Statenvertaling.nl

codex alexandrinus

Mattheüs 22 – Griekse tekst en Statenvertaling

Op deze pagina wordt de Griekse tekst van het Nieuwe Testament en de Statenvertaling parallel weergegeven. De Griekse tekst is de reconstructie van de door de vertalers gevolgde tekst. Deze tekst is gebaseerd op de Textus Receptus edities van de 16e en begin 17e eeuw. De verschillen tussen de belangrijkste edities van de Textus Receptus zijn in noten vermeld (zie bijvoorbeeld Matth. 1:11, 23 en 2:11).
(Afkortingen in de noten: St=Stephanus 1550, 1551, B=Beza 1565 t/m 1604, Elz=Elzevir 1624, 1633, Sc=Scrivener 1881, M=Meerderheidstekst, edd=edities, kt=kanttekening.)

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
Weergave: Grieks en Statenvertaling zonder kanttekeningen
Grieks en Statenvertaling met kanttekeningen

Mattheüs 22

1 De gelijkenis van een bruiloft, tot welke de eerstgenoden weigerden te komen. 8 Daarom worden anderen in hun plaats genood. 11 Onder dewelke een, verschijnende zonder bruiloftskleed, uitgeworpen wordt. 15 Christus antwoordt op de vraag der farizeeën en herodianen, of men den keizer schatting mag geven. 23 Op de vraag der sadduceeën van de vrouw die zeven mannen gehad had; en Hij bewijst tegen hen de opstanding uit de doden. 35 Verklaart welke het grootste gebod in de wet is. 41 En dat de Messias niet alleen Davids Zoon, maar ook zijn Heere is.
  
De koninklijke bruiloft
1 Καὶ ἀποκριθεὶς ὁ Ἰησοῦς πάλιν εἶπεν αὐτοῖς ἐν παραβολαῖς, λέγων, 1 EN Jezus antwoordende sprak tot hen wederom door gelijkenissen, zeggende:
2 Ὡμοιώθη ἡ βασιλεία τῶν οὐρανῶν ἀνθρώπῳ βασιλεῖ, ὅστις ἐποίησε γάμους τῷ υἱῷ αὐτοῦ· 2 aHet Koninkrijk der hemelen 1is gelijk 2een zeker koning, die zijn zoon een 3bruiloft bereid had;
a Luk. 14:16. Openb. 19:7. verwijsteksten
1 Door deze gelijkenis wordt voor ogen gesteld de grote ondankbaarheid der Joden, die van God door de predicatie des Evangelies tot de gemeenschap Zijns Zoons en der zaligheid geroepen zijnde, dezelve veracht hebben, en daarom zwaarlijk gestraft en verworpen zouden worden; en dat de heidenen daarna in hun plaats zouden worden geroepen.
2 Gr. een mens die een koning was, dat is, God de Vader.
3 Dat is, de genadige en geestelijke gemeenschap met Christus en de eeuwige zaligheid.
   
3 καὶ ἀπέστειλε τοὺς δούλους αὐτοῦ καλέσαι τοὺς κεκλημένους εἰς τοὺς γάμους, καὶ οὐκ ἤθελον ἐλθεῖν. 3 En zond zijn 4dienstknechten uit om de 5genoden ter bruiloft 6te roepen, en zij wilden niet komen.
4 Namelijk de profeten en trouwe priesters.
5 Namelijk de Joden.
6 Dat is, te halen.
   
4 πάλιν ἀπέστειλεν ἄλλους δούλους, λέγων, Εἴπατε τοῖς κεκλημένοις, Ἰδού, τὸ ἄριστόν μου ἡτοίμασα, οἱ ταῦροί μου καὶ τὰ σιτιστὰ τεθυμένα, καὶ πάντα ἕτοιμα· δεῦτε εἰς τοὺς γάμους. 4 Wederom zond hij 7andere dienstknechten uit, zeggende: Zegt den genoden: Zie, ik heb mijn middagmaal bereid; mijn ossen en de gemeste beesten zijn geslacht, en alle dingen zijn 8gereed: komt tot de bruiloft.
7 Namelijk de apostelen, evangelisten en andere leraren van het Heilig Evangelie.
8 Alzo Christus nu in het vlees gekomen was om het werk der zaligheid dadelijk te volbrengen.
   
