Statenvertaling.nl

sample header image

1 Samuël 7 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

1 Samuël 7

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

De ark wordt gevoerd en gesteld te Kirjath-Jearim, vs. 1, enz. Samuël vermaant het volk tot bekering en wegdoening der afgoden, 3. De Israëlieten gehoorzamen hem, 4. Vasten- en biddag, 6. De Filistijnen menen de Israëlieten te overvallen; de Israëlieten zijn bevreesd, 7. Samuël offert en bidt den Heere voor Israël; hij en het volk worden verhoord, 9. De Heere verschrikt de Filistijnen met donder, en zij worden geslagen, 10. Samuël richt een gedenksteen op te Mizpa, ter gedachtenis van die victorie, 12. De hand des Heeren was tegen de Filistijnen zolang als Samuël leefde, 13. De Israëlieten krijgen die steden weder die de Filistijnen hun afgenomen hadden, 14. Samuël doorgaat en bezoekt al de steden des lands, 16. En keert weder naar Rama, 17.
 
Eben-Haëzer
1 TOEN kwamen de mannen van 1Kirjath-Jeárim en haalden de ark des HEEREN op aen zij brachten ze in het huis van Abinádab 2op den heuvel; en zij 3heiligden zijn zoon Eleázar, dat hij de ark des HEEREN bewaarde.
1 Zie van deze stad de aant. op Richt. 18:12. verwijsteksten
a 2 Sam. 6:4. verwijsteksten
2 Anders: te Gibea.
3 Dat is, wijdden of verordineerden hem tot een heiligen dienst.
 
2 En het geschiedde van dien dag af, dat de ark des HEEREN te Kirjath-Jeárim bleef, en de dagen werden vermenigvuldigd en het werden twintig jaren; en het ganse huis Israëls 4klaagde den HEERE achterna.
4 Anders: zuchtten tot den Heere, te weten, toen zij van de Filistijnen hard gedrukt werden. Zie vers 3. verwijsteksten
 
3 Toen sprak Samuël tot het ganse huis Israëls, zeggende: Indien gijlieden u met uw ganse hart tot den HEERE bekeert, zo doet 5de vreemde goden uit het midden van u weg, ook de 6Astharoths; en bricht uw hart tot den HEERE en dient Hem alleen, zo zal Hij u uit de hand der Filistijnen rukken.
5 Hebr. de goden van den vreemde. Hij verstaat de afgoden van de vreemde of uitlandse volken die rondom hen lagen.
6 Zie Richt. 2:13. verwijsteksten
b Deut. 6:13; 10:20. Matth. 4:10. Luk. 4:8. verwijsteksten
 
4 De kinderen Israëls nu deden de 7Baäls en de Astharoths weg, en zij dienden den HEERE alleen.
7 Zie Richt. 2:11. Baäl is een mannelijke naam, maar Astharoth is een vrouwelijke naam; zodat hier gesproken wordt van de afgoden en afgodinnen der heidenen. verwijsteksten
 
5 Verder zeide Samuël: Vergadert het ganse Israël naar 8Mizpa, en ik zal den HEERE voor u bidden.
8 Hier plachten de Israëlieten hun landsvergaderingen te houden. Zie Richt. 20:1. Samuël heeft goedgevonden het volk hier bijeen te roepen, opdat hij voor hen, en zij tegelijk met hem, den Heere zou bidden. verwijsteksten
 
6 En zij werden vergaderd te Mizpa, en zij schepten water en 9goten het uit voor het aangezicht des HEEREN, en zij vastten te dien dage en zeiden aldaar: Wij hebben tegen den HEERE gezondigd. Alzo 10richtte Samuël de kinderen Israëls te Mizpa.
9 Tot een teken dat zij hun harten (van zonden gewassen en gereinigd zijnde) uitgoten voor den Heere. Zie dergelijke 1 Sam. 1:15. De zin is: Zij riepen den Heere van harte aan om verlossing. Daartoe was ook hun vasten behorende. verwijsteksten
10 Dat is, hij regeerde hen, en hij bracht hen door zijn goede vermaning tot bekering. Zie de aant. op Richt. 2:16. verwijsteksten
 
7 Toen de Filistijnen hoorden dat de kinderen Israëls zich vergaderd hadden te Mizpa, 11zo kwamen de oversten der Filistijnen op tegen Israël. Als de kinderen Israëls dat hoorden, zo vreesden zij 12voor het aangezicht der Filistijnen.
11 Te weten met heirkracht, als blijkt vers 10. verwijsteksten
12 Dat is, van de komst. Zie de aant. op Gen. 36:6. verwijsteksten
 
