Statenvertaling.nl

codex alexandrinus

Lukas 11 – Griekse tekst en Statenvertaling

Op deze pagina wordt de Griekse tekst van het Nieuwe Testament en de Statenvertaling parallel weergegeven. De Griekse tekst is de reconstructie van de door de vertalers gevolgde tekst. Deze tekst is gebaseerd op de Textus Receptus edities van de 16e en begin 17e eeuw. De verschillen tussen de belangrijkste edities van de Textus Receptus zijn in noten vermeld (zie bijvoorbeeld Matth. 1:11, 23 en 2:11).
(Afkortingen in de noten: St=Stephanus 1550, 1551, B=Beza 1565 t/m 1604, Elz=Elzevir 1624, 1633, Sc=Scrivener 1881, M=Meerderheidstekst, edd=edities, kt=kanttekening.)

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24
Weergave: Grieks en Statenvertaling zonder kanttekeningen
Grieks en Statenvertaling met kanttekeningen

Lukas 11

1 Christus schrijft Zijn discipelen een formulier voor om te bidden. 5 En leert door de gelijkenissen van een vriend en van een vader, dat zij zullen verhoord worden die in het gebed volharden. 14 Werpt een stommen duivel uit, en wederspreekt de lastering dergenen die zeiden dat Hij zulks door Beëlzebul deed. 24 Verhaalt den ellendigen staat van den mens in welken de onreine geest weder inkeert. 27 Een vrouw prijst zalig den buik die Christus gedragen heeft. 29 Christus betuigt dat den Joden het teken van Jona zal gegeven worden. 31 Stelt tegen hun hardnekkigheid het voorbeeld der koningin van het zuiden en der Ninevieten. 33 Leert door gelijkenis van een kaars, dat men het licht des Evangelies niet moet verbergen. 37 Bestraft der farizeeën en schriftgeleerden geveinsdheid, eergierigheid en wreedheid tegen alle profeten en apostelen, en dreigt hun de straf Gods. 53 Waarop de farizeeën Hem nieuwe lagen leggen.
  
Het gebed des Heeren
1 Καὶ ἐγένετο ἐν τῷ εἶναι αὐτὸν ἐν τόπῳ τινὶ προσευχόμενον, ὡς ἐπαύσατο, εἶπέ τις τῶν μαθητῶν αὐτοῦ πρὸς αὐτόν, Κύριε, δίδαξον ἡμᾶς προσεύχεσθαι, καθὼς καὶ Ἰωάννης ἐδίδαξε τοὺς μαθητὰς αὐτοῦ. 1 EN het geschiedde toen Hij in een zekere plaats was biddende, als Hij ophield, dat een van Zijn discipelen tot Hem zeide: Heere, 1leer ons bidden, gelijk ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft.
1 Dat is, geef ons een voorschrift des gebeds, hetwelk wij mogen gebruiken, en naar hetwelk wij onze gebeden mogen richten.
   
2 εἶπε δὲ αὐτοῖς, Ὅταν προσεύχησθε, λέγετε, Πάτερ ἡμῶν ὁ ἐν τοῖς οὐρανοῖς, ἁγιασθήτω τὸ ὄνομά σου. ἐλθέτω ἡ βασιλεία σου. γενηθήτω τὸ θέλημά σου, ὡς ἐν οὐρανῷ, καὶ ἐπὶ τῆς γῆς. 2 En Hij zeide tot hen: aWanneer gij bidt, zo zegt: 2Onze Vader, Die in de hemelen zijt, Uw Naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde.
a Matth. 6:9. verwijsteksten
2 Zie de verklaring van dit gebed bij Matth. 6:9, enz. verwijsteksten
   
3 τὸν ἄρτον ἡμῶν τὸν ἐπιούσιον δίδου ἡμῖν τὸ καθ’ ἡμέραν. 3 Geef ons 3elken dag ons 4dagelijks brood.
3 Of: van dag tot dag, of: alle dagen.
4 Of: genoegzaam. Zie Matth. 6:11. verwijsteksten
   
4 καὶ ἄφες ἡμῖν τὰς ἁμαρτίας ἡμῶν, καὶ γὰρ αὐτοὶ ἀφίεμεν παντὶ ὀφείλοντι ἡμῖν. καὶ μὴ εἰσενέγκῃς ἡμᾶς εἰς πειρασμόν, ἀλλὰ ῥῦσαι ἡμᾶς ἀπὸ τοῦ πονηροῦ. 4 En vergeef ons onze zonden; want ook wij vergeven aan een iegelijk die ons schuldig is. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze.
  
