Statenvertaling.nl

codex alexandrinus

Mattheüs 16 – Griekse tekst en Statenvertaling

Op deze pagina wordt de Griekse tekst van het Nieuwe Testament en de Statenvertaling parallel weergegeven. De Griekse tekst is de reconstructie van de door de vertalers gevolgde tekst. Deze tekst is gebaseerd op de Textus Receptus edities van de 16e en begin 17e eeuw. De verschillen tussen de belangrijkste edities van de Textus Receptus zijn in noten vermeld (zie bijvoorbeeld Matth. 1:11, 23 en 2:11).
(Afkortingen in de noten: St=Stephanus 1550, 1551, B=Beza 1565 t/m 1604, Elz=Elzevir 1624, 1633, Sc=Scrivener 1881, M=Meerderheidstekst, edd=edities, kt=kanttekening.)

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28
Weergave: Grieks en Statenvertaling zonder kanttekeningen
Grieks en Statenvertaling met kanttekeningen

Mattheüs 16

1 De farizeeën en sadduceeën eisen een teken, maar worden van Christus bestraft, en op het teken van Jona gewezen. 5 Christus waarschuwt Zijn discipelen voor derzelver zuurdesem. 13 Verscheiden gevoelen van het gemene volk van Christus. 15 Petrus’ belijdenis van Denzelven, welken Christus prijst, en belooft hem de sleutelen des hemelrijks. 21 Voorzegt Zijn dood en opstanding, en verwerpt de verkeerde afrading van Petrus. 24 Hoe men Christus moet navolgen en de ziel bewaren. 27 Van Christus’ toekomst in Zijn heerlijkheid.
  
Een wonderteken geweigerd
1 Καὶ προσελθόντες οἱ Φαρισαῖοι καὶ Σαδδουκαῖοι πειράζοντες ἐπηρώτησαν αὐτὸν σημεῖον ἐκ τοῦ οὐρανοῦ ἐπιδεῖξαι αὐτοῖς. 1 ENa de farizeeën en sadduceeën tot Hem gekomen zijnde en Hem 1verzoekende, begeerden van Hem dat Hij hun een teken 2uit den hemel zou tonen.
a Matth. 12:38. Mark. 8:11. Luk. 11:29; 12:54. Joh. 6:30. verwijsteksten
1 Willende beproeven of Hij zulks zou kunnen doen, om Hem beschaamd te maken.
2 Dat is, hetwelk uit, aan, of van den hemel zou geschieden, gelijk als op het gebed van Jozua de zon en maan stilstonden, Joz. 10:12, als het vuur uit den hemel kwam op het gebed van Elia, 2 Kon. 1:9, en als de zon ten tijde van Jesaja terugging, Jes. 38:8. verwijsteksten
   
2 ὁ δὲ ἀποκριθεὶς εἶπεν αὐτοῖς, Ὀψίας γενομένης λέγετε, Εὐδία· πυρράζει γὰρ ὁ οὐρανός. 2 Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: bAls het avond geworden is, zegt gij: Schoon weder, want de hemel is 3rood.
b Luk. 12:54. verwijsteksten
3 Gr. rood als vuur, dat is, schoon of klaar rood.
   
3 καὶ πρωΐ, Σήμερον χειμών· πυρράζει γὰρ στυγνάζων ὁ οὐρανός. ὑποκριταί, τὸ μὲν πρόσωπον τοῦ οὐρανοῦ γινώσκετε διακρίνειν, τὰ δὲ σημεῖα τῶν καιρῶν οὐ δύνασθε; 3 En des morgens: Heden onweder, want de hemel is droevig rood. Gij geveinsden, het 4aanschijn des hemels weet gij wel te onderscheiden, en kunt gij 5de tekenen der tijden niet onderscheiden?
4 Dat is, gestalte of gedaante.
5 Namelijk die naar de voorzegging der profeten de komst en tegenwoordigheid van den Messias aanwijzen. Zie Matth. 11:4, 5 en de aant. op Luk. 12:56. verwijsteksten
   