5 οἱ δὲ ἀμελήσαντες ἀπῆλθον, ὁ μὲν εἰς τὸν ἴδιον ἀγρόν, ὁ δὲ εἰς τὴν ἐμπορίαν αὐτοῦ· 5 Maar zij zulks niet achtende, zijn heengegaan, deze tot zijn akker, gene tot zijn koopmanschap.
6 οἱ δὲ λοιποὶ κρατήσαντες τοὺς δούλους αὐτοῦ ὕβρισαν καὶ ἀπέκτειναν. 6 En de anderen grepen zijn dienstknechten, deden hun smaadheid aan en doodden hen.
7 ἀκούσας δὲ ὁ βασιλεὺς ὠργίσθη, καὶ πέμψας τὰ στρατεύματα αὐτοῦ ἀπώλεσε τοὺς φονεῖς ἐκείνους, καὶ τὴν πόλιν αὐτῶν ἐνέπρησε. 7 Als nu de koning dat hoorde, werd hij toornig, en zijn 9krijgsheiren zendende, heeft die doodslagers vernield en hun stad in brand gestoken.
9 Welke de Romeinen zijn geweest, die God heeft gebruikt om deze straf hun aan te doen, hoewel zij zulks niet voorhadden, gelijk Jes. 10:7. verwijsteksten
   
8 τότε λέγει τοῖς δούλοις αὐτοῦ, Ὁ μὲν γάμος ἕτοιμός ἐστιν, οἱ δὲ κεκλημένοι οὐκ ἦσαν ἄξιοι. 8 Toen zeide hij tot zijn dienstknechten: De bruiloft is wel bereid, doch de genoden waren het 10niet waardig.
10 Zie Hand. 13:46. verwijsteksten
   
9 πορεύεσθε οὖν ἐπὶ τὰς διεξόδους τῶν ὁδῶν, καὶ ὅσους ἂν εὕρητε, καλέσατε εἰς τοὺς γάμους. 9 Daarom, gaat op de 11uitgangen der wegen, en 12zovelen als gij er zult vinden, roept ze tot de bruiloft.
11 Of: wegscheidingen, dat is, in alle delen en landen der wereld, Rom. 10:18. verwijsteksten
12 Dat is, van allerlei soorten, zonder onderscheid.
   
10 καὶ ἐξελθόντες οἱ δοῦλοι ἐκεῖνοι εἰς τὰς ὁδοὺς συνήγαγον πάντας ὅσους εὗρον, πονηρούς τε καὶ ἀγαθούς· καὶ ἐπλήσθη ὁ γάμος ἀνακειμένων. 10 En dezelve dienstknechten uitgaande op de wegen, vergaderden allen die zij vonden, beide kwaden en goeden; en de bruiloft werd vervuld met aanzittende gasten.
11 εἰσελθὼν δὲ ὁ βασιλεὺς θεάσασθαι τοὺς ἀνακειμένους εἶδεν ἐκεῖ ἄνθρωπον οὐκ ἐνδεδυμένον ἔνδυμα γάμου· 11 En als de koning ingegaan was om de aanzittende gasten te 13overzien, zag hij aldaar een mens, niet gekleed zijnde met een 14bruiloftskleed;
13 Namelijk als het uiterste oordeel zal gehouden worden. Zie vers 13. verwijsteksten
14 Dit bruiloftskleed is Christus met Zijn gerechtigheid, aangenomen door een waar geloof, hetwelk door de werken der liefde krachtig is en betoond wordt, Rom. 13:14. Gal. 3:26, 27. Openb. 19:8. verwijsteksten
   
12 καὶ λέγει αὐτῷ, Ἑταῖρε, πῶς εἰσῆλθες ὧδε μὴ ἔχων ἔνδυμα γάμου; ὁ δὲ ἐφιμώθη. 12 En zeide tot hem: 15Vriend, hoe zijt gij hier ingekomen, geen bruiloftskleed aanhebbende? En hij 16verstomde.
15 Gr. Gezel.
16 Namelijk als een die gemuilband is.
   