Gebedsverhoring
5 Καὶ εἶπε πρὸς αὐτούς, Τίς ἐξ ὑμῶν ἕξει φίλον, καὶ πορεύσεται πρὸς αὐτὸν μεσονυκτίου, καὶ εἴπῃ αὐτῷ, Φίλε, χρῆσόν μοι τρεῖς ἄρτους, 5 En Hij zeide tot hen: Wie van u zal een vriend hebben, en zal 5te middernacht tot hem gaan en tot hem zeggen: Vriend, leen mij drie broden;
5 Dat is, zelfs op de meest ongelegen tijd.
   
6 ἐπειδὴ φίλος μου παρεγένετο ἐξ ὁδοῦ πρός με, καὶ οὐκ ἔχω ὃ παραθήσω αὐτῷ· 6 Overmits mijn vriend 6van de reis tot mij gekomen is, en ik heb niets dat ik hem voorzette;
6 Gr. van den weg.
   
7 κἀκεῖνος ἔσωθεν ἀποκριθεὶς εἴπῃ, Μή μοι κόπους πάρεχε· ἤδη ἡ θύρα κέκλεισται, καὶ τὰ παιδία μου μετ’ ἐμοῦ εἰς τὴν κοίτην εἰσίν· οὐ δύναμαι ἀναστὰς δοῦναί σοι. 7 En dat die van binnen antwoordende zou zeggen: Doe mij geen moeite aan; de deur is nu gesloten, en mijn kinderen zijn met mij 7in de slaapkamer; ik kan niet opstaan om u te geven.
7 Of: te bed.
   
8 λέγω ὑμῖν, εἰ καὶ οὐ δώσει αὐτῷ ἀναστάς, διὰ τὸ εἶναι αὐτοῦ φίλον, διά γε τὴν ἀναίδειαν αὐτοῦ ἐγερθεὶς δώσει αὐτῷ ὅσων χρῄζει. 8 Ik zeg ulieden: Hoewel hij niet zou opstaan en hem geven omdat hij zijn vriend is, nochtans om zijner 8onbeschaamdheid wil, zal hij opstaan en hem geven 9zovele als hij er behoeft.
8 Dat is, omwille van zijn moeilijk en ontijdig aanhouden, hetwelk wel somwijlen onaangenaam is bij de mensen, maar niet bij God, Luk. 18:1. 1 Thess. 5:17. verwijsteksten
9 Namelijk broden.
   
9 κἀγὼ ὑμῖν λέγω, Αἰτεῖτε, καὶ δοθήσεται ὑμῖν· ζητεῖτε, καὶ εὑρήσετε· κρούετε, καὶ ἀνοιγήσεται ὑμῖν. 9 En Ik zeg ulieden: b10Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.
b Matth. 7:7; 21:22. Mark. 11:24. Joh. 14:13; 15:7; 16:24. Jak. 1:5, 6. 1 Joh. 3:22; 5:14. verwijsteksten
10 Zie hiervan de verklaring Matth. 7:8. verwijsteksten
   
10 πᾶς γὰρ ὁ αἰτῶν λαμβάνει· καὶ ὁ ζητῶν εὑρίσκει· καὶ τῷ κρούοντι ἀνοιγήσεται. 10 Want een iegelijk die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden.
11 τίνα δὲ ὑμῶν τὸν πατέρα αἰτήσει ὁ υἱὸς ἄρτον, μὴ λίθον ἐπιδώσει αὐτῷ; εἰ καὶ ἰχθύν, μὴ ἀντὶ ἰχθύος ὄφιν ἐπιδώσει αὐτῷ; 11 cEn wat vader onder u, dien de zoon om brood bidt, zal hem een steen geven? Of ook om een vis, zal hem voor een vis een slang geven?
c Matth. 7:9. verwijsteksten
   
12 ἢ καὶ ἐὰν *αἰτήσῃ ὠόν, μὴ ἐπιδώσει αὐτῷ σκορπίον;
* αἰτήσῃ St, B, Sc, M | αἰτήσει Elz
12 Of zo hij ook om een ei zou bidden, zal hij hem een schorpioen geven?
13 εἰ οὖν ὑμεῖς πονηροὶ ὑπάρχοντες οἴδατε ἀγαθὰ δόματα διδόναι τοῖς τέκνοις ὑμῶν, πόσῳ μᾶλλον ὁ Πατὴρ ὁ ἐξ οὐρανοῦ δώσει Πνεῦμα Ἅγιον τοῖς αἰτοῦσιν αὐτόν; 13 Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de 11hemelse Vader den Heiligen Geest geven dengenen die Hem bidden.
11 Gr. Die uit den hemel is.
  
