Statenvertaling.nl

codex alexandrinus

Mattheüs 23 – Griekse tekst en Statenvertaling

Op deze pagina wordt de Griekse tekst van het Nieuwe Testament en de Statenvertaling parallel weergegeven. De Griekse tekst is de reconstructie van de door de vertalers gevolgde tekst. Deze tekst is gebaseerd op de Textus Receptus edities van de 16e en begin 17e eeuw. De verschillen tussen de belangrijkste edities van de Textus Receptus zijn in noten vermeld (zie bijvoorbeeld Matth. 1:11, 23 en 2:11).
(Afkortingen in de noten: St=Stephanus 1550, 1551, B=Beza 1565 t/m 1604, Elz=Elzevir 1624, 1633, Sc=Scrivener 1881, M=Meerderheidstekst, edd=edities, kt=kanttekening.)

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
Weergave: Grieks en Statenvertaling zonder kanttekeningen
Grieks en Statenvertaling met kanttekeningen

Mattheüs 23

1 Christus vermaant Zijn toehoorders, dat zij zullen volgen hetgeen de schriftgeleerden en farizeeën uit Mozes hun leren, en niet hun werken. 5 Beschrijft derzelver geveinsdheid en eergierigheid. 8 En vermaant de Zijnen zich daarvan te wachten en naar nederigheid te staan. 13 Verkondigt het wee achtmaal over de farizeeën en schriftgeleerden, om verscheidene van hun boze stukken, als namelijk dat zij den hemel sloten voor de mensen. 14 Der weduwen huizen opaten. 15 Kwade Jodengenoten maakten. 16 Verkeerdelijk leerden zweren bij den tempel, het altaar en den hemel. 23 Kleine dingen vertiendden en het zwaarste van de wet nalieten. 25 Dat zij het buitenste reinigden en niet het hart. 27 Den gewitten graven gelijk zijnde. 29 Dat zij de graven der oude profeten opbouwden, en de nieuwe zochten te doden. 37 Klaagt over de hardnekkigheid der stad Jeruzalem en voorzegt haar ondergang.
  
Het wee over de farizeeën
1 Τότε ὁ Ἰησοῦς ἐλάλησε τοῖς ὄχλοις καὶ τοῖς μαθηταῖς αὐτοῦ, 1 TOEN sprak Jezus tot de scharen en tot Zijn discipelen,
2 λέγων, Ἐπὶ τῆς Μωσέως καθέδρας ἐκάθισαν οἱ γραμματεῖς καὶ οἱ Φαρισαῖοι· 2 Zeggende: aDe schriftgeleerden en de farizeeën 1zijn gezeten op den stoel van Mozes;
a Neh. 8:4. verwijsteksten
1 Dat is, zij zijn daartoe geroepen en gesteld om de wet van Mozes het volk voor te lezen en te verklaren, Hand. 13:15; 15:21. verwijsteksten
   
3 πάντα οὖν ὅσα ἂν εἴπωσιν ὑμῖν τηρεῖν, τηρεῖτε καὶ ποιεῖτε· κατὰ δὲ τὰ ἔργα αὐτῶν μὴ ποιεῖτε, λέγουσι γὰρ καὶ οὐ ποιοῦσι. 3 bDaarom, 2al wat zij u zeggen dat gij houden zult, houdt dat en doet het; maar doet niet naar hun werken; cwant zij zeggen het, en doen het niet.
b Deut. 17:19. Mal. 2:6. verwijsteksten
2 Namelijk uit de wet van Mozes en de Profeten; want anderszins hetgeen zij daartegen of -buiten leerden, noemt Christus den zuurdesem der farizeeën, en vermaant Zijn discipelen zich daarvan te wachten, Matth. 16:6, 12. verwijsteksten
c Rom. 2:19. verwijsteksten
   
4 δεσμεύουσι γὰρ φορτία βαρέα καὶ δυσβάστακτα, καὶ ἐπιτιθέασιν ἐπὶ τοὺς ὤμους τῶν ἀνθρώπων, τῷ δὲ δακτύλῳ αὐτῶν οὐ θέλουσι κινῆσαι αὐτά. 4 dWant zij 3binden lasten die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouders der mensen; maar zij willen die met hun vinger niet verroeren.
d Jes. 10:1. Luk. 11:46. Hand. 15:10. verwijsteksten
3 Een gelijkenis genomen van bussels of pakken van verscheidene dingen die men samenbindt om iemand op de schouders te leggen om te dragen.
   