13 τότε εἶπεν ὁ βασιλεὺς τοῖς διακόνοις, Δήσαντες αὐτοῦ πόδας καὶ χεῖρας, ἄρατε αὐτὸν καὶ ἐκβάλετε εἰς τὸ σκότος τὸ ἐξώτερον· ἐκεῖ ἔσται ὁ κλαυθμὸς καὶ ὁ βρυγμὸς τῶν ὀδόντων. 13 Toen zeide de koning tot 17de dienaars: Bindt zijn handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in de 18buitenste duisternis; bdaar zal zijn wening en knersing der tanden.
17 Namelijk die aan de tafel dienden; waardoor verstaan worden de engelen. Zie Matth. 13:41, 42. verwijsteksten
18 Zie hiervan Matth. 8:12. verwijsteksten
b Matth. 8:12; 13:42; 24:51; 25:30. Luk. 13:28. verwijsteksten
   
14 πολλοὶ γάρ εἰσι κλητοί, ὀλίγοι δὲ ἐκλεκτοί. 14 19Want cvelen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.
19 Dit besluit ziet niet alleen op dezen enen, die als een voorbeeld is van alle huichelaars, maar ook op de menigte dergenen die tevoren genood zijnde, zulks hebben veracht.
c Matth. 20:16. verwijsteksten
  
De belasting aan den keizer
15 Τότε πορευθέντες οἱ Φαρισαῖοι συμβούλιον ἔλαβον ὅπως αὐτὸν παγιδεύσωσιν ἐν λόγῳ. 15 dToen gingen de farizeeën heen en hielden tezamen raad, hoe zij Hem verstrikken zouden 20in Zijn rede.
d Mark. 12:13. Luk. 20:20. verwijsteksten
20 Of: met hun rede. Zie Mark. 12:13. verwijsteksten
   
16 καὶ ἀποστέλλουσιν αὐτῷ τοὺς μαθητὰς αὐτῶν μετὰ τῶν Ἡρωδιανῶν, λέγοντες, Διδάσκαλε, οἴδαμεν ὅτι ἀληθὴς εἶ, καὶ τὴν ὁδὸν τοῦ Θεοῦ ἐν ἀληθείᾳ διδάσκεις, καὶ οὐ μέλει σοι περὶ οὐδενός, οὐ γὰρ βλέπεις εἰς πρόσωπον ἀνθρώπων. 16 En zij zonden uit tot Hem hun discipelen, met de 21herodianen, zeggende: Meester, wij weten dat Gij waarachtig zijt en den weg Gods in der waarheid leert en naar niemand vraagt; want Gij ziet den 22persoon der mensen niet aan;
21 Sommige oude leraars menen dat deze herodianen een bijzondere sekte waren, die een mengeling uit de Joodse en heidense religie, van Herodes den Grote ingevoerd, toestemden en navolgden. Hetwelk overeenkomt met Mark. 8:15. Anderen menen dat zij ook hovelingen of dienaars waren van Herodes Antipas, die deze schattingen voor den keizer vergaderden, en aan degenen die zulke schatting zouden weigeren, of ontkennen geoorloofd te zijn, de handen sloegen; hetwelk uit de woorden van Luk. 20:20 afgeleid wordt. verwijsteksten
22 Gr. aangezicht, dat is, de uiterlijke gestaltenis of gelegenheid des mensen, gelijk daar is macht, rijkdom, maagschap of diergelijke.
   
17 εἰπὲ οὖν ἡμῖν, τί σοι δοκεῖ; ἔξεστι δοῦναι κῆνσον Καίσαρι, ἢ οὔ; 17 Zeg ons dan, wat dunkt U? Is het geoorloofd den keizer 23schatting te geven of niet?
23 Of: cijns.
   