Jezus en Beëlzebul
14 Καὶ ἦν ἐκβάλλων δαιμόνιον, καὶ αὐτὸ ἦν κωφόν. ἐγένετο δέ, τοῦ δαιμονίου ἐξελθόντος, ἐλάλησεν ὁ κωφός· καὶ ἐθαύμασαν οἱ ὄχλοι. 14 dEn Hij wierp een duivel uit, en die 12was stom. En het geschiedde als de duivel uitgevaren was, dat de stomme sprak; en de scharen verwonderden zich.
d Matth. 9:32; 12:22. verwijsteksten
12 Dat is, maakte den bezeten mens stom; en ook blind, gelijk te zien is Matth. 12:22. verwijsteksten
   
15 τινὲς δὲ ἐξ αὐτῶν εἶπον, Ἐν Βεελζεβοὺλ ἄρχοντι τῶν δαιμονίων ἐκβάλλει τὰ δαιμόνια. 15 Maar sommigen van hen zeiden: eHij werpt de duivelen uit door 13Beëlzebul, den overste der duivelen.
e Matth. 9:34; 12:24. Mark. 3:22. verwijsteksten
13 Anders: Beëlzebub. Zie daarvan Matth. 10:25. verwijsteksten
   
16 ἕτεροι δὲ πειράζοντες σημεῖον παρ’ αὐτοῦ ἐζήτουν ἐξ οὐρανοῦ. 16 En anderen Hem verzoekende, f14begeerden van Hem een teken 15uit den hemel.
f Matth. 16:1. verwijsteksten
14 Gr. zochten.
15 Zie Matth. 16:1. verwijsteksten
   
17 αὐτὸς δὲ εἰδὼς αὐτῶν τὰ διανοήματα εἶπεν αὐτοῖς, Πᾶσα βασιλεία ἐφ’ ἑαυτὴν διαμερισθεῖσα ἐρημοῦται· καὶ οἶκος ἐπὶ οἶκον, πίπτει. 17 Maar Hij kennende hun 16gedachten, zeide tot hen: gEen ieder koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en 17een huis tegen zichzelf verdeeld zijnde, valt.
16 Of: overleggingen.
g Matth. 12:25. Mark. 3:24. verwijsteksten
17 Gr. huis tegen huis, dat is, tegen zichzelven; gelijk te zien is Matth. 12:25. verwijsteksten
   
18 εἰ δὲ καὶ ὁ Σατανᾶς ἐφ’ ἑαυτὸν διεμερίσθη, πῶς σταθήσεται ἡ βασιλεία αὐτοῦ; ὅτι λέγετε, ἐν Βεελζεβοὺλ ἐκβάλλειν με τὰ δαιμόνια. 18 Indien nu ook de satan tegen zichzelven verdeeld is, hoe zal zijn rijk bestaan? Dewijl gij zegt dat Ik door Beëlzebul de duivelen uitwerp.
19 εἰ δὲ ἐγὼ ἐν Βεελζεβοὺλ ἐκβάλλω τὰ δαιμόνια, οἱ υἱοὶ ὑμῶν ἐν τίνι ἐκβάλλουσι; διὰ τοῦτο κριταὶ ὑμῶν αὐτοὶ ἔσονται. 19 En indien Ik door Beëlzebul de duivelen uitwerp, door wien werpen uw 18zonen ze uit? Daarom zullen dezen uw 19rechters zijn.
18 Zie Matth. 12:27. verwijsteksten
19 Dat is, met hun doen en getuigenis u veroordelen.
   