5 πάντα δὲ τὰ ἔργα αὐτῶν ποιοῦσι πρὸς τὸ θεαθῆναι τοῖς ἀνθρώποις· πλατύνουσι δὲ τὰ φυλακτήρια αὐτῶν, καὶ μεγαλύνουσι τὰ κράσπεδα τῶν ἱματίων αὐτῶν· 5 En al hun werken doen zij eom van de mensen gezien te worden; want zij maken fhun 4gedenkcedels breed, en maken de 5zomen van hun klederen groot.
e Matth. 6:5. verwijsteksten
f Deut. 6:8; 22:12. verwijsteksten
4 Gr. phylacteria, dat is, bewaarcedels, welke waren briefjes of cedeltjes van perkament, waarop de wet Gods of enig deel derzelve geschreven stond, die zij aan hun voorhoofden en armen bonden, om te schijnen de gedachtenis der wet altijd voor ogen te hebben, en meenden daarin te volgen hetgeen God beveelt Ex. 13:9, 16. Deut. 6:8. verwijsteksten
5 Dit waren franjes met blauwe snoertjes aan de hoeken van de opperste klederen, die zij volgens de wet, Num. 15:38. Deut. 22:12, moesten dragen om daardoor te gedenken aan de hemelse leer der wet. verwijsteksten
   
6 φιλοῦσί τε τὴν πρωτοκλισίαν ἐν τοῖς δείπνοις, καὶ τὰς πρωτοκαθεδρίας ἐν ταῖς συναγωγαῖς, 6 gEn zij beminnen de vooraanzitting in de maaltijden en de voorgestoelten in de synagogen,
g Mark. 12:38, 39. Luk. 11:43; 20:46. verwijsteksten
   
7 καὶ τοὺς ἀσπασμοὺς ἐν ταῖς ἀγοραῖς, καὶ καλεῖσθαι ὑπὸ τῶν ἀνθρώπων, ῥαββί, ῥαββί· 7 Ook de begroetingen op de markten, en van de mensen hgenaamd te worden: 6Rabbi, rabbi.
h Jak. 3:1. verwijsteksten
6 Dit is een Hebreeuws woord, betekenende iemand die in geleerdheid en aanzien uitsteekt, en meer is dan anderen, dat is: Meester, meester.
   
8 ὑμεῖς δὲ μὴ κληθῆτε ῥαββί· εἷς γάρ ἐστιν ὑμῶν ὁ καθηγητής, ὁ Χριστός· πάντες δὲ ὑμεῖς ἀδελφοί ἐστε. 8 Doch gij zult niet 7rabbi genaamd worden; want Eén is uw 8Meester, namelijk Christus; en gij zijt allen broeders;
7 Het gebruik van deze, alsook van de volgende titels, wordt niet zonder meer verboden, want dezelve worden den profeten en apostelen somtijds wel toegeschreven, maar de ijdele eer en heerschappij of meesterschap over het geloof en de consciëntie van anderen, die zij daarin zochten, vers 11. verwijsteksten
8 Gr. Voorganger, Leidsman, of Leidsmeester. Want Hij alleen is de enige Wetgever en onze opperste Profeet, Die in zaken het geloof en den godsdienst aangaande, alleen moet gehoord en gevolgd worden, Matth. 17:5, en Die den weg der zaligheid niet alleen aanwijst, maar ook Zelf met Zijn voorbeeld volmaaktelijk voorgaat, Hebr. 2:10; 12:2. verwijsteksten
   
9 καὶ πατέρα μὴ καλέσητε ὑμῶν ἐπὶ τῆς γῆς· εἷς γάρ ἐστιν ὁ Πατὴρ ὑμῶν, ὁ ἐν τοῖς οὐρανοῖς. 9 En zult niemand uw vader noemen op de aarde; iwant 9Eén is uw Vader, namelijk Die in de hemelen is.
i Mal. 1:6. verwijsteksten
9 Overmits wij van Hem alleen ons wezen en onze onderhouding naar lichaam en ziel oorspronkelijk hebben, van Hem alleen alle goeds moeten verwachten en op Hem alleen vertrouwen.
   
