 41 En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden en zich verwonderden, zeide Hij tot hen: sHebt gij hier iets 37om te eten?
s Joh. 21:10. verwijsteksten
37 Gr. etelijks, of: eetbaars.
   
42 οἱ δὲ ἐπέδωκαν αὐτῷ ἰχθύος ὀπτοῦ μέρος, καὶ ἀπὸ μελισσίου κηρίου. 42 En zij gaven Hem een stuk van een gebraden vis, en van honingraten.
43 καὶ λαβὼν ἐνώπιον αὐτῶν ἔφαγεν. 43 En Hij nam het en 38at het voor hun ogen.
38 Niet dat Hij zulks van node had, dewijl Hij nu onsterfelijk geworden was; maar om hun te verzekeren, dat Hij hetzelfde lichaam nog had. Zie Hand. 10:41. verwijsteksten
   
44 Εἶπε δὲ αὐτοῖς, Οὗτοι οἱ λόγοι, οὓς ἐλάλησα πρὸς ὑμᾶς ἔτι ὢν σὺν ὑμῖν, ὅτι δεῖ πληρωθῆναι πάντα τὰ γεγραμμένα ἐν τῷ νόμῳ Μωσέως καὶ προφήταις καὶ ψαλμοῖς περὶ ἐμοῦ. 44 En Hij zeide tot hen: tDit zijn de woorden die Ik tot u sprak als Ik nog 39met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden wat van Mij geschreven is in de Wet van Mozes en de Profeten en Psalmen.
t vers 6. Matth. 16:21; 17:22; 20:18. Mark. 8:31; 9:31; 10:33. Luk. 9:22; 18:31. verwijsteksten
39 Dat is, openbaarlijk en geduriglijk met u verkeerde voor Mijn dood.
   
45 τότε διήνοιξεν αὐτῶν τὸν νοῦν, τοῦ συνιέναι τὰς γραφάς· 45 Toen 40opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden;
40 Namelijk door de verlichting Zijns Heiligen Geestes, Hand. 16:14. 1 Kor. 2:13. verwijsteksten
   
46 καὶ εἶπεν αὐτοῖς ὅτι Οὕτω γέγραπται, καὶ οὕτως ἔδει παθεῖν τὸν Χριστόν, καὶ ἀναστῆναι ἐκ νεκρῶν τῇ τρίτῃ ἡμέρᾳ, 46 En zeide tot hen: vAlzo is er geschreven, en alzo moest de Christus lijden, en van de doden opstaan ten derden dage;
v Ps. 22:7. Hand. 17:3. verwijsteksten
   
47 καὶ κηρυχθῆναι ἐπὶ τῷ ὀνόματι αὐτοῦ μετάνοιαν καὶ ἄφεσιν ἁμαρτιῶν εἰς πάντα τὰ ἔθνη, ἀρξάμενον ἀπὸ Ἱερουσαλήμ. 47 En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en xvergeving der zonden onder alle volken, y41beginnende van Jeruzalem.
x Hand. 13:38. 1 Joh. 2:12. verwijsteksten
y Hand. 2:4. verwijsteksten
41 Dewijl den Joden voornamelijk de Messias beloofd was, Rom. 1:16, en het Evangelie uit Sion en Jeruzalem moest uitgaan, Jes. 2:3. verwijsteksten
   
48 ὑμεῖς δέ ἐστε μάρτυρες τούτων. 48 En gij zijt getuigen van deze dingen.
49 καὶ ἰδού, ἐγὼ ἀποστέλλω τὴν ἐπαγγελίαν τοῦ Πατρός μου ἐφ’ ὑμᾶς· ὑμεῖς δὲ καθίσατε ἐν τῇ πόλει Ἱερουσαλήμ, ἕως οὗ ἐνδύσησθε δύναμιν ἐξ ὕψους. 49 zEn zie, Ik zend de 42belofte Mijns Vaders op u; amaar 43blijft gij in de stad Jeruzalem, totdat gij zult aangedaan zijn met 44kracht 45uit de hoogte.
z Joh. 14:26; 15:26; 16:7. Hand. 1:4. verwijsteksten
42 Dat is, den Heiligen Geest, Dien Ik u beloofd heb van den Vader te zullen zenden, Joh. 14:16; 15:26. Hand. 1:4. verwijsteksten
a Hand. 1:4. verwijsteksten
43 Gr. zet u neder.
44 Namelijk met den Heiligen Geest, Hand. 1:8. verwijsteksten
45 Dat is, uit den hemel, Hand. 2:2. Hebr. 1:3. verwijsteksten
  
De hemelvaart
50 Ἐξήγαγε δὲ αὐτοὺς ἔξω ἕως εἰς Βηθανίαν· καὶ ἐπάρας τὰς χεῖρας αὐτοῦ εὐλόγησεν αὐτούς. 50 bEn Hij leidde hen 46buiten tot aan Bethanië, en Zijn handen opheffende, zegende Hij hen.
b Hand. 1:12. verwijsteksten
46 Zie hiervan breder Hand. 1:12. verwijsteksten
   
51 καὶ ἐγένετο ἐν τῷ εὐλογεῖν αὐτὸν αὐτούς, διέστη ἀπ’ αὐτῶν, καὶ ἀνεφέρετο εἰς τὸν οὐρανόν. 51 cEn het geschiedde als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in den hemel.
c Mark. 16:19. Hand. 1:9. verwijsteksten
   
52 καὶ αὐτοὶ προσκυνήσαντες αὐτόν, ὑπέστρεψαν εἰς Ἱερουσαλὴμ μετὰ χαρᾶς μεγάλης· 52 En zij aanbaden Hem, en keerden weder naar Jeruzalem met grote blijdschap.
53 καὶ ἦσαν διὰ παντὸς ἐν τῷ ἱερῷ, αἰνοῦντες καὶ εὐλογοῦντες τὸν Θεόν. Ἀμήν. 53 En zij waren allen tijd in den tempel, lovende en 47dankende God. Amen.
47 Gr. zegenende.

Einde Lukas 24