20 εἰ δὲ ἐν δακτύλῳ Θεοῦ ἐκβάλλω τὰ δαιμόνια, ἄρα ἔφθασεν ἐφ’ ὑμᾶς ἡ βασιλεία τοῦ Θεοῦ. 20 Maar indien Ik door 20den vinger Gods de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen.
20 Dat is, door de kracht of Geest Gods, gelijk staat Matth. 12:28. Dergelijke manier van spreken zie Ex. 8:19. verwijsteksten
   
21 ὅταν ὁ ἰσχυρὸς καθωπλισμένος φυλάσσῃ τὴν ἑαυτοῦ αὐλήν, ἐν εἰρήνῃ ἐστὶ τὰ ὑπάρχοντα αὐτοῦ· 21 Wanneer een sterke gewapende zijn 21hof bewaart, zo is 22al wat hij heeft in 23vrede.
21 Of: paleis.
22 Of: al zijn goederen.
23 Dat is, in rust en zekerheid.
   
22 ἐπὰν δὲ ὁ ἰσχυρότερος αὐτοῦ ἐπελθὼν νικήσῃ αὐτόν, τὴν πανοπλίαν αὐτοῦ αἴρει ἐφ’ ᾗ ἐπεποίθει, καὶ τὰ σκῦλα αὐτοῦ διαδίδωσιν. 22 hMaar als een daarover komt die sterker is dan hij, en hem overwint, die neemt zijn gehele wapenrusting, waar hij op vertrouwde, en deelt zijn 24roof uit.
h Kol. 2:15. verwijsteksten
24 Mattheüs zegt vaten, dat is, huisraad.
   
23 ὁ μὴ ὢν μετ’ ἐμοῦ κατ’ ἐμοῦ ἐστι· καὶ ὁ μὴ συνάγων μετ’ ἐμοῦ σκορπίζει. 23 iWie 25met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit.
i Matth. 12:30. verwijsteksten
25 Namelijk om Gods eer en de zaligheid der mensen te bevorderen. Zie Mark. 9:40. verwijsteksten
  
Terugkeer van den onreinen geest
24 ὅταν τὸ ἀκάθαρτον πνεῦμα ἐξέλθῃ ἀπὸ τοῦ ἀνθρώπου, διέρχεται δι’ ἀνύδρων τόπων, ζητοῦν ἀνάπαυσιν· καὶ μὴ εὑρίσκον λέγει, Ὑποστρέψω εἰς τὸν οἶκόν μου ὅθεν ἐξῆλθον. 24 k26Wanneer de onreine geest van den mens uitgevaren is, zo gaat hij door 27dorre plaatsen, zoekende rust; en die niet vindende, zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, waar ik uitgevaren ben.
k Matth. 12:43, enz. verwijsteksten
26 Zie hiervan de verklaring Matth. 12:43, enz. verwijsteksten
27 Gr. waterloze, droge.
   
25 καὶ ἐλθὸν εὑρίσκει σεσαρωμένον καὶ κεκοσμημένον. 25 En komende, vindt hij het 28met bezemen gekeerd, en versierd.
28 Of: geveegd.
   
26 τότε πορεύεται καὶ παραλαμβάνει ἑπτὰ ἕτερα πνεύματα πονηρότερα ἑαυτοῦ, καὶ εἰσελθόντα κατοικεῖ ἐκεῖ· καὶ γίνεται τὰ ἔσχατα τοῦ ἀνθρώπου ἐκείνου χείρονα τῶν πρώτων. 26 Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hij zelf is; en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; len het laatste van dien mens wordt erger dan het eerste.
l Joh. 5:14. Hebr. 6:4, 5; 10:26. 2 Petr. 2:20. verwijsteksten
  
De ware zaligheid
27 Ἐγένετο δὲ ἐν τῷ λέγειν αὐτὸν ταῦτα, ἐπάρασά τις γυνὴ φωνὴν ἐκ τοῦ ὄχλου εἶπεν αὐτῷ, Μακαρία ἡ κοιλία ἡ βαστάσασά σε, καὶ μαστοὶ οὓς ἐθήλασας. 27 En het geschiedde als Hij deze dingen sprak, dat een zekere vrouw de stem verheffende uit de schare, tot Hem zeide: Zalig is de buik die U gedragen heeft, en de borsten die Gij hebt gezogen.
28 αὐτὸς δὲ εἶπε, Μενοῦνγε μακάριοι οἱ ἀκούοντες τὸν λόγον τοῦ Θεοῦ καὶ φυλάσσοντες αὐτόν. 28 Maar Hij zeide: m29Ja, zalig zijn degenen die het Woord Gods horen en hetzelve bewaren.
m Matth. 7:21. Joh. 6:29. Rom. 2:13. verwijsteksten
29 Christus ontkent hier niet dat Zijn moeder zalig is, maar leert dat haar en anderer zaligheid niet voortkomt uit vleselijke geboorte, maar door het gehoor van het Woord Gods, met waar geloof aangenomen.
  