10 μηδὲ κληθῆτε καθηγηταί· εἷς γὰρ ὑμῶν ἐστιν ὁ καθηγητής, ὁ Χριστός. 10 En gij zult niet meesters genoemd worden; want 10Eén is uw Meester, namelijk Christus.
10 Dat is, voorganger. Zie vers 8. verwijsteksten
   
11 ὁ δὲ μείζων ὑμῶν ἔσται ὑμῶν διάκονος. 11 kMaar de 11meeste van u zal uw dienaar zijn.
k Matth. 20:26. verwijsteksten
11 Gr. meerder, of: groter.
   
12 ὅστις δὲ ὑψώσει ἑαυτόν, ταπεινωθήσεται· καὶ ὅστις ταπεινώσει ἑαυτόν, ὑψωθήσεται. 12 lEn wie zichzelven verhogen zal, die zal vernederd worden; en wie zichzelven zal vernederen, die zal verhoogd worden.
l Job 22:29. Spr. 29:23. Luk. 14:11; 18:14. Jak. 4:6, 10. 1 Petr. 5:5. verwijsteksten
   
13 Οὐαὶ δὲ ὑμῖν, γραμματεῖς καὶ Φαρισαῖοι, ὑποκριταί, ὅτι *κλείετε τὴν βασιλείαν τῶν οὐρανῶν ἔμπροσθεν τῶν ἀνθρώπων· ὑμεῖς γὰρ οὐκ εἰσέρχεσθε, οὐδὲ τοὺς εἰσερχομένους ἀφίετε εἰσελθεῖν.
* κλείετε ... εἰσελθεῖν St-1551, B, Elz, Sc, M | κατεσθίετε ... κρίμα St-1550 (zie ook vs. 14)
13 mMaar wee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden; want gij sluit het Koninkrijk der hemelen voor de mensen, overmits gij daar niet ingaat en 12degenen die ingaan zouden, niet laat ingaan.
m Luk. 11:52. verwijsteksten
12 Of: de ingaanden, dat is, die op den weg zijn om de leer des Evangelies aan te nemen, belet gij, zoveel in u is, dat zij niet voortgaan.
   
14 Οὐαὶ ὑμῖν, γραμματεῖς καὶ Φαρισαῖοι, ὑποκριταί, ὅτι *κατεσθίετε τὰς οἰκίας τῶν χηρῶν, καὶ προφάσει μακρὰ προσευχόμενοι· διὰ τοῦτο λήψεσθε περισσότερον κρίμα.
* κατεσθίετε ... κρίμα St-1551, B, Elz, Sc, M | κλείετε ... εἰσελθεῖν St-1550 (zie ook vs. 13)
14 nWee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden; want gij eet de huizen der weduwen op, en dat onder 13den schijn 14van lang te bidden; daarom zult gij te 15zwaarder oordeel ontvangen.
n Mark. 12:40. Luk. 20:47. 2 Tim. 3:6. Tit. 1:11. verwijsteksten
13 Of: dekmantel.
14 Dat is, onder schijn van devotie en voor haar te bidden, berooft gij haar van haar middelen. Zie ook 2 Tim. 3:6. Of: onder een schijn of tot een dekmantel zijt gij lang biddende. verwijsteksten
15 Gr. overvloediger.
   