4 γενεὰ πονηρὰ καὶ μοιχαλὶς σημεῖον ἐπιζητεῖ· καὶ σημεῖον οὐ δοθήσεται αὐτῇ, εἰ μὴ τὸ σημεῖον Ἰωνᾶ τοῦ προφήτου. καὶ καταλιπὼν αὐτούς, ἀπῆλθε. 4 c6Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal 7geen teken gegeven worden dan het teken van dJona, den profeet. En hen verlatende, ging Hij 8weg.
c Matth. 12:39. Luk. 11:29. verwijsteksten
6 Zie hetzelfde Matth. 12:39. verwijsteksten
7 Namelijk om hen krachtiger te overtuigen.
d Jona 1:17. verwijsteksten
8 Namelijk over de zee. Zie Mark. 8:13, 14. verwijsteksten
   
5 Καὶ ἐλθόντες οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ εἰς τὸ πέραν ἐπελάθοντο ἄρτους λαβεῖν. 5 En als Zijn discipelen op de andere zijde gekomen waren, hadden zij vergeten broden mede te nemen.
6 ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτοῖς, Ὁρᾶτε καὶ προσέχετε ἀπὸ τῆς ζύμης τῶν Φαρισαίων καὶ Σαδδουκαίων. 6 eEn Jezus zeide tot hen: Ziet toe, en wacht u van den zuurdesem der farizeeën en sadduceeën.
e Mark. 8:15. Luk. 12:1. verwijsteksten
   
7 οἱ δὲ διελογίζοντο ἐν ἑαυτοῖς, λέγοντες ὅτι Ἄρτους οὐκ ἐλάβομεν. 7 En zij 9overlegden bij zichzelven, zeggende: Het is omdat wij geen broden medegenomen hebben.
9 Of: zij spraken onder elkander.
   
8 γνοὺς δὲ ὁ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτοῖς, Τί διαλογίζεσθε ἐν ἑαυτοῖς, ὀλιγόπιστοι, ὅτι ἄρτους οὐκ ἐλάβετε; 8 En Jezus dat wetende, zeide tot hen: Wat overlegt gij bij uzelven, gij kleingelovigen, dat gij geen broden medegenomen hebt?
9 οὔπω νοεῖτε, οὐδὲ μνημονεύετε τοὺς πέντε ἄρτους τῶν πεντακισχιλίων, καὶ πόσους κοφίνους ἐλάβετε; 9 fVerstaat gij nog niet? En gedenkt gij niet aan de vijf broden der vijfduizend mannen, en hoevele korven gij opnaamt?
f Matth. 14:17. Mark. 6:38. Luk. 9:13. Joh. 6:9. verwijsteksten
   
10 οὐδὲ τοὺς ἑπτὰ ἄρτους τῶν τετρακισχιλίων, καὶ πόσας σπυρίδας ἐλάβετε; 10 gNoch aan de zeven broden der vierduizend mannen, en hoevele manden gij opnaamt?
g Matth. 15:34. verwijsteksten
   
11 πῶς οὐ νοεῖτε, ὅτι οὐ περὶ ἄρτου εἶπον ὑμῖν προσέχειν ἀπὸ τῆς ζύμης τῶν Φαρισαίων καὶ Σαδδουκαίων; 11 Hoe verstaat gij niet dat Ik u van geen brood gesproken heb, als Ik zeide dat gij u wachten zoudt van den zuurdesem der farizeeën en sadduceeën?
12 τότε συνῆκαν ὅτι οὐκ εἶπε προσέχειν ἀπὸ τῆς ζύμης τοῦ ἄρτου, ἀλλ’ ἀπὸ τῆς διδαχῆς τῶν Φαρισαίων καὶ Σαδδουκαίων. 12 Toen verstonden zij dat Hij niet gezegd had dat zij zich wachten zouden van den zuurdesem des broods, maar van de 10leer der farizeeën en sadduceeën.
10 Die bij een zuurdesem hier vergeleken wordt, overmits dezelve de zuiverheid der ware leer met valse en van mensen ingestelde leer vermengde, en den mens door een ijdelen waan van eigengerechtigheid en met geveinsdheid opgeblazen maakte.
  