Het teken van Jona
29 Τῶν δὲ ὄχλων ἐπαθροιζομένων ἤρξατο λέγειν, Ἡ γενεὰ αὕτη πονηρά ἐστι· σημεῖον ἐπιζητεῖ, καὶ σημεῖον οὐ δοθήσεται αὐτῇ, εἰ μὴ τὸ σημεῖον Ἰωνᾶ τοῦ προφήτου. 29 En als de scharen dicht bijeenvergaderden, begon Hij te zeggen: Dit is een boos geslacht; het verzoekt een teken, en hun zal geen teken gegeven worden dan nhet teken van Jona, den profeet.
n Jona 1:17; 2:10. verwijsteksten
   
30 καθὼς γὰρ ἐγένετο Ἰωνᾶς σημεῖον τοῖς Νινευΐταις, οὕτως ἔσται καὶ ὁ Υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου τῇ γενεᾷ ταύτῃ. 30 Want 30gelijk Jona voor de Ninevieten een teken geweest is, alzo zal ook de Zoon des mensen zijn voor dit geslacht.
30 Zie hiervan de verklaring van Christus Zelven, Matth. 12:40. verwijsteksten
   
31 βασίλισσα νότου ἐγερθήσεται ἐν τῇ κρίσει μετὰ τῶν ἀνδρῶν τῆς γενεᾶς ταύτης, καὶ κατακρινεῖ αὐτούς· ὅτι ἦλθεν ἐκ τῶν περάτων τῆς γῆς ἀκοῦσαι τὴν σοφίαν Σολομῶντος, καὶ ἰδού, πλεῖον Σολομῶντος ὧδε. 31 De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met de mannen van dit geslacht en zal hen 31veroordelen; owant zij is gekomen 32van de einden der aarde, om te horen de wijsheid van Sálomo; en zie, 33meer dan Sálomo is hier.
31 Namelijk door haar voorbeeld.
o 1 Kon. 10:1. 2 Kron. 9:1. Matth. 12:42. verwijsteksten
32 Gr. uit.
33 Dat is, Een Die voortreffelijker is dan Salomo, zo van Persoon als van ambt.
   
32 ἄνδρες Νινευῒ ἀναστήσονται ἐν τῇ κρίσει μετὰ τῆς γενεᾶς ταύτης, καὶ κατακρινοῦσιν αὐτήν· ὅτι μετενόησαν εἰς τὸ κήρυγμα Ἰωνᾶ, καὶ ἰδού, πλεῖον Ἰωνᾶ ὧδε. 32 De mannen van Ninevé zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht en zullen hetzelve veroordelen; pwant zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona; en zie, meer dan Jona is hier.
p Jona 3:5. verwijsteksten
  
De kaars des lichaams
33 Οὐδεὶς δὲ λύχνον ἅψας εἰς *κρυπτὸν τίθησιν, οὐδὲ ὑπὸ τὸν μόδιον, ἀλλ’ ἐπὶ τὴν λυχνίαν, ἵνα οἱ εἰσπορευόμενοι τὸ φέγγος βλέπωσιν.
* κρυπτὸν St, B, Elz-1633, Sc | κρυπτὴν Elz-1624, M
33 qEn niemand die een kaars ontsteekt, zet die in het verborgene, noch onder een korenmaat, maar op een kandelaar, opdat degenen die inkomen, 34het licht zien mogen.
q Matth. 5:15. Mark. 4:21. Luk. 8:16. verwijsteksten
34 Gr. het schijnsel.
   
34 ὁ λύχνος τοῦ σώματός ἐστιν ὁ ὀφθαλμός· ὅταν οὖν ὁ ὀφθαλμός σου ἁπλοῦς ᾖ, καὶ ὅλον τὸ σῶμά σου φωτεινόν ἐστιν· ἐπὰν δὲ πονηρὸς ᾖ, καὶ τὸ σῶμά σου σκοτεινόν. 34 rDe kaars des lichaams is het oog; wanneer dan uw oog eenvoudig is, zo is ook uw gehele lichaam 35verlicht; maar zo het boos is, zo is ook uw gehele lichaam duister.
r Matth. 6:22. verwijsteksten
35 Of: luchtig. Zie Matth. 6:22. verwijsteksten
   
35 σκόπει οὖν μὴ τὸ φῶς τὸ ἐν σοὶ σκότος ἐστίν. 35 36Zie dan toe dat niet het licht hetwelk in u is, duisternis zij.
36 Of: Zie dan of niet het licht hetwelk in u is, duisternis zij.
   