18 γνοὺς δὲ ὁ Ἰησοῦς τὴν πονηρίαν αὐτῶν εἶπε, Τί με πειράζετε, ὑποκριταί; 18 Maar Jezus bekennende hun boosheid, zeide:
19 ἐπιδείξατέ μοι τὸ νόμισμα τοῦ κήνσου. οἱ δὲ προσήνεγκαν αὐτῷ δηνάριον. 19 Gij geveinsden, wat verzoekt gij Mij? Toont Mij den 24schattingpenning. En zij brachten Hem een penning.
24 Dit was een stuk geld van de Romeinen, genaamd denarius, gelijk in het laatste van dit vers uitgedrukt wordt, waarop het beeld en de naam van den Romeinsen keizer gemunt was; welke, en geen andere munt, men tot schatting geven moest, opdat daardoor zou blijken dat zij onder de heerschappij van het Romeinse rijk stonden; gelijk zij ook de schatting des tempels plachten te betalen met een halven sikkel des heiligdoms, op welken stond aan de ene zijde de sikkel Israëls, en op de andere zijde het heilige Jeruzalem. Van den denarius zie Matth. 18:28. verwijsteksten
   
20 καὶ λέγει αὐτοῖς, Τίνος ἡ εἰκὼν αὕτη καὶ ἡ ἐπιγραφή; 20 En Hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld en het opschrift?
21 λέγουσιν αὐτῷ, Καίσαρος. τότε λέγει αὐτοῖς, Ἀπόδοτε οὖν τὰ Καίσαρος Καίσαρι· καὶ τὰ τοῦ Θεοῦ τῷ Θεῷ. 21 Zij zeiden tot Hem: Des keizers. Toen zeide Hij tot hen: eGeeft dan den keizer wat des keizers is, en Gode wat Gods is.
e Matth. 17:25. Rom. 13:7. verwijsteksten
   
22 καὶ ἀκούσαντες ἐθαύμασαν· καὶ ἀφέντες αὐτὸν ἀπῆλθον. 22 En zij dit horende, verwonderden zich; en Hem verlatende, zijn zij weggegaan.
  
De sadduceeën en de opstanding
23 Ἐν ἐκείνῃ τῇ ἡμέρᾳ προσῆλθον αὐτῷ Σαδδουκαῖοι, οἱ λέγοντες μὴ εἶναι ἀνάστασιν, καὶ ἐπηρώτησαν αὐτόν, 23 fTe dienzelven dage kwamen tot Hem de 25sadduceeën, die zeggen dat er geen opstanding is, en vraagden Hem,
f Mark. 12:18. Luk. 20:27. Hand. 23:8. verwijsteksten
25 Van de sekte der sadduceeën zie breder Hand. 23:8. verwijsteksten
   
24 λέγοντες, Διδάσκαλε, Μωσῆς εἶπεν, Ἐάν τις ἀποθάνῃ μὴ ἔχων τέκνα, ἐπιγαμβρεύσει ὁ ἀδελφὸς αὐτοῦ τὴν γυναῖκα αὐτοῦ, καὶ ἀναστήσει σπέρμα τῷ ἀδελφῷ αὐτοῦ. 24 Zeggende: Meester, gMozes heeft gezegd: Indien iemand sterft, geen 26kinderen hebbende, zo zal zijn broeder deszelfs vrouw 27trouwen en zijn broeder zaad verwekken.
g Deut. 25:5. verwijsteksten
26 Dat is, zonen; overmits hij zijn broeder zaad moest verwekken, dat zijns broeders naam zou voeren en zijn erfgenaam wezen, Deut. 25:5, 6. verwijsteksten
27 Gr. uit recht van het zwagerschap tot een huisvrouw nemen.
   
25 ἦσαν δὲ παρ’ ἡμῖν ἑπτὰ ἀδελφοί· καὶ ὁ πρῶτος γαμήσας ἐτελεύτησε· καὶ μὴ ἔχων σπέρμα, ἀφῆκε τὴν γυναῖκα αὐτοῦ τῷ ἀδελφῷ αὐτοῦ. 25 Nu waren er bij ons zeven broeders; en de eerste, een vrouw getrouwd hebbende, stierf; en dewijl hij geen zaad had, zo liet hij zijn vrouw voor zijn broeder.
26 ὁμοίως καὶ ὁ δεύτερος, καὶ ὁ τρίτος, ἕως τῶν ἑπτά. 26 Desgelijks ook de tweede, en de derde, tot den 28zevenden toe.
28 Gr. tot de zeven toe.
   