De belijdenis van Petrus
13 Ἐλθὼν δὲ ὁ Ἰησοῦς εἰς τὰ μέρη Καισαρείας τῆς Φιλίππου ἠρώτα τοὺς μαθητὰς αὐτοῦ, λέγων, Τίνα με λέγουσιν οἱ ἄνθρωποι εἶναι, τὸν Υἱὸν τοῦ ἀνθρώπου; 13 hAls nu Jezus gekomen was in de delen van 11Cesaréa Filippi, vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende: Wie zeggen de mensen dat Ik, de Zoon des mensen, ben?
h Mark. 8:27. Luk. 9:18. verwijsteksten
11 Dit was een stad aan den voet van den berg Libanon, omtrent den oorsprong van de Jordaan, alzo genaamd omdat zij gebouwd was ter ere van den keizer Tiberius; en wordt toegenaamd Filippi, omdat zij gebouwd is van den viervorst Filippus, Josephus, Oudheden, boek 18, hfdst. 3, en tot onderscheid van een ander Cesarea van zijn vader Herodes ter ere van den keizer Augustus aan de Middellandse Zee gebouwd, Josephus, boek 15, hfdst. 13. Hand. 10:1. verwijsteksten
   
14 οἱ δὲ εἶπον, Οἱ μὲν Ἰωάννην τὸν Βαπτιστήν· ἄλλοι δὲ Ἠλίαν· ἕτεροι δὲ Ἰερεμίαν, ἢ ἕνα τῶν προφητῶν. 14 En zij zeiden: iSommigen: Johannes de Doper; en anderen: Elía; en anderen: Jeremía, of een van de profeten.
i Matth. 14:2. verwijsteksten
   
15 λέγει αὐτοῖς, Ὑμεῖς δὲ τίνα με λέγετε εἶναι; 15 Hij zeide tot hen: Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?
16 ἀποκριθεὶς δὲ Σίμων Πέτρος εἶπε, Σὺ εἶ ὁ Χριστός, ὁ Υἱὸς τοῦ Θεοῦ τοῦ ζῶντος. 16 kEn Simon Petrus 12antwoordende zeide: Gij zijt 13de Christus, de Zoon des levenden Gods.
k Joh. 6:69. verwijsteksten
12 Namelijk uit aller naam, alzo Christus hun allen gevraagd had. Daarom behoort ook het antwoord van Christus, hoewel het tot Petrus geschiedt, tot allen.
13 Dat is, de Messias, of Gezalfde. Zie Joh. 1:42. verwijsteksten
   
17 καὶ ἀποκριθεὶς ὁ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτῷ, Μακάριος εἶ, Σίμων Βὰρ Ἰωνᾶ, ὅτι σὰρξ καὶ αἷμα οὐκ ἀπεκάλυψέ σοι, ἀλλ’ ὁ Πατήρ μου ὁ ἐν τοῖς οὐρανοῖς. 17 En Jezus antwoordende zeide tot hem: Zalig zijt gij, Simon 14Bar-Jona; want 15vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, lmaar Mijn Vader, Die in de hemelen is.
14 Dat is, Jona’s zoon. Want het woord bar betekent in de Chaldeeuwse spraak een zoon.
15 Dat is, noch uw eigen, noch enig natuurlijk vernuft, noch enig mens. Zie Gal. 1:16. verwijsteksten
l Matth. 11:25. verwijsteksten
   
18 κἀγὼ δέ σοι λέγω, ὅτι σὺ εἶ Πέτρος, καὶ ἐπὶ ταύτῃ τῇ πέτρᾳ οἰκοδομήσω μου τὴν ἐκκλησίαν, καὶ πύλαι ᾅδου οὐ κατισχύσουσιν αὐτῆς. 18 mEn Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op ndeze 16petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en ode 17poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.
m Ps. 118:22. Joh. 1:43. verwijsteksten
n Jes. 28:16. 1 Kor. 3:11. verwijsteksten
16 Dat is, steen, of steenrots, namelijk op deze uw belijdenis, die gij van Mij doet. Of: op Mij, Dien gij beleden hebt. Want Christus is alleen het Fundament Zijner gemeente, 1 Kor. 3:11, hoewel ook Petrus en ook de andere apostelen, ten aanzien van hun leer, fundamenten der gemeente kunnen genaamd worden; gelijk te zien is Openb. 21:19. verwijsteksten
o Jes. 33:20. verwijsteksten
17 Dat is, noch de listigheid, noch het geweld des duivels en zijner instrumenten. Want eertijds waren de raadhuizen en sterkten der steden in de poorten, Gen. 22:17. verwijsteksten
   