36 εἰ οὖν τὸ σῶμά σου ὅλον φωτεινόν, μὴ ἔχον τι μέρος σκοτεινόν, ἔσται φωτεινὸν ὅλον, ὡς ὅταν ὁ λύχνος τῇ ἀστραπῇ φωτίζῃ σε. 36 Indien dan uw lichaam geheel verlicht is, niet hebbende enig deel dat duister is, zo zal het 37geheel verlicht zijn, gelijk wanneer de kaars met het schijnsel u verlicht.
37 Namelijk wat van u gedaan wordt, of voortkomt.
  
Het wee over de farizeeën
37 Ἐν δὲ τῷ λαλῆσαι, ἠρώτα αὐτὸν Φαρισαῖός τις ὅπως ἀριστήσῃ παρ’ αὐτῷ· εἰσελθὼν δὲ ἀνέπεσεν. 37 Als Hij nu dit sprak, 38bad Hem een zeker farizeeër dat Hij bij hem het middagmaal wilde eten; en ingegaan zijnde, zat Hij aan.
38 Gr. vraagde Hem.
   
38 ὁ δὲ Φαρισαῖος ἰδὼν ἐθαύμασεν ὅτι οὐ πρῶτον ἐβαπτίσθη πρὸ τοῦ ἀρίστου. 38 En de farizeeër dat ziende, verwonderde zich sdat Hij niet eerst vóór het middagmaal Zich 39gewassen had.
s Mark. 7:3. verwijsteksten
39 Gr. gedoopt ware. Zie Mark. 7:4. verwijsteksten
   
39 εἶπε δὲ ὁ Κύριος πρὸς αὐτόν, Νῦν ὑμεῖς οἱ Φαρισαῖοι τὸ ἔξωθεν τοῦ ποτηρίου καὶ τοῦ πίνακος καθαρίζετε, τὸ δὲ ἔσωθεν ὑμῶν γέμει ἁρπαγῆς καὶ πονηρίας. 39 En de Heere zeide tot hem: tNu gij farizeeën, gij reinigt het buitenste des drinkbekers en des schotels; vmaar 40het binnenste van u is vol van roof en boosheid.
t Matth. 23:25. verwijsteksten
v Tit. 1:15. verwijsteksten
40 Hetwelk verstaan kan worden óf van de harten der farizeeën, óf van hun schotels; gelijk uitgedrukt staat Matth. 23:25. verwijsteksten
   
40 ἄφρονες, οὐχ ὁ ποιήσας τὸ ἔξωθεν καὶ τὸ ἔσωθεν ἐποίησε; 40 Gij onverstandigen; Die het buitenste heeft gemaakt, heeft Hij ook niet het binnenste gemaakt?
41 πλὴν τὰ ἐνόντα δότε ἐλεημοσύνην· καὶ ἰδού, πάντα καθαρὰ ὑμῖν ἐστιν. 41 xDoch geeft tot aalmoezen hetgeen 41daarin is; en zie, 42alles is u rein.
x Jes. 58:7. Dan. 4:27. Luk. 12:33. verwijsteksten
41 Namelijk in den schotel, of: hetgeen gij hebt, gelijk Luk. 19:8, of: hetgeen in u is, dat is, verandert uw onrechtvaardigheid in gerechtigheid en weldadigheid jegens de armen; gelijk Dan. 4:27. verwijsteksten
42 Dat is, dan zult gij de spijze en drank met goede consciëntie en dankzegging gebruiken mogen, 1 Tim. 4:4. Tit. 1:15. Anders: zal u rein zijn. verwijsteksten
   