15 Οὐαὶ ὑμῖν, γραμματεῖς καὶ Φαρισαῖοι, ὑποκριταί, ὅτι περιάγετε τὴν θάλασσαν καὶ τὴν ξηρὰν ποιῆσαι ἕνα προσήλυτον, καὶ ὅταν γένηται, ποιεῖτε αὐτὸν υἱὸν γεέννης διπλότερον ὑμῶν. 15 Wee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden; want gij omreist zee en 16land om één 17Jodengenoot te maken; en als hij het geworden is, zo maakt gij hem een 18kind der hel, tweemaal meer dan gij zijt.
16 Gr. het droge, Gen. 1:10. verwijsteksten
17 Gr. proselyton, dat is, een aankomeling, die namelijk van de heidense religie zich begeeft tot de Joodse, gelijk daar was Nikolaüs, een aankomeling van Antiochië, Hand. 6:5. Zie 1 Kron. 2:55. Ez. 14:7. Hand. 2:10. verwijsteksten
18 Gr. zoon. Dat is, waardig de helse verdoemenis, 2 Sam. 12:5. verwijsteksten
   
16 Οὐαὶ ὑμῖν, ὁδηγοὶ τυφλοί, οἱ λέγοντες, Ὃς ἂν ὀμόσῃ ἐν τῷ ναῷ, οὐδέν ἐστιν· ὃς δ’ ἂν ὀμόσῃ ἐν τῷ χρυσῷ τοῦ ναοῦ, ὀφείλει. 16 Wee u, gij blinde leidslieden, die zegt: Zo wie gezworen zal hebben bij den tempel, 19dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij het goud des tempels, 20die is schuldig.
19 Dat is, dat geldt niet, of die is niet gehouden te betalen hetgeen hij met zulken eed beloofd heeft.
20 Dat is, die is gehouden te betalen zijn belofte.
   
17 μωροὶ καὶ τυφλοί· τίς γὰρ μείζων ἐστίν, ὁ χρυσός, ἢ ὁ ναὸς ὁ ἁγιάζων τὸν χρυσόν; 17 21Gij dwazen en blinden; want wat is meerder, het goud, of de tempel die het goud heiligt?
21 Christus keurt hiermede niet goed de eden bij de creaturen gedaan, maar toont alleen hoe verkeerdelijk zij daarvan oordeelden en de consciënties der mensen kwalijk onderrichtten.
   
18 καί, Ὃς ἐὰν ὀμόσῃ ἐν τῷ θυσιαστηρίῳ, οὐδέν ἐστιν· ὃς δ’ ἂν ὀμόσῃ ἐν τῷ δώρῳ τῷ ἐπάνω αὐτοῦ, ὀφείλει. 18 En: Zo wie gezworen zal hebben bij het altaar, dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij 22de gave die daarop is, die is schuldig.
22 Dat is, offerande. Zie Matth. 5:24. verwijsteksten
   
19 μωροὶ καὶ τυφλοί· τί γὰρ μεῖζον, τὸ δῶρον, ἢ τὸ θυσιαστήριον τὸ ἁγιάζον τὸ δῶρον; 19 Gij dwazen en blinden; want wat is meerder, de gave, of ohet altaar dat de gave heiligt?
o Ex. 29:37. verwijsteksten
   
20 ὁ οὖν ὀμόσας ἐν τῷ θυσιαστηρίῳ ὀμνύει ἐν αὐτῷ καὶ ἐν πᾶσι τοῖς ἐπάνω αὐτοῦ· 20 Daarom, wie zweert bij het altaar, die zweert bij hetzelve en bij al wat daarop is.
21 καὶ ὁ ὀμόσας ἐν τῷ ναῷ ὀμνύει ἐν αὐτῷ καὶ ἐν τῷ κατοικοῦντι αὐτόν· 21 pEn wie zweert bij den tempel, die zweert bij denzelven en bij Dien 23Die daarin woont.
p 1 Kon. 8:13. 2 Kron. 6:1, 2. verwijsteksten
23 Of: Die denzelven bewoont. Hoe God in den tempel woont, zie 1 Kon. 8:27. verwijsteksten
   
22 καὶ ὁ ὀμόσας ἐν τῷ οὐρανῷ ὀμνύει ἐν τῷ θρόνῳ τοῦ Θεοῦ καὶ ἐν τῷ καθημένῳ ἐπάνω αὐτοῦ. 22 qEn wie zweert bij den hemel, die zweert bij den troon Gods en bij Dien Die daarop zit.
q 2 Kron. 6:33. Jes. 66:1. Matth. 5:34. Hand. 7:49. verwijsteksten
   