19 καὶ δώσω σοὶ τὰς κλεῖς τῆς βασιλείας τῶν οὐρανῶν· καὶ ὃ ἐὰν δήσῃς ἐπὶ τῆς γῆς, ἔσται δεδεμένον ἐν τοῖς οὐρανοῖς· καὶ ὃ ἐὰν λύσῃς ἐπὶ τῆς γῆς, ἔσται λελυμένον ἐν τοῖς οὐρανοῖς. 19 pEn Ik zal u geven de 18sleutelen van het Koninkrijk der hemelen; en 19zo wat gij zult binden op de aarde, 20zal in de hemelen gebonden zijn; en zo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn.
p Matth. 18:18. Joh. 20:22. verwijsteksten
18 Dat is, een geestelijke macht om van Godswege en in Christus’ Naam te verkondigen den gelovigen en boetvaardigen vergeving hunner zonden, en dat zij deel hebben aan het Rijk Gods, en hetzelve door de heilige sacramenten aan hen te verzegelen. En daarentegen den ongelovigen en onboetvaardigen, dat zij geen deel hebben aan de vergeving der zonden en het Rijk Gods, en dienvolgens hen van het gebruik derzelver sacramenten te weren en van de gemeenschap der gelovigen uit te sluiten. Welke macht aan de gemeente, Matth. 18:18, en aan al de apostelen, Joh. 20:21, ook gegeven wordt. Zie 2 Kor. 10:8. verwijsteksten
19 Namelijk naar Christus’ bevel en voorschrift.
20 Dat is, God zal voor vast en bondig houden hetgeen alzo naar Zijn bevel door Zijn dienaars gedaan zal zijn.
   
20 τότε διεστείλατο τοῖς μαθηταῖς αὐτοῦ ἵνα μηδενὶ εἴπωσιν ὅτι αὐτός ἐστιν Ἰησοῦς ὁ Χριστός. 20 Toen verbood Hij Zijn discipelen, dat zij iemand zeggen zouden dat Hij was Jezus, de Christus.
  
Eerste aankondiging van het lijden
21 Ἀπὸ τότε ἤρξατο ὁ Ἰησοῦς δεικνύειν τοῖς μαθηταῖς αὐτοῦ ὅτι δεῖ αὐτὸν ἀπελθεῖν εἰς Ἱεροσόλυμα, καὶ πολλὰ παθεῖν ἀπὸ τῶν πρεσβυτέρων καὶ ἀρχιερέων καὶ γραμματέων, καὶ ἀποκτανθῆναι, καὶ τῇ τρίτῃ ἡμέρᾳ ἐγερθῆναι. 21 qVan toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen dat Hij 21moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de 22ouderlingen en overpriesters en schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden.
q Matth. 17:22; 20:18. Mark. 8:31; 9:31; 10:33. Luk. 9:22; 18:31; 24:7. verwijsteksten
21 Namelijk omdat zulks van God besloten, Hand. 2:23, van de profeten voorzegd, Luk. 24:26, 27, en tot verzoening der zonden nodig was, Hebr. 9:23. verwijsteksten
22 Dat is, de oudsten des volks.
   
22 καὶ προσλαβόμενος αὐτὸν ὁ Πέτρος ἤρξατο ἐπιτιμᾷν αὐτῷ λέγων, Ἵλεώς σοι, Κύριε· οὐ μὴ ἔσται σοι τοῦτο. 22 En Petrus Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen, zeggende: 23Heere, zijt U genadig; dit zal U geenszins geschieden.
23 Of: God zij U genadig, Heere; dat is, God behoede U daarvoor. Dat zij verre van U.
   
23 ὁ δὲ στραφεὶς εἶπε τῷ Πέτρῳ, Ὕπαγε ὀπίσω μου, Σατανᾶ, σκάνδαλόν μου εἶ· ὅτι οὐ φρονεῖς τὰ τοῦ Θεοῦ, ἀλλὰ τὰ τῶν ἀνθρώπων. 23 Maar Hij Zich omkerende, zeide tot Petrus: Ga weg achter Mij, 24satanas, rgij zijt 25Mij een aanstoot; want gij verzint niet de dingen die Gods zijn, maar die der mensen zijn.
24 Dat is, wederpartij. Welke naam wel voornamelijk den duivel wordt toegeschreven, zie Matth. 4:10, maar hier ook aan Petrus gegeven, omdat hij Christus uit verkeerde liefde in het uitvoeren van Zijn ambt zocht hinderlijk te zijn. Zie 2 Sam. 19:22. verwijsteksten
r 2 Sam. 19:22. verwijsteksten
25 Gr. Mijn aanstoot.
  