42 Ἀλλ’ οὐαὶ ὑμῖν τοῖς Φαρισαίοις, ὅτι ἀποδεκατοῦτε τὸ ἡδύοσμον καὶ τὸ πήγανον καὶ πᾶν λάχανον, καὶ παρέρχεσθε τὴν κρίσιν καὶ τὴν ἀγάπην τοῦ Θεοῦ· ταῦτα ἔδει ποιῆσαι, κἀκεῖνα μὴ ἀφιέναι. 42 yMaar wee u, farizeeën, want gij 43vertiendt munte en ruit en 44alle moeskruid, en zgij gaat voorbij 45het oordeel en de liefde Gods. Dit moest men doen en het andere niet nalaten.
y Matth. 23:23. verwijsteksten
43 Zie Matth. 23:23. verwijsteksten
44 Dat is, allerlei.
z 1 Sam. 15:22. Hos. 6:6. Micha 6:8. Matth. 9:13; 12:7. verwijsteksten
45 Dat is, gerechtigheid en billijkheid jegens uw naaste.
   
43 οὐαὶ ὑμῖν τοῖς Φαρισαίοις, ὅτι ἀγαπᾶτε τὴν πρωτοκαθεδρίαν ἐν ταῖς συναγωγαῖς, καὶ τοὺς ἀσπασμοὺς ἐν ταῖς ἀγοραῖς. 43 aWee u, farizeeën, want gij bemint 46het voorgestoelte in de synagogen, en de begroetingen op de markten.
a Matth. 23:6. Mark. 12:38. Luk. 20:46. verwijsteksten
46 Of: voorste zitting.
   
44 οὐαὶ ὑμῖν, γραμματεῖς καὶ Φαρισαῖοι, ὑποκριταί, ὅτι ἐστὲ ὡς τὰ μνημεῖα τὰ ἄδηλα, καὶ οἱ ἄνθρωποι οἱ περιπατοῦντες ἐπάνω οὐκ οἴδασιν. 44 bWee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden; want gij zijt gelijk den graven die 47niet openbaar zijn, en de mensen die daarover wandelen, 48weten het niet.
b Matth. 23:27. verwijsteksten
47 Of: verborgen, namelijk in de aarde.
48 Of: kennen ze niet.
   
45 Ἀποκριθεὶς δέ τις τῶν νομικῶν λέγει αὐτῷ, Διδάσκαλε, ταῦτα λέγων καὶ ἡμᾶς ὑβρίζεις. 45 En een van de 49wetgeleerden antwoordende zeide tot Hem: Meester, als Gij deze dingen zegt, zo doet Gij ook ons smaadheid aan.
49 De schriftgeleerden waren ook wel wetgeleerden, maar het schijnt dat onder dezelve enige waren die in wetenschap uitstaken, en die dezen naam bijzonderlijk voerden.
   
46 ὁ δὲ εἶπε, Καὶ ὑμῖν τοῖς νομικοῖς οὐαί, ὅτι φορτίζετε τοὺς ἀνθρώπους φορτία δυσβάστακτα, καὶ αὐτοὶ ἑνὶ τῶν δακτύλων ὑμῶν οὐ προσψαύετε τοῖς φορτίοις. 46 cDoch Hij zeide: Wee ook u, wetgeleerden, want gij belast de mensen met lasten zwaar om te dragen, en zelven raakt gij die lasten niet aan met één van uw vingers.
c Jes. 10:1. Matth. 23:4. Hand. 15:10. verwijsteksten
   
47 οὐαὶ ὑμῖν, ὅτι οἰκοδομεῖτε τὰ μνημεῖα τῶν προφητῶν, οἱ δὲ πατέρες ὑμῶν ἀπέκτειναν αὐτούς. 47 dWee u, want gij bouwt de graven der profeten, en uw vaders hebben dezelve gedood.
d Matth. 23:29. verwijsteksten
   
48 ἄρα μαρτυρεῖτε καὶ συνευδοκεῖτε τοῖς ἔργοις τῶν πατέρων ὑμῶν· ὅτι αὐτοὶ μὲν ἀπέκτειναν αὐτούς, ὑμεῖς δὲ οἰκοδομεῖτε αὐτῶν τὰ μνημεῖα. 48 Zo getuigt gij dan 50dat gij medebehagen hebt aan de werken uwer vaderen; want zij hebben hen gedood, en gij 51bouwt hun graven.
50 Gr. en gij hebt medebehagen.
51 Dat is, als gij hun graven opbouwt, zo toont gij daarmede dat gij rechte kinderen zijt dergenen die de profeten hebben gedood, Matth. 23:31. En hoewel gij daarmede wilt schijnen uwer vaderen daad te misprijzen, zo blijkt nochtans uit den haat en de wreedheid, die gij bewijst tegen de rechtzinnige leraars, dat gij daarin uw vaderen gelijk zijt; en zo gij in dien tijd geleefd hadt, dat gij hetzelfde ook aan de profeten zoudt hebben gedaan. verwijsteksten
   