23 Οὐαὶ ὑμῖν, γραμματεῖς καὶ Φαρισαῖοι, ὑποκριταί, ὅτι ἀποδεκατοῦτε τὸ ἡδύοσμον καὶ τὸ ἄνηθον καὶ τὸ κύμινον, καὶ ἀφήκατε τὰ βαρύτερα τοῦ νόμου, τὴν κρίσιν καὶ τὸν ἔλεον καὶ τὴν πίστιν· ταῦτα ἔδει ποιῆσαι, κἀκεῖνα μὴ ἀφιέναι. 23 rWee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden; want gij 24vertiendt 25de munte en de dille en den komijn, sen gij laat na 26het zwaarste der wet, namelijk 27het oordeel en 28de barmhartigheid en 29het geloof. tDeze dingen moest men doen en de andere niet nalaten.
r Luk. 11:42. verwijsteksten
24 Dat is, tienden geeft, of leert dat men daarvan tienden moet geven.
25 Het Griekse woord hedyosmos heeft zijn naam van zoet of wel rieken.
s 1 Sam. 15:22. Hos. 6:6. Micha 6:8. verwijsteksten
26 Dat is, de gewichtigste stukken.
27 Dat is, hetgeen dat recht en billijk is.
28 Dat is, de werken der liefde.
29 Dat is, getrouwheid in alle handelingen met de mensen.
t Matth. 9:13; 12:7. verwijsteksten
   
24 ὁδηγοὶ τυφλοί, οἱ διϋλίζοντες τὸν κώνωπα, τὴν δὲ κάμηλον καταπίνοντες. 24 Gij blinde leidslieden, die 30de mug uitzijgt en den kemel doorzwelgt.
30 Of: een mug uitzeeft en een kemel doordrinkt. Dit is een gemeen spreekwoord tegen degenen die in het kleine nauw zien en het grote niet achten.
   
25 Οὐαὶ ὑμῖν, γραμματεῖς καὶ Φαρισαῖοι, ὑποκριταί, ὅτι καθαρίζετε τὸ ἔξωθεν τοῦ ποτηρίου καὶ τῆς παροψίδος, ἔσωθεν δὲ γέμουσιν ἐξ ἁρπαγῆς καὶ ἀκρασίας. 25 vWee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden; want gij reinigt het buitenste des drinkbekers en des schotels, maar vanbinnen zijn zij vol 31van roof en onmatigheid.
v Luk. 11:39. verwijsteksten
31 Dat is, vol van spijze en drank met onrechtvaardigheid verkregen en met onmatigheid gebruikt.
   
26 Φαρισαῖε τυφλέ, καθάρισον πρῶτον τὸ ἐντὸς τοῦ ποτηρίου καὶ τῆς παροψίδος, ἵνα γένηται καὶ τὸ ἐκτὸς αὐτῶν καθαρόν. 26 Gij blinde farizeeër, 32reinig eerst xwat binnen in den drinkbeker en den schotel is, opdat ook het buitenste derzelve rein worde.
32 Dat is, laat af van onrechtvaardigheid en onmatigheid, waardoor uw spijze en drank ontreinigd was, zo zullen uw schotels en drinkbekers ook rein zijn.
x Tit. 1:15. verwijsteksten
   
27 Οὐαὶ ὑμῖν, γραμματεῖς καὶ Φαρισαῖοι, ὑποκριταί, ὅτι παρομοιάζετε τάφοις κεκονιαμένοις, οἵτινες ἔξωθεν μὲν φαίνονται ὡραῖοι, ἔσωθεν δὲ γέμουσιν ὀστέων νεκρῶν καὶ πάσης ἀκαθαρσίας. 27 Wee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden; want gij zijt yden witgepleisterden graven gelijk, die vanbuiten wel schoon schijnen, maar vanbinnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinheid.
y Hand. 23:3. verwijsteksten
   