Aansporing tot zelfverloochening
24 τότε ὁ Ἰησοῦς εἶπε τοῖς μαθηταῖς αὐτοῦ, Εἴ τις θέλει ὀπίσω μου ἐλθεῖν, ἀπαρνησάσθω ἑαυτόν, καὶ ἀράτω τὸν σταυρὸν αὐτοῦ, καὶ ἀκολουθείτω μοι. 24 Toen zeide Jezus tot Zijn discipelen: sZo iemand 26achter Mij wil komen, die 27verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op en volge Mij.
s Matth. 10:38. Mark. 8:34. Luk. 9:23; 14:27. verwijsteksten
26 Dat is, Mij als een discipel wil volgen.
27 Zichzelven verloochenen is van zijn eigen verstand, wil en genegenheden afgaan en dezelve aan Gods Woord en wil onderwerpen.
   
25 ὃς γὰρ ἂν θέλῃ τὴν ψυχὴν αὐτοῦ σῶσαι ἀπολέσει αὐτήν· ὃς δ’ ἂν ἀπολέσῃ τὴν ψυχὴν αὐτοῦ ἕνεκεν ἐμοῦ εὑρήσει αὐτήν· 25 tWant zo wie zijn 28leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal om Mijnentwil, die zal hetzelve vinden.
t Matth. 10:39. Mark. 8:35. Luk. 9:24; 17:33. Joh. 12:25. verwijsteksten
28 Gr. ziel. Zie Matth. 10:39. verwijsteksten
   
26 τί γὰρ ὠφελεῖται ἄνθρωπος ἐὰν τὸν κόσμον ὅλον κερδήσῃ, τὴν δὲ ψυχὴν αὐτοῦ ζημιωθῇ; ἢ τί δώσει ἄνθρωπος ἀντάλλαγμα τῆς ψυχῆς αὐτοῦ; 26 vWant wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint en lijdt schade zijner ziel? Of xwat zal een mens geven tot 29lossing van zijn ziel?
v Luk. 9:25. verwijsteksten
x Ps. 49:9. Mark. 8:37. verwijsteksten
29 Gr. verwisseling, tegenlossing, of ruiling, waartegen of waarvoor iemand gelost wordt.
   
27 μέλλει γὰρ ὁ Υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου ἔρχεσθαι ἐν τῇ δόξῃ τοῦ Πατρὸς αὐτοῦ μετὰ τῶν ἀγγέλων αὐτοῦ, καὶ τότε ἀποδώσει ἑκάστῳ κατὰ τὴν πρᾶξιν αὐτοῦ. 27 yWant de Zoon des mensen zal komen in de zheerlijkheid Zijns Vaders, met Zijn engelen, en aalsdan zal Hij een iegelijk vergelden 30naar zijn doen.
y Matth. 24:30; 25:31; 26:64. verwijsteksten
z Matth. 25:31. verwijsteksten
a Job 34:11. Ps. 62:13. Rom. 2:6. verwijsteksten
30 Dat is, naar dat hij gedaan zal hebben, goed of kwaad. Zie de verklaring hiervan Matth. 25:36. verwijsteksten
   
28 ἀμὴν λέγω ὑμῖν, εἰσί τινες τῶν ὧδε ἑστηκότων, οἵτινες οὐ μὴ γεύσωνται θανάτου, ἕως ἂν ἴδωσι τὸν Υἱὸν τοῦ ἀνθρώπου ἐρχόμενον ἐν τῇ βασιλείᾳ αὐτοῦ. 28 bVoorwaar zeg Ik u: Er zijn sommigen van die 31hier staan, dewelke den dood niet smaken zullen, totdat zij den Zoon des mensen zullen hebben 32zien komen in Zijn Koninkrijk.
b Mark. 9:1. Luk. 9:27. verwijsteksten
31 Dat is, die hier tegenwoordig zijn.
32 Dit kan verstaan worden, óf van Zijn verrijzenis en hemelvaart, óf van de zending van den Heiligen Geest en verbreiding van het Evangelie onder de heidenen, óf ook van Zijn verheerlijking op den berg, waarvan gesproken wordt in het begin van het volgende hoofdstuk.

Einde Mattheüs 16