27 ὕστερον δὲ πάντων ἀπέθανε καὶ ἡ γυνή. 27 Ten laatste na allen is ook de vrouw gestorven.
28 ἐν τῇ οὖν ἀναστάσει, τίνος τῶν ἑπτὰ ἔσται γυνή; πάντες γὰρ ἔσχον αὐτήν. 28 In de opstanding dan, wiens vrouw zal zij wezen van die zeven? Want zij hebben haar allen gehad.
29 ἀποκριθεὶς δὲ ὁ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτοῖς, Πλανᾶσθε, μὴ εἰδότες τὰς γραφάς, μηδὲ τὴν δύναμιν τοῦ Θεοῦ. 29 Maar Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gij dwaalt, niet wetende de Schriften, noch de kracht Gods.
30 ἐν γὰρ τῇ ἀναστάσει οὔτε γαμοῦσιν, οὔτε ἐκγαμίζονται, ἀλλ’ ὡς ἄγγελοι τοῦ Θεοῦ ἐν οὐρανῷ εἰσι. 30 Want in de opstanding 29nemen zij niet ten huwelijk, noch 30worden ten huwelijk uitgegeven; hmaar zij zijn 31als engelen Gods in den hemel.
29 Namelijk de mannen.
30 Namelijk de vrouwen.
h 1 Joh. 3:2. verwijsteksten
31 Niet ten aanzien van het wezen, maar aangaande het huwelijk en de natuurlijke eigenschappen van dit vergankelijke leven. Zie 1 Kor. 15:44. Filipp. 3:21. verwijsteksten
   
31 περὶ δὲ τῆς ἀναστάσεως τῶν νεκρῶν, οὐκ ἀνέγνωτε τὸ ῥηθὲν ὑμῖν ὑπὸ τοῦ Θεοῦ, λέγοντος, 31 En wat aangaat de opstanding der doden, hebt gij niet gelezen hetgeen van God tot ulieden gesproken is, Die daar zegt:
32 Ἐγώ εἰμι ὁ Θεὸς Ἀβραάμ, καὶ ὁ Θεὸς Ἰσαάκ, καὶ ὁ Θεὸς Ἰακώβ; οὐκ ἔστιν ὁ Θεὸς Θεὸς νεκρῶν, ἀλλὰ ζώντων. 32 iIk ben 32de God Abrahams en de God Izaks en de God Jakobs? God is niet een God der doden, maar der levenden.
i Ex. 3:6. verwijsteksten
32 Iemands God te zijn, is iemand de eeuwige zaligheid naar lichaam en ziel te willen geven. Zie Ps. 33:12; 144:15. Waaruit volgt, dat deze patriarchen naar de ziel bij God leefden (hetwelk deze sadduceeën ook ontkenden, Hand. 23:8) en ook naar hun lichamen opstaan zouden en eeuwiglijk leven; overmits Hij een God, niet alleen van een deel van hen, maar van hun gehele personen genaamd wordt. verwijsteksten
   
33 καὶ ἀκούσαντες οἱ ὄχλοι ἐξεπλήσσοντο ἐπὶ τῇ διδαχῇ αὐτοῦ. 33 En de scharen dit horende, kwerden verslagen over Zijn leer.
k Matth. 7:28. verwijsteksten
  
Het grote gebod
34 Οἱ δὲ Φαρισαῖοι, ἀκούσαντες ὅτι ἐφίμωσε τοὺς Σαδδουκαίους, συνήχθησαν ἐπὶ τὸ αὐτό. 34 lEn de farizeeën gehoord hebbende dat Hij den sadduceeën den mond gestopt had, zijn tezamen bijeenvergaderd.
l Mark. 12:28. verwijsteksten
   
35 καὶ ἐπηρώτησεν εἷς ἐξ αὐτῶν νομικός, πειράζων αὐτόν, καὶ λέγων, 35 mEn een uit hen, zijnde een wetgeleerde, heeft gevraagd, Hem verzoekende en zeggende:
m Luk. 10:25. verwijsteksten
   
36 Διδάσκαλε, ποία ἐντολὴ μεγάλη ἐν τῷ νόμῳ; 36 Meester, welk is het 33grote gebod in de wet?
33 Dat is, grootste.
   