28 οὕτω καὶ ὑμεῖς ἔξωθεν μὲν φαίνεσθε τοῖς ἀνθρώποις δίκαιοι, ἔσωθεν δὲ μεστοί ἐστε ὑποκρίσεως καὶ ἀνομίας. 28 Alzo ook schijnt gij wel den mensen vanbuiten rechtvaardig, maar vanbinnen zijt gij vol geveinsdheid en ongerechtigheid.
29 Οὐαὶ ὑμῖν, γραμματεῖς καὶ Φαρισαῖοι, ὑποκριταί, ὅτι οἰκοδομεῖτε τοὺς τάφους τῶν προφητῶν, καὶ κοσμεῖτε τὰ μνημεῖα τῶν δικαίων, 29 zWee u, gij schriftgeleerden en farizeeën, gij geveinsden; want gij bouwt de graven der profeten op en versiert de 33graftekenen der rechtvaardigen,
z Luk. 11:47. verwijsteksten
33 Dat is, de gebouwen die over de graven boven de aarde tot gedachtenis der overledenen opgericht worden, die men tomben noemt.
   
30 καὶ λέγετε, Εἰ ἦμεν ἐν ταῖς ἡμέραις τῶν πατέρων ἡμῶν, οὐκ ἂν ἦμεν κοινωνοὶ αὐτῶν ἐν τῷ αἵματι τῶν προφητῶν. 30 En zegt: Indien wij 34ten tijde onzer vaderen waren geweest, wij zouden met hen geen gemeenschap gehad hebben 35aan het bloed der profeten.
34 Gr. in de dagen.
35 Gr. in het bloed, dat is, in het bloedvergieten of doden.
   
31 ὥστε μαρτυρεῖτε ἑαυτοῖς ὅτι υἱοί ἐστε τῶν φονευσάντων τοὺς προφήτας· 31 Aldus getuigt gij tegen uzelven, adat gij 36kinderen zijt dergenen die de profeten gedood hebben.
a Hand. 7:51. 1 Thess. 2:15. verwijsteksten
36 Gr. zonen.
   
32 καὶ ὑμεῖς πληρώσατε τὸ μέτρον τῶν πατέρων ὑμῶν. 32 Gij dan ook, 37vervult de maat uwer vaderen.
37 Dat is, gaat zo vrij voort, volgt en voleindigt uwer vaderen boosheid in het doden der profeten, totdat u de verdiende straf zal overkomen.
   
33 ὄφεις, γεννήματα ἐχιδνῶν, πῶς φύγητε ἀπὸ τῆς κρίσεως τῆς γεέννης; 33 bGij 38slangen, gij adderengebroedsels, hoe zoudt gij de 39helse verdoemenis ontvlieden?
b Matth. 3:7. verwijsteksten
38 Zie Rom. 3:13, enz. verwijsteksten
39 Gr. het oordeel der hel.
   
34 διὰ τοῦτο, ἰδού, ἐγὼ ἀποστέλλω πρὸς ὑμᾶς προφήτας καὶ σοφοὺς καὶ γραμματεῖς· καὶ ἐξ αὐτῶν ἀποκτενεῖτε καὶ σταυρώσετε, καὶ ἐξ αὐτῶν μαστιγώσετε ἐν ταῖς συναγωγαῖς ὑμῶν καὶ διώξετε ἀπὸ πόλεως εἰς πόλιν· 34 cDaarom, zie, dIk zend tot u profeten en wijzen en 40schriftgeleerden, en uit dezelve zult gij sommigen doden en kruisigen, en sommigen uit dezelve zult egij geselen in uw synagogen, en zult hen vervolgen van stad tot stad;
c Luk. 11:49. verwijsteksten
d Matth. 10:16. Luk. 10:3. Joh. 16:2. Hand. 7:52. verwijsteksten
40 Dit woord wordt hier genomen voor oprechte leraars, hoedanig schriftgeleerde Ezra is geweest, Ezra 7:6. Matth. 13:52. verwijsteksten
e Matth. 10:17. Hand. 5:40. verwijsteksten
   