49 διὰ τοῦτο καὶ ἡ σοφία τοῦ Θεοῦ εἶπεν, Ἀποστελῶ εἰς αὐτοὺς προφήτας καὶ ἀποστόλους, καὶ ἐξ αὐτῶν ἀποκτενοῦσι καὶ ἐκδιώξουσιν· 49 Waarom ook 52de Wijsheid Gods 53zegt: eIk zal profeten en apostelen tot hen zenden, en van die zullen zij sommigen doden, en sommigen zullen zij uitjagen;
52 Dit spreekt Christus van Zichzelven, alzo Hij de eeuwige Wijsheid des Vaders is, Spr. 8:1, 22. 1 Kor. 1:24. Gelijk blijkt uit Matth. 23:34. verwijsteksten
53 Of: heeft gezegd.
e Matth. 10:16. Luk. 10:3. Joh. 16:2. Hand. 7:51. Hebr. 11:35. verwijsteksten
   
50 ἵνα ἐκζητηθῇ τὸ αἷμα πάντων τῶν προφητῶν τὸ ἐκχυνόμενον ἀπὸ καταβολῆς κόσμου ἀπὸ τῆς γενεᾶς ταύτης, 50 Opdat van 54dit geslacht afgeëist worde het bloed van al de profeten, dat vergoten is van de grondlegging der wereld af;
54 Zie Matth. 23:35. verwijsteksten
   
51 ἀπὸ τοῦ αἵματος Ἄβελ ἕως τοῦ αἵματος Ζαχαρίου τοῦ ἀπολομένου μεταξὺ τοῦ θυσιαστηρίου καὶ τοῦ οἴκου· ναί, λέγω ὑμῖν, ἐκζητηθήσεται ἀπὸ τῆς γενεᾶς ταύτης. 51 fVan het bloed van Abel gtot het bloed van 55Zacharía, die gedood is tussen het altaar en 56het huis Gods; ja, zeg Ik u, het zal afgeëist worden van dit geslacht.
f Gen. 4:8. Hebr. 11:4. verwijsteksten
g 2 Kron. 24:21. verwijsteksten
55 Van dezen Zacharia zie Matth. 23:35. verwijsteksten
56 Dat is, den tempel, gelijk verklaard wordt Matth. 23:35. verwijsteksten
   
52 οὐαὶ ὑμῖν τοῖς νομικοῖς, ὅτι ᾔρατε τὴν κλεῖδα τῆς γνώσεως· αὐτοὶ οὐκ εἰσήλθετε, καὶ τοὺς εἰσερχομένους ἐκωλύσατε. 52 hWee u, gij wetgeleerden, want gij hebt 57den sleutel der kennis weggenomen; gij zelven zijt niet ingegaan, en die ingingen, hebt gij verhinderd.
h Matth. 23:13. verwijsteksten
57 Deze sleutel is de rechte verklaring van Gods Woord, waardoor den mensen de ingang tot den hemel geopend wordt, welke geweerd zijnde, zo wordt dezelve ingang als toegesloten. Zie Matth. 23:13. verwijsteksten
   
53 Λέγοντος δὲ αὐτοῦ ταῦτα πρὸς αὐτούς, ἤρξαντο οἱ γραμματεῖς καὶ οἱ Φαρισαῖοι δεινῶς ἐνέχειν, καὶ ἀποστοματίζειν αὐτὸν περὶ πλειόνων, 53 En als Hij deze dingen tot hen zeide, begonnen de schriftgeleerden en farizeeën 58hard aan te houden, en Hem van vele dingen 59te doen spreken;
58 Of: heftiglijk op Hem toeleggen.
59 Gr. uit den mond de woorden te halen.
   
54 ἐνεδρεύοντες αὐτόν, καὶ ζητοῦντες θηρεῦσαί τι ἐκ τοῦ στόματος αὐτοῦ, ἵνα κατηγορήσωσιν αὐτοῦ. 54 Hem lagen leggende, en zoekende iets uit Zijn mond te bejagen, opdat zij Hem beschuldigen mochten.

Einde Lukas 11