37 ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτῷ, Ἀγαπήσεις Κύριον τὸν Θεόν σου, ἐν ὅλῃ τῇ καρδίᾳ σου, καὶ ἐν ὅλῃ τῇ ψυχῇ σου, καὶ ἐν ὅλῃ τῇ διανοίᾳ σου. 37 En Jezus zeide tot hem: nGij zult liefhebben den Heere uw God met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw 34verstand.
n Deut. 6:5; 10:12; 30:6. Luk. 10:27. verwijsteksten
34 Of: gedachte, dat is, overlegging des verstands.
   
38 αὕτη ἐστὶ πρώτη καὶ μεγάλη ἐντολή. 38 Dit is het eerste en het grote gebod.
39 δευτέρα δὲ ὁμοία αὐτῇ, Ἀγαπήσεις τὸν πλησίον σου ὡς σεαυτόν. 39 En het tweede, aan dit gelijk, is: oGij zult uw naaste liefhebben als uzelven.
o Lev. 19:18. Mark. 12:31. Rom. 13:9. Gal. 5:14. Ef. 5:2. 1 Thess. 4:9. Jak. 2:8. verwijsteksten
   
40 ἐν ταύταις ταῖς δυσὶν ἐντολαῖς ὅλος ὁ νόμος καὶ οἱ προφῆται κρέμανται. 40 Aan deze twee geboden hangt 35de ganse Wet en de Profeten.
35 Dat is, hierin als in een hoofdsom zijn alle geboden van de wet en verklaringen der profeten over dezelve vervat. Zie Rom. 13:10. 1 Tim. 1:5. verwijsteksten
  
Christus Davids Zoon en Heere
41 Συνηγμένων δὲ τῶν Φαρισαίων, ἐπηρώτησεν αὐτοὺς ὁ Ἰησοῦς, 41 pAls nu de farizeeën tezamen vergaderd waren, vraagde hun Jezus,
p Mark. 12:35. Luk. 20:41. verwijsteksten
   
42 λέγων, Τί ὑμῖν δοκεῖ περὶ τοῦ Χριστοῦ; τίνος Υἱός ἐστι; λέγουσιν αὐτῷ, Τοῦ Δαβίδ. 42 En zeide: Wat dunkt u van 36den Christus? Wiens Zoon is Hij? Zij zeiden tot Hem: Davids Zoon.
36 Dat is, van den beloofden Messias of Gezalfde.
   
43 λέγει αὐτοῖς, Πῶς οὖν Δαβὶδ ἐν Πνεύματι Κύριον αὐτὸν καλεῖ, λέγων, 43 Hij zeide tot hen: Hoe noemt Hem dan David 37in den Geest zijn Heere? zeggende:
37 Dat is, door den Heiligen Geest gedreven zijnde. Zie 2 Petr. 1:21. verwijsteksten
   
44 Εἶπεν ὁ Κύριος τῷ Κυρίῳ μου, Κάθου ἐκ δεξιῶν μου, ἕως ἂν θῶ τοὺς ἐχθρούς σου ὑποπόδιον τῶν ποδῶν σου; 44 qDe Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn 38rechterhand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.
q Ps. 110:1. Hand. 2:34. 1 Kor. 15:25. Hebr. 1:13; 10:13. verwijsteksten
38 Van de rechterhand zie Matth. 20:21. verwijsteksten
   
45 εἰ οὖν Δαβὶδ καλεῖ αὐτὸν Κύριον, πῶς Υἱὸς αὐτοῦ ἐστι; 45 39Indien Hem dan David noemt zijn Heere, hoe is Hij zijn Zoon?
39 Zie hiervan de verklaring Luk. 20:44. verwijsteksten
   
46 καὶ οὐδεὶς ἐδύνατο αὐτῷ ἀποκριθῆναι λόγον· οὐδὲ ἐτόλμησέ τις ἀπ’ ἐκείνης τῆς ἡμέρας ἐπερωτῆσαι αὐτὸν οὐκέτι. 46 En niemand kon Hem een woord antwoorden; en niemand durfde Hem van dien dag aan iets meer vragen.

Einde Mattheüs 22