8 En de kinderen Israëls zeiden tot Samuël: 13Zwijg niet van onzentwege, dat gij niet zoudt roepen tot den HEERE onzen God, opdat Hij ons verlosse uit de hand der Filistijnen.
13 Of: Laat niet af, en houd u niet stil van ons, van te roepen, enz. Zie Job 13 op vers 13. verwijsteksten
 
9 Toen nam Samuël een 14melklam en 15hij offerde het geheel den HEERE ten brandoffer; en Samuël riep tot den HEERE voor Israël, en de HEERE 16verhoorde hem.
14 Dat is, een jong lam, dat nog de melk van zijn moeder zoog.
15 Hij zelf, of door een priester.
16 Of: antwoordde hem.
 
10 En het geschiedde toen Samuël dat brandoffer offerde, zo kwamen de Filistijnen aan ten strijde tegen Israël; en de HEERE donderde te dien dage met een groten 17donder over de Filistijnen en cHij verschrikte hen, zodat zij verslagen werden voor het aangezicht van Israël.
17 Hebr. stem.
c Joz. 10:10. verwijsteksten
 
11 En de mannen Israëls togen uit van Mizpa en vervolgden de Filistijnen, en zij sloegen hen tot onder Bethkar.
12 Samuël nu nam een steen en stelde dien tussen Mizpa en tussen 18Sen, en hij noemde diens naam 19dEben-Haëzer; en hij zeide: Tot hiertoe heeft ons de HEERE geholpen.
18 Dat is, den tand, en door gelijkenis een rots, die als een tand scherp uitsteekt, als 1 Sam. 14:4, 5. verwijsteksten
19 Dat is, helpsteen of steen der hulpe.
d 1 Sam. 4:1. verwijsteksten
 
13 Alzo werden de Filistijnen vernederd en 20kwamen 21niet meer 22in de landpalen Israëls; want de hand des HEEREN was tegen de Filistijnen al de dagen van Samuël.
20 Hebr. zij voeren niet meer voort te komen, te weten met heirlegers om Israël enige steden af te nemen; maar zij hadden en hielden nog hun garnizoenen en soldaten op de frontieren om die te bewaren, als te zien is 1 Sam. 10:5. Of: niet meer betekent hier in langen tijd niet weder. Of: niet meer voor niet zo dikwijls, als Gen. 32:28. 2 Kon. 6:23, 24. verwijsteksten
21 Anders: niet weder.
22 Dat is, in het land der Israëlieten.
 
14 En de steden welke de Filistijnen van Israël genomen hadden, kwamen weder aan Israël, van Ekron tot Gath toe; ook rukte Israël derzelver landpale uit de hand der Filistijnen. En 23er was vrede tussen Israël en tussen 24de Amorieten.
23 Dat is, zij voerden geen openbaren krijg tegen elkander.
24 Versta onder den naam der Amorieten ook andere volken van het land Kanaän of van de Filistijnen.
 
15 Samuël nu 25richtte Israël 26al de dagen zijns levens.
25 Zie vers 6. verwijsteksten
26 Te weten, van dien dag af toen hij richter geworden is, tot zijn dood toe, want ofschoon Saul als koning geregeerd heeft, zo is evenwel Samuël mede in de regering gebleven en hebben zij tezamen geregeerd veertig jaren, Hand. 13:21. verwijsteksten
 
16 En hij toog van jaar tot jaar en ging rondom naar 27Bethel en Gilgal en Mizpa, en hij richtte Israël in al die plaatsen.
27 Dit kan verstaan worden van de stad Bethel, of van het huis Gods (want dat betekent Bethel), en alzo zou hier verstaan worden Kirjath-Jearim, waar toentertijd de ark des verbonds was.
 
17 Doch hij 28keerde weder naar 29Rama, want edaar was zijn huis en 30daar richtte hij Israël; en hij bouwde aldaar den HEERE een altaar.
28 Hebr. en zijn wederkomst was naar Rama.
29 Deze stad wordt 1 Sam. 1:1 genoemd Ramathaïm, zie de aant. aldaar. verwijsteksten
e 1 Sam. 8:4. verwijsteksten
30 Dat is, hij had daar zijn gewone woning; als hij het land omgegaan of doorwandeld had, zo is hij weder daar gekomen.

Einde 1 Samuël 7