35 ὅπως ἔλθῃ ἐφ’ ὑμᾶς πᾶν αἷμα δίκαιον ἐκχυνόμενον ἐπὶ τῆς γῆς, ἀπὸ τοῦ αἵματος Ἄβελ τοῦ δικαίου, ἕως τοῦ αἵματος Ζαχαρίου υἱοῦ Βαραχίου, ὃν ἐφονεύσατε μεταξὺ τοῦ ναοῦ καὶ τοῦ θυσιαστηρίου. 35 Opdat op u kome al het rechtvaardige 41bloed, dat vergoten is op de aarde, fvan het bloed des rechtvaardigen Abels af, tot op ghet bloed van Zacharía, den zoon van 42Baráchia, welken gij gedood hebt tussen den tempel en het altaar.
41 Dat is, de straffen om al het bloedvergieten der rechtvaardigen, gelijk Matth. 27:25. Want de kinderen die het kwade voorbeeld van de misdaden hunner ouders volgden, worden derzelver zonde en straf deelachtig, Ex. 20:5. verwijsteksten
f Gen. 4:8. Hebr. 11:4. verwijsteksten
g 2 Kron. 24:21. verwijsteksten
42 Deze wordt ook Johanan genaamd, 1 Kron. 6:9, en Jojada, 2 Kron. 24:22, en hier Barachia. Deze Zacharia is een van de laatste profeten geweest, wiens dood of vermoorden in het Oude Testament met name verhaald wordt, en wiens bloed, gelijk ook het bloed van Abel, tot God om wraak geroepen heeft. verwijsteksten
   
36 ἀμὴν λέγω ὑμῖν, ἥξει ταῦτα πάντα ἐπὶ τὴν γενεὰν ταύτην. 36 Voorwaar zeg Ik u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht.
  
Het oordeel over Jeruzalem
37 Ἱερουσαλήμ, Ἱερουσαλήμ, ἡ ἀποκτείνουσα τοὺς προφήτας καὶ λιθοβολοῦσα τοὺς ἀπεσταλμένους πρὸς αὐτήν, ποσάκις ἠθέλησα ἐπισυναγαγεῖν τὰ τέκνα σου, ὃν τρόπον ἐπισυνάγει ὄρνις τὰ νοσσία ἑαυτῆς ὑπὸ τὰς πτέρυγας, καὶ οὐκ ἠθελήσατε. 37 hJeruzalem, Jeruzalem, gij die de profeten doodt, en istenigt die tot u gezonden zijn, khoe menigmaal heb Ik 43uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen, en gijlieden 44hebt niet gewild.
h Luk. 13:34. verwijsteksten
i Matth. 21:35, 36. verwijsteksten
k Ps. 17:8; 91:4. verwijsteksten
43 Dat is, uw inwoners.
44 Dat is, gij hebt zulks altijd gezocht te verhinderen, zie vers 13, en nochtans heeft Christus huns ondanks al de Zijnen uit hen vergaderd, Jes. 1:8. Rom. 9:29. verwijsteksten
   
38 ἰδού, ἀφίεται ὑμῖν ὁ οἶκος ὑμῶν ἔρημος. 38 lZie, uw huis 45wordt u woest gelaten.
l Ps. 69:26. Jes. 1:7. Jer. 7:34. Micha 3:12. Hand. 1:20. verwijsteksten
45 Dat is, zal verwoest worden en verwoest blijven; hetwelk omtrent veertig jaren daarna door de Romeinen geschied is.
   
39 λέγω γὰρ ὑμῖν, Οὐ μή με ἴδητε ἀπ’ ἄρτι, ἕως ἂν εἴπητε, Εὐλογημένος ὁ ἐρχόμενος ἐν ὀνόματι Κυρίου. 39 Want Ik zeg u: Gij zult Mij van nu aan niet zien, 46totdat gij zeggen zult: mGezegend 47is Hij Die komt in den Naam des Heeren.
46 Namelijk ten uitersten dage, wanneer Hij in Zijn heerlijkheid zal komen ten oordeel en zij alsdan zullen moeten bekennen dat Hij de Gezegende des Heeren, dat is, de ware Messias, is, Openb. 1:7. Zie ook Matth. 26:64. verwijsteksten
m Ps. 118:26. verwijsteksten
47 Of: zij.

Einde Mattheüs 23